Oranje boven!

“Even wat lekkers halen voor bij de koffie!”

Ik zette de kleintjes op de fiets en stuurde richting bakker. Heerlijk, oranjegebak! Kopje koffie in de tuin, uitzicht op ons nieuwe grasveld, mmm. Nu al zin in.

Bij het eerste (en enige) kleedje naast de winkel moest er natuurlijk wat gekocht worden. Lizzy zocht twee afzichtelijke popjes uit en Annabel een vies oud boekje. Terwijl ik afrekende, viel achter me mijn fiets om.

Alle boodschappen stuiterden uit de fietstassen. Inclusief de gebaksdoos. Hij vloog open en één voor één rolden de oranjebollen eruit. Vlak voor de goot bleven ze liggen.

“Leve de koningin!” grinnikte iemand.

Ik vond het niet grappig.

Advertisements

Time flies when you’re having no kids!

Zo, zeg alweer zondag!

Het lijkt nog maar een paar uur geleden dat ik de kletsen naar mijn ouders bracht. Ik ben de dagen een beetje kwijt, (mijn moeder zou zeggen: “Het zijn een beetje gékke dagen.”) maar we zijn toch écht inmiddels twee dagen verder!

Op de terugweg vrijdag heb ik voornamelijk in de file gestaan. Mooi weer, meivakantie, lang weekend, een moderne exodus met sleurhutten in plaats van kamelen. Eenmaal thuis was ik nét op tijd om weer te vertrekken.

Op naar de verwondering. We bezochten de cabaretachtige goochelshow van Emiel Lensen en Rob Mollien. Vele (inter)nationale prijzen sleepten zij met hun ‘Magic Bar’ al in de wacht. En het is míj wel duidelijk waarom. Wat zijn die gasten ongelooflijk goed!

Zaterdag was uitslaapdag. En tuincentrumdag. Groothandeldag, koffie-in-de-tuin-met-de-ochtendkrant-dag. In de loop van de middag maakte Paul de voortuin af.

Ter illustratie dit is vóór:

En dit ná:

En aangezien het na gedane arbeid goed drinken is, of rusten, of wat dan ook, gingen we de stad in om lekker ergens te gaan eten. En nu is het alweer zondag. Ik heb nog niet de helft van de dingen gedaan, die ik had wíllen doen. Nieuwe B.H.’s kopen enzo.

Gelukkig is het vandaag koopzondag.

Een aura op canvas

Roze. Roze. Heel erg roze.

Wattenroze, zuurstokroze, suikerspin. Biggetjesroze, meisjesroze, appelbloesem. Lichtroze, hardroze, fuchsiaroze. Wat moest ik nou met die roze achtergrond? Wat associeerde ik met roze. “Als ik aan roze denk, dan denk ik aan jou,” zei M. “Aan je kleren. Aan je mobieltje en vooral aan je mislukte haarcoupe.”

Een zelfportret dus. Ik als personificatie van het roze. Een ‘portrait in pink’, zoals K. het zo mooi noemde. Met roze haar. Wat in real life was mislukt (ter info; in december verfde ik mijn haar roze, hetgeen grandioos mislukte) zou op het doek fantastisch zijn. Een stoere Esther, met roze haar. Karaktervegen in kleur. Een aura op canvas.

Drie avonden stond ik met verve te kwasten. Ik schilderde een jukbeen die op een neus leek. Dat zag er niet uit, maar daardoor wist ik wél hoe ik de neus moest schilderen. Ik maakte schaduw en schilderde het weer over. Ik spikkelde lichtplekjes op de hals die volgens C. net waterpokken waren. Ik kwastte er lustig op los.

“Het lijkt niet echt op jou,” zei Paul toen ik er gisteravond mee thuiskwam. Hij hield zijn hoofd schuin een bekeek mijn werk aandachtig. “Maar het is wél een lekker wijf.” En hoewel hij het waarschijnlijk zelf niet besefte gaf hij me daarna een heel groot compliment; hij hing het schilderij in de woonkamer op.

“Best wel cool,” zei hij waarderend.

De Helden

“Ik moet nog een stukje schrijven voor mijn site.”

De drie mannen in de tuin keken me geïnteresseerd aan. Paul porde in de tuinhaard. A. nam een slok bier. “Waarover wil je dan schrijven?” vroeg hij. “Over het weekend,” antwoordde ik. O. staarde in de vlammen. “Schrijf dan over PSV. Dat ze gelijk gespeeld hebben.” Ik grinnikte. “Het is voor Vrouwonline. Niet voor Manonline.”

“Waar heb je gister over geschreven?” vroeg A. “Over haar blaar,” zei Paul. “Moet je zien, bizar ding man!” Met gepaste trotst toonde ik mijn blaar die inmiddels kootjesgroot was. “Gétver, mijn maag draait ervan om!” zei A. Waarop O. vertelde dat hij pas was flauwgevallen bij de tandarts.

Wat volgde waren verhalen. O. had een keer een hechting geweigerd omdat hij bang was voor de spuit. “Plak het met maar gewoon aan elkaar,” had hij gezegd. A. durfde niet meer naar de huisarts. En mijn eigen held deed een duit in het zakje door toe te geven dat hij ternauwernood overeind was gebleven tijdens mijn bevallingen. “Maar goed,” zei A. uiteindelijk. “Jij moest nog een onderwerp voor je stukje.”

“Laat maar,” gniffelde ik. “Ik heb al een idee.”