De vraag van vandaag

Wordt een mens gelukkig van het winnen van een loterij?

Gisteravond had ik er met Paul een discussie over. (Dit naar aanleiding van een bankafschrift waarop ik – wederom – twee héle euro, gewonnen bij de postcodeloterij, aantrof.) “Ik win het liefst twee ton,” zei ik. “Beetje mijn huis verbouwen, lekker op vakantie maar verder geen al te grote veranderingen.” Paul echter ging direct voor de twee miljoen. Minimaal. Hij zou gaan beleggen, een groot huis bouwen en stoppen met werken. Toen ik er zo eens over nadacht, vond ik het maar een eng idee. Ik wilde niet verhuizen, ik had het hier net zo leuk! En je leven zó radicaal omgooien, daar komt vast ellende van. “Ik betwijfel ten zeerste of een mens van zo’n bedrag gelukkiger wordt,” zei ik. Paul staarde dromerig in de verte. “Ik weet het wel zéker,” besloot hij.

Ik dacht er nog lang over na. Je zou het maar winnen. Twee miljoen of meer. Ik werd al naar van het idee. Echt waar!

Vanaf nu koop ik alleen nog maar halve loten.

En de vraag van vandaag – u voelt hem al aankomen – : Twee ton of twee miljoen?

Advertisements

De absurditeit van alledag

Van tuinaarde tot de Eerste Hulp (again)

Annabel zat op de vensterbank. Ze graaide tuinaarde uit een plantenbak en strooide het uit over het speeltafeltje. “Nee zeg,” riep ik. “Kleine ondeugd!” Ik tilde haar op de grond. “Zal ik de kruimeldief halen?” bood Lizzy aan. Ik schudde mijn hoofd. “Ik til het tafeltje wel even naar buiten.”

Met tafeltje in mijn handen en de twee meisjes in mijn kielzog liep ik de tuin in. Terwijl ik het meubel schoon schudde, stootte ik met de tafelpoot een stenen vaas om. “Verdorie,” riep ik. Ik bukte me om de scherven aan de kant te leggen.

Op dat moment drong Lizzy naar voren. Gealarmeerd door mijn ‘verdorie’ kwam ze poolshoogte nemen. Ze duwde het tafeltje opzij, waardoor ik mijn evenwicht verloor. Ik viel precies met mijn duim in een scherpe punt van de kapotte vaas. Het bloedde als een rund.

Ik kon zo snel niets anders verzinnen dan een zakdoek, maar die hield het bloeden nauwelijks tegen. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest om de verbandtrommel te halen. Met behulp van een drukverband verleende ik mezelf eerste hulp. Snel bracht ik Lizzy naar het zwembad. En daarna moest ik koken.

Rond een uur of zeven liet ik Paul de schade opnemen. Toch maar weer even naar de eerste hulp. “Het zie er niet zo lekker uit,” sprak de arts. “Maar hechten hoeft niet. Het is gelukkig oppervlakkig.” Ze maakte de wond schoon en begon de wondranden aan elkaar te plakken. “Ik ben een beetje misselijk,” zei ik. De omgeving werd een paar tinten donkerder.

“Is het net gebeurd?” vroeg de arts. Ze had me even op een behandeltafel gelegd en diende me een tetanusprik toe. “Nee,” zei ik. “Ik moest eerst nog naar het zwembad en toen moesten we eten. Ik zie het nu eigenlijk voor het eerst.”

“Móeders,” zuchtte de arts. Ze grinnikte.

De absurditeit van alledag

In het verzorgingstehuis

“Raak mij aan.” Het stond op een affiche over omgaan met dementie. En aangezien ik niets beters wist te verzinnen, besloot ik mijn oma haar nagels te lakken. Op haar nagels was ze altijd fier geweest. Ze vond het leuk om ‘mooi’ te zijn.

Mijn oma zelf is gelijk een kind. Daarom neem ik Lizzy altijd mee. Ze zijn dol op elkaar. De andere oudjes kijken vertederd toe. Behalve de mevrouw naast oma. Zij was vandaag verdrietig. “Ik ben zo angstig,” vertrouwde ze me toe. “Ik weet vaak niet meer waar ik ben. Ik weet niet waarop ik wacht. Wat moet ik toch doen?” Ik dacht over hoe ik haar vraag kon beantwoorden. Ik wist niets te bedenken. “Weet u wat,” zei ik tenslotte, “ik zal úw nagels ook eens mooi lakken”.

Na een uurtje hadden we allemaal weer prachtige handen. Omi knabbelde vrolijk op een koekje dat ze van een ‘zuster’ had afgetroggeld. Ze kletste onzin en lachte lief naar Lizzy. Precies zoals ze vroeger naar mij had gelachen. “Mag ik volgende keer een boek mee?” vroeg Lizzy. “Omi vindt het leuk als ik haar voorlees.” Ik glimlachte en knikte.

We knuffelden elkaar bij het afscheid. “Dag, tot de volgende keer,” zei ik vol vertrouwen. De oude mevrouw wier nagels ik óók had gelakt kreeg een dikke kus. “Dank je wel lieverd,” fluisterde ze. “Ik wou dat ik niet zo bang was. En niet zo alleen.” Een beetje verdrietig stapte ik de lift in. Een gedachte flitste door mijn hoofd.

“Word maar snel dement.”

De absurditeit van alledag

In de kroeg

“Ik vind het maar stom.” Ik neem een grote slok wijn en kijk vriendin M. serieus aan. “Wat? Wat vind je stom?” “Dat ik nooit meer een bekende tegenkom in de kroeg.” “Nah,” zegt M. bedachtzaam. “Ik zie er wel een hoor. Die daar komt ook uit dorp H. En dat meisje bij de trap, die zat één klas hoger dan wij.” Ik knik. “Ja, maar dat zijn toch geen lui waar even leuk mee gaat bijkletsen.” M. schudt haar hoofd. “Nee. Daarvoor kan je beter naar het schoolplein gaan. Daar wémelt het van de oude bekenden.”

Ik staar naar de bar. Ik probeer met mijn ogen door de rokerige ruimte heen te laseren. “Ze zíjn er dus wel. Die bekenden van vroeger. Want anders stonden ze niet op het schoolplein. Maar gaan ze nooit meer uit dan?” M. kijkt me aan. “Vast wel. Alleen niet zo vaak als vroeger.” Ze staat op om nog wat te gaan bestellen. “Of misschien,” oppert ze lachend “zijn ze gewoon ingeslapen. En zijn wij de laatsten der Mohikanen.”

“Daar drinken we op,” giechel ik. “Op de laatsten der Mohikanen!”

De absuriteit van alledag

In de ochtendkrant

Henk van D. is doodsbang achter de tralies.

“De moordenaar en verkrachter van de twaalfjarige Suzanne heeft het zwaar in de bajes. Zó zwaar dat men overweegt hem over te plaatsen. Henk van D. zou suïcidaal zijn.”

De advocaat van Henk van D. vindt het een signaal. “Ik vind dat justitie hiermee aangeeft dat ze huizen van bewaring kennelijk niet goed zijn ingericht om deze groep mensen te huisvesten.”

Huisvesten? Niet goed zijn íngericht?! Lees ik dit nou goed? Het gaat hier verdomme niet over een hotel! Die vent is een kindermoordenaar! En een verkrachter! Het is niet zo dat hij een póstzegel of zo heeft gestolen!
En begrijp ik dat nou goed? Is onze Henk suïcidaal? Gut. Het is ook allemaal wat hè? Een moord plegen is tot daar aan toe. Verkrachten, oké. Maar als de homeys in de cel onaardig doen, dan worden we verdrietig. “Dan hoeft het van ons allemaal niet meer.” Ga toch weg, amoebe!

Ik zou zeggen, lekker laten zitten. Prima straf zo. En die suïcidale gedachten; flink stimuleren! Eventueel hulpmiddelen aanreiken. Bij voorkeur van het soort dat niet al te snel werkt. Zodat hij nog even de tijd heeft om zijn zonden te overdenken. Two eyes for one, in zo’n geval.

Ik kan hier zó giftig van worden!