In de gloria

Het begon al goed.

Ongeveer vierhonderd keer mijn bed uit vannacht. Liz had weer eens besloten dat er een ‘nachtmerrie’ onder haar bed zat. Annabelletje werd wakker van Liz. Paul was ziek, maar wilde de volgende dag persé gaan werken. Hem liet ik dus maar liggen. Ik ging zelf wel.

Vanmorgen om zes uur was de aftrap. Annabelletje werd wakker; totaal niet uitgerust en met een humeur om op te schieten. Lizzy wilde niet douchen en gooide haar tanderborstel door de badkamer. Ze raakte Annabelletje. Toen ik even op ze mopperde (argument: ‘mamma is jarig, jullie moeten lief zijn!’) deed het addergebroed er nog een schepje bovenop door flink te gaan gillen. Op mijn tandvlees toog ik naar beneden.

Ik ben een sukkel. Ik ben ouderwets. Ik geloof in Sinterklaas. En in verjaardagen. Ik trek nieuwe kleren aan. Ik wil slingers, het liefst een versierde kamer. Al hangt er maar één ballon. Een briefje, een piepklein cadeautje (ondanks de afspraak om samen iets moois uit te zoeken). En ik wil het ‘s morgens. Naast een glaasje versgeperst sinaasappelsap. Maar Paul was al naar zijn werk. Net voor hij zichzelf praktisch drogeerde met paracetamol wenste hij me een fijne verjaardag (ik lag nog in bed) en verdween.

Ik heb zin om mezelf over te geven aan een huilbui, die opeens heel hoog lijkt te zitten. Maar dan besef ik dat er niemand is om de krokodillentranen te drogen. En dat huilen bij de kinderen misschien wel heel pedachaotisch overkomt.

Het wordt tijd de realiteit onder ogen te zien. Verjaardagen als moeder, en vooral als moeder van boven de dertig, zijn niet bedoeld als feest. Ze zijn als een dieet; het resultataat is meestal omgekeerd evenredig aan de verwachting. Het wordt tijd dat ik het accepteer.

Sinterklaas bestaat niet.

Advertisements

O lief lijf!

Annabelletje nadert het punt van maximale schattigheid.

Met haar korte dikke beentjes en bolle buikje is ze met recht een echte dreumes. Geen baby meer, maar ook nog lang geen peuter. Ze brabbelt, waggelt, schudt met haar dikke luierkont. Ze is een gepunkte versie van een klassieke cherubijn. Haar blik is engelachtig, maar tegelijkertijd merkwaardig schalks.

Gisteravond zat ik samen met haar in bad. Telkens wanneer ik de douchestraal op haar buikje richtte, moest ze lachen. Ze trok haar neusje op, ontblote haar zes tanden en maakte een soort snuivende grinnikgeluidjes. Toen ze zich omdraaide om een speeltje te pakken, richtte ik de straal op haar rugje. Meteen bewoog ze niet meer. Ze liet haar armpjes zakken, trok haar schoudertjes iets op en liet haar hoofd hangen. Op haar billen zag ik kippenvel en ze zuchtte diep. Haar ogen had ze dicht. Zo stond ze wel een minuut lang. Ze bewoog niet. Haar hele wereld bestond op dat moment uit die warme douchestraal op haar blote ruggetje.

‘Blijf nog even zo,’ dacht ik ontroerd, ‘blijf nog even zo, zo lief, zo klein. Zo’n lief klein lijf.’

Blijf nog even zo baby.

Gemak dient de mensch

Gesprek tussen mijn vader en mijn broer.

“Paul en Es hadden wel een leuk weekend gehad hè?”
“O, heb je haar al gesproken?”
“Nee, gelezen op Vrouwonline.”

(…)

“Heb jij nog wat gedaan, ’t weekend?”
“Niet zoveel. Op Lizzy en Annabel gepast.”
“Ja, dat had ik al gelezen.”
“O ja, natuurlijk.”

(…)

“Zeg,”
“Ja?”
“Kan jíj geen weblog beginnen?”
“Hoezo?”
“Hoef ik jou ook niet meer te bellen.”

Assepoester

Ik zag het meteen.

Op onze tafel stond een groot cadeau. “Dat is vanmiddag voor jullie gebracht,” zei de sommelier. “Alles is ook al betaald.” Het cadeau bleek een fotolijst. Met plaatjes van de bruiloft. Eén grote foto van mij en Annabel, twee kleintjes van mijn broer en schoonzus, van Lizzy en Paul. Er hing een kaartje aan. “Dank je wel voor alles.” Het handschrift van mijn broer. We plaatsen het schilderij tegen de muur. De rest van de avond hadden we aanspraak genoeg.

Ze serveerden kreeft. Kreeft en oesters. Hoe groot kon de verrassing zijn?! We kregen een fles droge witte wijn. Stiekem moffelde ik een grote schaar van het enorme schaaldier in mijn tas. Die zouden we ze bij thuiskomst overhandigen. Als souvenir. Als dank voor het etentje en voor het feit dat ze en passant ook nog even op de kinderen hadden gepast. Vanmorgen vond ik hem uitgedroogd terug in mijn tasje. Hij stonk. Hij stonk heerlijk naar een fantastische avond.

Na het eten gingen we poolen. Poolen en gokken. For old time’s sake, zeg maar. Ik werd natuurlijk vreselijk ingemaakt, maar dat maakte niet uit. Ook dát hoorde erbij. Gokken ging me beter af. Dubbele jackpot en de punten vlogen omhoog. “Er klopt iets niet,” zei Paul terwijl hij me zoende. Ik trok verbaasd een wenkbrauw op. “Ze zeggen toch altijd dat wie geluk heeft in de liefde, geen geluk heeft in het spel?” “Wij zijn de uitzondering.” Zei ik.

Om kwart voor twaalf vond ik dat we écht, écht, écht naar huis moesten. Langer wegblijven konden we echt niet maken. We pakten ons schilderij onder de arm en zochten onze fietsen. Terwijl we door het park fietsen hoorde ik de Toren. Twaalf slagen. Ik keek naar mijn voeten, naar mijn nieuwe zwarte pumps.

Ik was bijna verbaasd dat ik niet een schoen was verloren.

Vieziejeuze cirkel

Winkelen is leuk, maar ik word er zo dík van.

Een stadse strooptocht werkt bij mij hetzelfde als een vreetbui. Ik neem me altijd voor om overal af te blijven, maar als ik eenmaal zwicht dan denk ik maar één ding: “Dóórgaan!” Dan neemt de fatalistische ‘nu maakt het tóch niets meer uit’-gedachte het snel over.

Maar van die overéénkomst word ik natuurlijk niet dik. Van het hongergevoel ná het winkelen wél. Daarvan ga ik aan de snaai. Onbewust sus ik mijn financiële geweten met suiker. Met vet. En vooral met koolhydraten.

Als de vreetbui voorbij is, volgt een suikerdip. Dan voel ik me ongelukkig, volgevreten en slap. Mijn maag doet pijn en mijn humeur gaat met sprongen achteruit. Mopperend zit ik op de bank. Zuchtend sta ik weer op. Morgen ga ik weer lijnen. Maar nu moet ik eerst van die kutbui af. En ik kan maar één manier bedenken waarop.

Winkelen.