Help!

Gistermiddag was ik op kraamvisite bij vriendin I.

Wat een lief húmmeltje trof ik daar! Zo popperig en nog zo klein. Ze pruttelde aan alle kanten en toen ik haar oppakte, schoekte ze haar kleine koppetje tegen mijn borst en viel in slaap. Af en toe piepte ze wat, friemelde met haar kleine handjes of smakte van tevredenheid.

“Ik heb honderdduizend redenen om niet aan een derde te beginnen,” zei ik tegen I. Met tegenzin gaf ik haar het babymeisje terug. “Maar ik weet er nu even niet één meer.”

Het Bruidje I

Bijna carnaval!

Lizzy zit al helemaal in haar rol. Ze gaat als ‘bruidje’ en sluiert al dágen door het huis. Haar bruidsjurk, een monsterlijke creatie van tule en glimstof, heb ik ooit gratis gekregen bij de poetsdoekjes van Zwitsal. Maar dat maakt Liz natuurlijk niet uit. Die is gewoon helemaal verliefd. Ze is er zelfs onverstaanbaar van gaan praten. Als ik vraag wat voor taal ze spreekt, zegt ze eigenwijs: “Dat is Bruids, mamma.”

Ook in de klas praten ze nergens anders over. “Mamma, Alice gaat als prinses en Jesse als ridder.” (Heus niet rolbevestigend hoor, carnaval.) En met het verkleden komen de vragen. “Wat is een indiaan?” “Bestaan engelen echt?” En voor je ’t weet kom je tot de kern van het feest; het geloof. “Lise gaat als engel. Ze zegt dat engelen in de hemel wonen. En dat je een engel wordt als je dood bent.” Mijn wat-is-ze-al-grote dochter kijkt me vragend aan. “Tja,” mompel ik, “dat zeggen ze hè?” (Ik wil ook niet meteen het hele feest om zeep helpen.) Lizzy pulkt bedachtzaam aan haar witte handschoentje.

“Lijkt me flink saai, de hemel,” zegt ze tenslotte. “Daar vieren ze vast geen carnaval.”

Auw!

Ik ben gisteren door mijn rug gegaan.

En dat is helemaal niet handig. Sowieso niet, maar met twee kinderen al helemáál niet. Ik heb de hele dag als een kreupele bejaarde door het huis geschuifeld. Bij het naar school brengen van Liz hield mijn houding het midden tussen die van Quasimodo en een hoogzwangere vrouw. En ze vóelen het, die etters. Liz kon zich opeens niet meer zelf aankleden en Annabel weigerde om stil te blijven liggen. Ik werd er gewoon chagrijnig van. Voor vandaag heb ik mezelf maar volgestopt met ibuprofen. Ik moet gelukkig werken, dus hopelijk kan ik een beetje ‘uitrusten’. Echt balen dit!

PS
Grapjes over mijn leeftijd in combinatie met het ‘kinderloze weekend’, alsmede lollige opmerkingen over ‘standjes’ en andere sexgerelateerde onderwerpen zijn laf en kinderachtig.

Ik zeg het maar even. 😉

Popelen

’s Middags bracht ik de kinderen weg.

Het eerste wat ik vervolgens deed, was het bad vol laten lopen. Sapje erin, sapje erbij, rimpelen maar. Daarna volgende een uitgebreid smeer-, scrub- en tutritueel. Ik trok alle kleren uit de kast en probeerde alles. “Jémig,” mopperde Paul toen hij bovenkwam. “Het is hier een nog grotere puinhoop dan wanneer de kinderen thuis zijn.”

We waren vroeg in het hotel. Dat was goed, want dan konden we vast ‘inborrelen’. Het bleek nodig, want de hoofdborrel op het feest was niet mis. ‘Bobs cocktail’, speciaal voor de gelegenheid gebrouwen, bleek een onweerstaanbare kruising tussen een mojito en een caipirinha; zoet als limonade, fris door de limoen en verraderlijk lekker. Het zorgde ervoor dat we die nacht (en ochtend) nog geruime tijd ‘naborrelden’. (Overigens was het feest ook zónder alcohol leuk. Dat heeft een zwangere vriendin me later verteld.)

De volgende ochtend stonden we uitgeslapen we bij de tramhalte. “Laten we de ‘tien’ maar nemen,” zei ik. “Die komt langs het Leidse Plein.” “Waar gaan we dan heen eigenlijk?” vroeg Paul, terwijl hij de tramkaart bestudeerde. “Dan gaan we naar het Leidse Plein,” antwoordde ik droog. En gelukkig vonden we dat gelukkig beiden heel logisch.

Ook de tweede nacht sliepen we heerlijk. Na de high tea hadden we nog wat gedronken bij vriendin F. en tevreden waren we die avond ons eigen bed weer ingerold. Elf uur werden we pas weer wakker. “Wat ga je doen?” mompelde ik toen Paul opstond. “Douchen.” “En daarna?” vroeg ik verder. “Op de bank liggen.”

Om twee uur zaten we nog steeds op de bank. Paul met de krant, ik met een spannend boek. “Moeten we niet staan te popelen om onze kinderen weer op te halen?” doorbrak ik de stilte. Ik keek naar Paul die loom in de kussens hing. Hij gaapte en vouwde de krant dicht. “Even nog de oogjes dicht,” zei hij. “Over een uurtje gaan we popelen.”

Vereniging Ten Behoeve van het Weeralarm.

Hoera! Een nieuw weeralarm!

Niets zo gezellig in Nederland als een weeralarm. Lekker met z’n allen speculeren. Gezamenlijk afwachten wat er gaat gebeuren. Bespreken wie allemaal risico lopen, kletsen over ‘toen’ en ‘stel dat’. Zálig!

Ik doe ook gráág boodschappen als er ‘extreem’ weer op komst is. Ik smul van de gepimpte horrorverhalen in de rij bij de kassa. Ik geniet van het praatje dat ik ‘zomaar’ met een wildvreemde aanknoop. Christen, Moslim, homo of aso. Als het over het weer gaat, zijn we allemaal broeders.

Niets brengt de mensen zo bij elkaar als een weeralarm. In dat opzicht is het KNMI hét sociale smeermiddel van ontzuild Nederland. Ik moest er dan ook meteen aan denken toen ik gisteravond in hetzelfde journaal Balk & Co over hun nieuwe beleid hoorde klokken. Meer harmonie willen ze. Meer coherentie in de samenleving. Meer verenigingen.

Ik zeg; doen! En ik zie meteen een gouden kans voor dit kabinet. De ‘toestand’ in ons land uitbuiten. Vaker een weeralarm. Vaker een waarschuwing. Worden we hartstikke sociaal van.

Vandaag ziet de Vereniging Ten Behoeve van het Weeralarm het levenslicht.

Wie wordt lid?

Glinsterende wereld

Rijp is in sommige opzichten fraaier dan sneeuw.

Rijp laat contouren zien. Laat de oorspronkelijk kleur doorschemeren. Rijp zorgt ervoor dat de wereld lijkt te zijn bedekt met een dun laagje feeënstof.

Wanneer ik door de haven fiets glinstert de omgeving. De boten en de leien kaderanden zijn bezaaid met ijskristallen. Wanneer de zon erop schijnt (wat is de lucht mooi blauw!) ontstaat een caleidoscoop aan grijstinten. Van het donkerste onyx tot het witste wit.

De schaduwen zijn langgerekt en traag. Alsof ze zich niet willen haasten nu het zo koud is. Ze trekken hun baasjes moeizaam vooruit. Of ze slepen er tergend langzaam achteraan. Ik maan de mijne tot spoed. Het is al kwart voor negen.

De stukjes ijs in het water tinkelen wanneer ik langsrijd. De lucht is ijl en koud. Zelfs de geur van de pepermuntfabriek lijkt vandaag frisser dan anders. Het plantsoentje is gevangen in een melkachtige nevel. Het schittert in de zon. De groene dennenbomen vormen een wonderlijk contrast met de witte heideplantjes.

Om precies tien voor negen stap ik mijn kantoor binnen.
Dag glinsterende wereld.

Hopelijk tot snel.

Moet dat nou?!

Zeg,

Ik snap best dat mijn gynaecoloog óók maar een mens is hoor. En dat die knakker buiten zijn praktijk óók een leven heeft. Dat hij ook wel eens bij de HEMA komt. Of bij de Zeeman. En dat hij gewoon, net als zovelen, een partner heeft. En een kind. (‘t Is tenslotte een gyneacoloog, duh.) Echt. Daar heb ik alle begrip voor.

Maar wáárom moet zíjn kind nou nét bij die van mij in de klas zitten?!