Pluk de dag!

Mijn anti-Plop-beleid werpt vruchten af.

In huize Vuysters heerst een nieuwe held. Pluk van de Flettepet. De meisjes zitten, sinds de komst van het jongetje met het rode kraanwagentje, stévig aan de buis gekluisterd. (Om de één of andere vage reden ligt Bel steeds in een deuk om de Stampertjes. Mogelijk vanwege (de herkenning van) het kapsel.)

De nieuwe film levert overigens wel een boel nieuwe vragen op. (Veelal ’s nachts, helaas.) “Mamma, waaróm heeft Aagje nooit een broek aan?” “Mamma, hebben wij hier ook een Krullevaar?” “Is een heen-en-weerwolf eng?” “Mag ik ook hasselbraamthee?”

Eén ding is zeker. Pluk is een blijvertje. En zolang Lizzy het houdt bij het citeren van hele lappen tekst (- Waar gaan wij naar toe? – Naar het torenkamertje. – Naar het torenkamertje? En wat gaan wij daar doen? – Daar woon ik. – Daar woon ik?) vind ik het best. Als er maar geen kakkerlakken opduiken in de keukenkastjes.

Wat mij betreft mag Pluk trouwens wel op de lijst van cultureel erfgoed. Geweldig, al die jaren zeventig elementen (een winkeltje met een échte kassa, de bloemetjesschort van Mevrouw Helderder). Wisten jullie trouwens dat Erica Terpstra, Arjen Ederveen én Erik van Muiswinkel in de film te zien zijn? En last but not least, de stem van de Zaza de Kakkerlak. Die lijkt wel héél erg op…

Inderdaad.

Het is vást geen toeval dat Zaza nou juist (in het gootsteenkastje van) het torenkamertje zit.

Advertisements

Waar is Esther (laatste deel)

In een kinderspeelparadijs

Naast me zit een vader de krant te lezen. Hij heeft, de afgelopen tien minuten, nog geen seconde opgekeken. Knap. Ik check minstens elke dertig seconden of mijn kroost nog ongedeerd is. Ze kunnen zomaar langs het hekje geglipt zijn. Een vrije val tegemoet. Pas als ik Lizzy weer zie lopen (Annabel als een zak aardappelen achter zich aan slepend) is het goed. Dan heb ik weer negenentwintig seconden rust.

Er staat een jongetje naast me. Het kereltje danst al zeker een half uur om me heen. Hij vraagt steeds of ik wil kijken hoe goed hij iets kan. Als ik wegloopt, komt hij snel achter me aan. “Lijk ik soms op jouw moeder?” vraag ik met een glimlach. “Nee,” zegt het jongetje. “Je lijkt op mijn vader.”

Het dochtertje van de man naast me komt aandacht vragen. “Nee,” zegt haar vader. “Ik lees de krant.” Zelfs als ze later appelsap drinkt aan tafel, kijkt haar vader niet op van zijn krant. Stil eet ze haar koekje. “Ga je met me spelen?” vraagt het meisje als haar sap op is. “Of moet je weer de krant lezen?”

Vlak voor ik wegga komt de moeder van het stalkjongetje hem ophalen. “Schiet op,” is alles wat ze zegt. Chagrijnig beent ze richting uitgang. Haar dikke billen schudden in haar broek. Ze kijkt niet op of om. Ik denk aan wat het jongetje heeft gezegd. Dat ik op zijn vader lijk. Niet erg. Op zijn moeder lijk, dat zou pas schokkend zijn.

Waar is Esther?

In de kelder.

Jullie zaten er niet zo ver naast. Er was (is) inderdaad ‘iets’ met de laptop. Vrijdagochtend werkte alles nog, ’s avonds was het hommeles. Er leek van alles in huis te pulseren en de computer zat muurvast. Zelfs de meest fatale commando’s hielpen niet meer. Wat een stroomuitvallertje al niet teweeg kan brengen.

En niet alleen de computer gaf problemen. Alle elektronische klokken knipperden. En aangezien Paul die apparaten altijd voor zijn rekening neemt, bléven ze ook knipperen. Mijn digitale wekker was onlangs kapot gevallen en de wandklok had, waarschijnlijk in gevolge een bizar soort klokkensolidariteit, de geest gegeven. Ineens was het héél stil in Huize Vuysters. Stil en tijdloos.

Sinds vanmorgen is Paul weer thuis. De klokken zijn weer gemaakt, gereset en/of anderzijds gerepareerd. Ook de kinderen huppelen inmiddels weer rond. Het is niet meer stil en niet meer tijdloos. Althans, bóven de grond. Niet waar ik me bevind. Niet in de kelder. Daar is het nog steeds stil en tijdloos.

Want de laptop is nog steeds in staking. Inmiddels is het Paul gelukt een internetverbinding op onze oude computer in de kelder te activeren. En dus ben ik weer terug waar ik óóit mijn dagboek begon. Na twee dagen bovengrondse radiostilte opereer ik ondergronds. Vanuit de bunkerachtige bescherming van mijn – verstofte én tijdloze – kelder.

Ik voel me net een illegale zendpiraat. Best wel stoer.

Waar is Esther?

In de trein

Dát is lang geleden zeg. Een beetje argwanend bekijk ik de grote circustent die nu het halve station blokkeert. “Aanleg Noord-Zuidlijn,” zegt vriendin F. “Best handig hoor. Alleen jammer dat ik bejaard ben als het af is.”

Een kaartje kopen. Onbewust zet ik koers richting de loketten maar F. sleept me mee naar een automaat. “Dat snap ik niet hoor,” sputter ik tegen. “Maar ik wel,” zegt F. beslist. Gelukkig snapt zij het inderdaad. Als ik alleen was geweest had ik allang 112 gebeld.

F. mag niet mee om me uit te zwaaien. Met drie man sterk houden ze haar tegen. Ik mag door. Ik heb een kaartje. “Tsssk,” moppert F. “Het lijkt wel alsof we met El Al vliegen.” Ik loop het perron op en ga in de trein zitten.

De trein is een helverlichte worm die door totale donkerte rijdt. Ik vang flarden van gesprekken op. Iemand heeft een oude Flair achtergelaten. Die ga ik lezen. Na een half uur weet ik het zeker. De trein is niet veranderd. De Flair is niet veranderd.

En eigenlijk ben ík ook niet veranderd.

Waar is Esther?

Op kantoor

Er is iets raars met mijn mailbox.

Vanochtend (tijdens mijn eerste kop koffie) trof ik een leegte. Een gapend gat tussen vorige week donderdag en vandaag. En dat is raar. Want normaal is het altijd heel druk in mijn mailbox. Maar nu iniet. In de digitale gewelven mijns computers heerst een serene rust.

Maar hoe sereen ook, de radiostilte is onheilspellend. In eerste instantie natuurlijk omdat ik wéét dat ik van alles mis. Dat er nu zaken door mijn vingers glippen. Dat mensen héél lang op antwoord gaan wachten. En vervolgens omdat ik me afvraag in welk zwart gat de mailtjes zijn verdwenen.

Misschien is mijn computer wel gehackt. Of zou het een typisch gevalletje computeranomalie zijn. Ik vraag me af wat ik nu moet doen. Wat er niet is, kan ik ook niet behandelen. Lastig. Aan de andere kant, ik pak er nog maar een kopje koffie bij, is het zo ook wel lekker rustig. Ik kan alleen maar hopen dat alle wie-dan-ooks die mij gemaild hebben, dat nogmaals zullen doen.

Zoals mijn collega-weblogger op www.merelroze.com al eens schreef (over een soortgelijk probleem):

“Als u niets hoort en u verlangt een antwoord, dan hoeft het er niet aan te liggen dat ik u stom vind. Het kan natuurlijk wel.”