Lentekriebels?

Kijk, dat vind ik dan weer lullig.

Is het eindelijk lente, loop ik te niezen en te rillen als een op hol geslagen sneeuwman. Kuch en kleum ik gelijk een te kort geschoren ijsbeer. Ruik ik níets van de zoete roze bloesems en voel ik de nieuwe lentewarmte niet.

Het enige postieve is dat ik een reden heb om een flinke medicinale baco te nemen.

Tot morgen! (Proost)

Het vrijgezellenfeest

“Wegens wegwerkzaamheden is de verbindingweg A1 / A10 afgesloten.”

Wát?! Verbindingsweg A1 afgesloten?! Fuck, fuck, fuck. Daar moet ik lángs! En als ik daar niet langs kan, dan weet ik het niet meer. Help?! Iemand?!

“Ik kan niet bij de afslag komen,” hijg ik in de telefoon, “wat moet ik doen?” Mijn broer zucht. “Dan moet je om Amsterdam héén, Es.” Nogmaals fuck. Voor iemand die al gaat hyperventileren als ze een bord ‘eenrichtingsverkeer’ ziet, is dit vrij heftig.

Met dank aan mijn broer bereik ik uiteindelijk mijn bestemming. Gelukkig. Ik ben er. “Koffie opdrinken en wegwezen, meiden.” wordt er geroepen. “Parkeren in Amsterdam-Noord. Dan de tweehonderddrieën- dertig en de tweeëntwintig.” Amsterdam-Nóórd? Tweehonderddrieën- dertig? Dit gaat vást niet over een lange rij bij de slager. “Hé, ik kom uit de Provincie,” gil ik boven iedereen uit, “ik wil iemand in mijn auto die de weg kent!” P. knikt instemmend. Zij was niet voor niets een half uur te laat.

Helaas blijken de minst ervaren chauffeurs (P. en ik) degenen met auto te zijn. Ik laat mijn schoonzus rijden, -jouw feestje, Babe, jíj wil trouwen-, en P. rijdt zelf, maar onder begeleiding. “Nu moeten we wel héél goed opletten,” fluister ik tegen P. als we later in de bus zitten, “als we die groep nu kwijtraken, vinden we onze wagentjes nóóit meer terug.” “Ja,” knikt P. “Dan lopen we morgen nóg kriskras door Amsterdam op zoek naar twee groene peugeotjes!”

De bus brengt ons naar de Hamman. Van daaruit lopen we naar een restaurant. Het is gezellig, maar ik zit niet helemaal ontspannen. Wat nou als ik straks die parkeerplaats écht niet meer kan vinden. Of als ik vannacht wéér helemaal om Amsterdam heen wordt geleid. En Heel Erg Verdwaal?! In de auto ben ik echt een held op sokken. En dat rijdt behoorlijk kut; op sokken.

Na het diner belanden we in een club. (P. bij de entree: “De pot komt eraan. Zíj is de pot.”) Een wijntje en een relaxte sfeer helpen om te ontspannen. We kletsen, dansen en chillen. Ik ben de terugtocht net een beetje aan het vergeten als P. rond half twee roept: “Kom, we gaan onze auto’s zoeken.”

De eerste bus rijdt niet meer. De tweede (nachtbus) missen we. De derde laten we voor wat ie is en nemen een taxi. Gelukkig. Al onze wieltjes (en zelfs de wieldopjes!) staan er nog. Snel nog wat gesmak van dag-en-dag, tot over drie weken, en wég scheur ik. Ik wil naar húis, naar húis. Maar hoe? Een dominostraat aan omleidingborden grijnst me toe. Pijltjes wijzen alle kanten op.

Ik volg maar gewoon een paar willekeurige aanwijzingen. ‘Doorgaand verkeer’ klinkt goed. En ja. Ik zit op de snelweg. Alleen zijn alle lijnen op de weg veranderd. En er is niemand om achteraan te rijden. Ik snap geen zak van dit labyrint. Een paar keer bots ik bijna op een tijdelijke vluchtheuvel. Het feit dat mijn lenzen plakken en er mist opkomt, helpt niet mee. Uiteindelijk ben ik rond half drie thuis. Stijf van de stress lig ik in bed.

Overal zie ik witte en gele lijnen.

Schoonzus, je was ‘t waard.
Maar ik doe dit nóóit meer!

Ik haat Murphy

Zal je altijd zien.

Net die éne keer dat ik géén tijd heb om a) te douchen en b) mijn gezicht op te lappen, dat ik ‘even snel’ kleren uit de wasmand heb gegraaid, een badhairday heb en óók nog eens met een rood hoofd de kinderwagen richting peuterspeelzaal duw om nog enigszins op tijd te komen, natuurlijk net díe keer, die éne keer, kom ik verdomme een ex tegen.

En het ergste is nog wel dat ik er serieus van baal. Dat ik serieus baal dat mijn ex nu denkt dat ik een slonzige, gestresste, onopgemaakte Becelmoeder ben geworden, wier belangrijkste levenstaak het halen en brengen van de kinderen is.

Want dat is natuurlijk niet zo. In tegendeel! Ik ben júist geen Becelmoeder. Ik ben een hippe, jeugdige, rimpelloze, onthaaste, goed geconserveerde, ontroerende, geliefde en vooral gelukkige vrouw. Die toevallig óók kinderen heeft. Die haar hand daar niet voor omdraait. Maar die vooral vreselijk geniet van leven en alle leuke feestjes die op haar pad komen. Kortom, ik ben de droom die hij gemist heeft.

Zo is het en niet anders.
En het is heel belangrijk dat júist exen dit soort dingen weten of te weten komen.

Niet dat ik denk dat mijn ex dit leest of zo.

Maar ik wilde het toch graag even zeggen.

File-soferen

Paul heeft ’s ochtends file, ik de kinderen.

En daar klagen we flink over. Want hoewel files en kinderen duidelijk overeenkomsten vertonen (ze houden de boel op) vinden we beiden dat ‘de ander’ het minder zwaar heeft. Het kwam dan ook goed uit dat het eens een keer helemaal anders ging.

Ik stond in alle vroegte op. Ik douchte, heerlijk in mijn eentje, zette in alle rust koffie en smeerde een boterham. Met natte haren en een latte-to-go stapte ik in de auto. Radio aan, boterhammetje erbij. Ik luisterde naar het filenieuws en stelde opgelucht vast dat er zich op mijn route een file bevond.

Paul werd wakker van Annabel. Hij maakte een flesje en kroop slaperig met zijn dochtertje op de bank. Hij keek naar het nieuws. Een kwartiertje later kwam Lizzy naar beneden stommelen. Dikke ogen van de slaap en coupe vogelnestje. Hij lachte om haar gemopper en suste een kleine meidenruzie.

Ondertussen reed ik stapvoets op de A1. Ik zong mee met de muziek en dronk mijn koffie. Het was heerlijk om zo gedachteloos te rijden. Veel te snel was ik in Amsterdam. Ik troostte me met de gedachte dat ik straks ook nog terug moest. Misschien was er dan nog wel een langere file.

Paul stuurde een smsje. Ze hadden cornflakes gegeten. Hij had vreselijk gelachen (geláchen?!) want Annabel had het kommetje cornflakes van Lizzy omgegooid. En Lizzy stond nu onder de douche. Annabel keek naar de Teletubbies. Hij had helemaal geen zin om te gaan werken. Hij was net zo lekker aan ’t rommelen.

’s Avonds gaven we toe een bijzonder relaxte ochtend te hebben gehad. “Heel gezellig, die kinderen,” zei Paul. “Lekker rustig, zo’n file,” zei ik. Even was het stil. Beiden stelden we ons een leven voor waarin de rollen voorgoed omgekeerd waren.

“Maar om dat nou elke dág zo te doen, nee.” zeiden we tegelijkertijd.