Marmer V

De balzaal

Advertisements

Marmer IV

Een paar dagen geleden.

Het was half tien ’s avonds toen de drie dametjes (Liz, Bel én het logeetje wier moeder aan het bevallen was) eindelijk sliepen. Voorzichtig liep ik de trap af. De derde tree van boven, die altijd zo kraakte, sloeg ik voor de zekerheid maar over.

Opeens hoorde ik een enorm lawaai. Béng, béng, béng. Nggggggg, nggggg. Nee zeg, schrok ik, welke idioot gaat er nú staan hakken en boren? Het antwoord was simpel. Míjn eigen idioot. Het geluid kwam uit onze kelder.

“Wat ben je in godsnaam aan het doen?” vroeg ik verbijsterd. De hele kelder was één grote stofwolk. Overal lagen brokken steen. Paul keek me glunderend aan. “Goed hè?” zei hij. “Ik denk, ik hak effe dat muurtje weg.” Ik haalde diep adem (dat viel niet mee met al dat gruis) en telde tot tien.

“Lieve Paul,” zei ik rustig. “Boven liggen drie meisjes die nét slapen. Als er één wakker wordt, gaan ze allemaal gillen. Het is half tien ’s avonds. De buren hebben kinderen en twee huizen verderop ligt een vrouw te bevallen. Hou. Er. Mee. Op.”

Eergisteravond.

Ik kwam om half zeven uit mijn werk. Moe, hongerig en ietwat humeurig. Over een half uur zouden M, A. en E. de kleren en sierraden voor de kledingparty afleveren. In de tussentijd moest ik het huis opruimen, kopjes, glazen en chipsbakken klaarzetten en als het meezat zelf iets te eten scoren.

“Ga jij even met de kletsen in bad?” vroeg ik Paul. “Of naar buiten?” Maar dat ging niet want hij ‘moest de CV in de kelder afkoppelen’. En daarvoor moest hij eerst alle verwarmingen ontluchten. “Moet dat nú?” gilde ik, maar daarop kreeg ik geen antwoord. Wel hoorde ik hem halverwege de trap iets roepen dat verdacht veel leek op “ik hoop dat het lukt, anders hebben we vanavond geen verwarming.”

Gisteravond

Om half zeven leverde ik de post af bij het postkantoor. Hé, lekker naar huis. In de auto bedacht ik hoe druk de week eigenlijk was geweest. Cursus, logeertjes, party’s. Een avondje rust hadden we wel verdiend. Kon Paul mooi de kelder in zónder dat ik er last van had. Tijd genoeg, gelegenheid te over.

Ik wilde nét de kinderen in bad toen, toen Paul zijn hoofd om de deur stak. “Is het goed als ik zo wegga? Ik ga met R. een potje poolen.”

Wat denken jullie, zou dit moord rechtvaardigen?

Let’s party!

Druk druk druk!

Geen tijd om te schrijven! En dat terwijl ik een Belangrijk Onderwerp heb. Gisteravond voor het eerst een ‘kledingparty’ meegemaakt. Nota bene in mijn eigen huis. En met mijn eigen vriendinnen. Hoe suf! Maar ook hóe leuk!

En nu wil er steeds over schrijven, alleen telkens heb ik geen tijd. Gisteravond was het te laat. De laatste partygangster ging pas rond half twaalf weg. (De kleding-afterparty duurde nogal lang en had als thema ‘wijn’). Vanochtend was ik druk (en moe). En nu ben ik alweer op mijn werk.

Ach, het mag ook wel een keertje wat minder uitgebreid. En eigenlijk is een lang verhaal ook niet nodig. Het gebeuren laat zich feitelijk in een paar woorden omschrijven; supergezellig …

… maar wát een kippenhok!

Drie kleine kleutertjes …

Annabel heeft een vriendinnetje.

Ze spelen veel samen. Met elkaar, maar ook met Lizzy, die het heerlijk vindt de twee ‘kleintjes’ te koeioneren. Het vriendinnetje komt hier graag. En het was dan ook niet meer dan logisch dat ze hier zou komen logeren als een dezer dagen haar zusje zou worden geboren.

Toen de vliezen van vriendinnetje haar moeder braken, stond ik op het punt om te gaan sporten. “Ik doe nog snel even de meiden in bad,” had ik tegen Paul gezegd. Een beetje verhit kwam hij met het vriendinnetje naar boven. “Haar moeder gaat bevallen,” zei hij benauwd. “En nou ga jij weg!!!”

“Natuurlijk niet,” zei ik rustig. “Ze kan erbij in bad. Ik ga nergens heen.”

Zelden zag ik iemand zó opgelucht kijken.

Marmer II

’s Morgens vroeg stond er opeens aan aanhanger voor de deur.

Geen idee waar hij die kar zo snel vandaan had, maar effectief was het wel. Tenminste, te oordelen aan het aantal keer dat hij heen-en-weer liep. “Laat je ook nog iets in de kelder liggen?” grapte ik, terwijl ik me afvroeg of ik me zorgen moest gaan maken. Ik had het idee dat zo’n beetje de hele kelderinhoud naar een laatste rustplaats werd gedragen. “Nee,” zei Paul. “Alles gaat eruit.”

Eén keer sloeg ik alarm. Ik was toevallig een kopje thee aan het zetten, toen ik hem met Tuffy’s logeerkooi betrapte. “Als dat beest ooit eens naar de dierenarts moet, dan heb ik de kooi nodig,” riep ik. Ik kreeg hem alleen terug als ik plechtig beloofde hem zélf naar zolder te brengen. Terwijl ik – met kooi en al – de trap opliep, zag ik uit mijn ooghoek een complete fiets voorbij schuiven. Ik besloot niet meer te kijken.

“Zo,” Paul na afloop. “Nu kan die vloer erin.”