Off we go!

Zo,

De koffers zijn gepakt.

Mijn benen, wenkbrauwen, bikinilijn én oksels zijn geharst, kortom ik ben er klaar voor!

Ik zet de reactiemogelijkheid even op ‘members only’ (dat betekent dat je moet inloggen om te kunnen posten) om spammers te voorkomen.

Ik zie jullie later!

Hopsa hei,
naar het Franse!

Marmer XII

Nog even snel een update vóór ik op vakantie ga.

Paul is vrij. Hij heeft de hele dag in de kelder gewerkt. Als het goed is zijn we nu het finale traject ingegaan; egaliseren. Als we terugkomen uit Frankrijk, kan het marmer erin.

Eigenlijk dacht ik dat het al klaar was; ik bedoel hoeveel lagen kan een souterrain hebben?! Zand, zeil, beton; het lijkt wel een trifle, die kelder van ons. Maar nee, vóór de pareltjes de vloer op konden, moest de boel geëgaliseerd worden.

Aldus kwam Paul gisteravond thuis met zijn kofferbak vol met lijm. ’s Ochtends zou hij alles voorlijmen. Dat was nog een aardige klus, want dat moest heel secuur opgebracht worden. Pas nadat de lijm ingedroogd was, kon hij het egalisatiecement storten.

‘s Middags kreeg ik op mijn werk een mailtje: “Alles gelijmd. Hahahaha. Vanmiddag ga ik storten. Wahahahahaha. Echt goed man!” Ik staarde een tijdje naar mijn scherm. Hmm. Ik las de tekst voor aan een collega. “Volgens mij is hij al aardig in vakantiestemming,” zei ik bedachtzaam.

“Welnee,” reageerde mijn collega droog. “Hij is gewoon hartstikke high van de lijm!”

Driedubbele zucht

Mijn hemel, wat kunnen die kinderen étteren zeg.

De laatste tijd is het écht elke ochtend raak. Klokslag zes uur wordt er één wakker en dat ruikt de ander. Voor je ’t weet zijn ze beiden alive and kicking. Letterlijk, want ze proberen elkaar om het hardst uit bed te schoppen. En aangezien ík er tussen in lig, kan je wel raden wie de meeste trappen ontvangt.

Vanmorgen was het helemáál gezellig. Annabel wilde mee douchen. En toen moest Lizzy óók natuurlijk. Echt, ze hadden nog geen téén natgemaakt of ze hadden al ruzie over elkanders ‘dikke billen’. En de ruzie was nog niet beslecht of ze begonnen te kiften over een rozeharige barbie. “Is van mij!” “Nee, mij!” “Mij!” “Mij!”

Ik had het er gisteravond nog met het boekenclubje over (met heb boek waren we zoals gewoonlijk in een kwartier klaar). Je kán het gewoon niet goed doen. Neem nou vanmorgen. Haal ik Annabel onder de douche vandaan, begint ze te krijsen. Ze wíl er nog niet uit. Heb ik háár eindelijk stil, begint Lizzy te gillen: “Je knuffelt altijd méér met Annabel!”

Zucht. Zucht. Driedubbele zucht. Overmorgen ga ik op vakantie met dat tuig. Naar een camping. In Frankrijk. Zonder oppas. Zonder TV.

Zou het te laat zijn om ze op te geven voor één of ander zomerkampje?

Opwaartse druk

Om zes uur kruipt Lizzy bij ons in bed.

“Wij hebben kaarsen bij de watertafel.”
“O,” mompel ik slaperig. “Wat moet je nou daar nou mee?”
“Kijken of ze drijven,” antwoordt Lizzy. “Want als het water van onderaf harder op de kaars drukt, dan de kaars op het water, dan blijft hij drijven.”

“Wat zegt ze allemaal?” gaapt Paul.

“Niets bijzonders,” grinnik ik. “Liz legt even de Wet van Archimedes uit.”

Koprol onder water!

Lizzy zwemt inmiddels in ‘fase drie’.

Borstcrawl en dolfijnduiken vindt ze moeilijk maar leuk. De rest is ‘makkie’. In bad oefent ze haar ‘kikkervoeten’. Op de schommel haar armslag.

Elke week komt ze thuis met verhalen over de zwemles. ‘Juf heeft zus tegen haar gezegd of zo’.’Ik zwom als enige zonder plankje.’ Het is niet altijd even duidelijk welk gedeelte van het verhaal wáár is.

Neem nou het verhaal over de koprol. Al weken vertelt ze aan iedereen die het wil horen dat ze tijdens haar zwemles de onderwaterkoprol moet doen. En dat ze daar dan óók nog bij moet praten. ‘Raar verhaal. Vooral dat praten onder water,’ zeg ik ‘s avonds tegen Paul, ‘zeker iets nieuws.’

Tijdens de kijkles vandaag besluit ik er toch maar eens naar te vragen. ‘Koprol onder water?’ De zwemjuf kijkt me verbaasd aan. ‘Welnee, dat komt pas voor het C-diploma.’ Als ik vertel over het onder water ‘praten’ schiet de zwemjuf in de lach.

‘Doe maar een koprol onder water en kijk maar of je dan nog praatjes hebt!’

Zeggen we altijd tegen kinderen die teveel kletsen.

Belletje wordt twee!

“Mámá, we willen naar benéden!”

Vandaag vieren we Annabel haar tweede verjaardag. Er hangen slingers. Beneden zijn cadeautjes. Hoogtepunt is het ingepakte tuinhuisje. Víjf rollen cadeaupapier heeft het ons gekost.

“Moeten we perse dat hele ding inpakken?” had Paul gisteravond gevraagd. Het plakband hield niet op het gladde plastik. Het papier blééf maar afzakken. “Als Christo de hele Rijksdag kan inpakken, dan lukt ons toch zo’n stom tuinhuisje wel?!” had ik geantwoord. “Christo had beter plakband,” gromde Paul.

Het is zondagochtend kwart over zes en het tuig wil naar beneden. We wrijven de slaap uit ons ogen en stommelen de trap af. “Lang zal ze léven,” zingen we schor. Paul zoekt de videocamera. Op de tast. Zonder lenzen ziet hij niet veel. “Todootjes! Todootjes!” gilt Annabel. Ze begint het papier van het huisje te scheuren.

Om zeven uur, Paul is terug naar bed; het is tenslotte vaderdag, ontstaat een opstootje. Lizzy heeft het tuinhuis gekraakt en de ingang gebarricadeerd met het poppenbedje. “Mij ín!” brult Annabel. “Samen spelen, samen delen, weg jij” sist Lizzy. “Boehoe,” huilt Annabel. “Zal mamma wentelteefjes bakken?” roep ik opgewekt.

Om half tien zitten we aan een verlaat ontbijt. Paul krijgt zijn vaderdagcadeautjes. “Todootjes míj!” beslist Annabel. “Mij jajjig, mij twee!” Ze probeert de door Lizzy uitgezochte schoenpoets van Paul af te pakken. Er gaat een glas jus d’orange om. Lizzy vraagt wanneer we taart gaan eten. En dan, heel plotseling, sluit Annabel de minibrunch af door met een vlakke hand op haar ei te slaan. “Ei plat.”

En toch werd een heel erg leuke dag. Ondanks het platte ei.

Straf

“Het is sales bij de schoenwinkels!”

Vriendin C. gilt zo hard dat ik mijn mobiel een stukje van mijn oor moet afhouden. Na een kleine speurtocht (ze legt me uit in welke winkel ze zit, terwijl ze ondertussen twee paar schoenen tegelijk probeert te passen) tref ik haar. Haar krullen zijn verward, haar wangen hebben blosjes. Ze zit temidden van een stuk of tien dozen.

“Maar ik moet dingen voor Annabel haar verjaardag kopen,” sputter ik, als C. me meesleurt naar de volgende schoenenwinkel. “Jajajaja, de avond is nog jong,” zegt ze. “We gaan zo wel even langs de HEMA.” Braaf volg ik haar. Tegen zoveel overredingskracht kan ik niet op. En wat een leuke espadrilles staan hier in de etalage!

Zes paar schoenen (1. perfect voor de vakantie 2. voor dat geld kan je ze niet laten liggen 3. cóól) en wat glazen rosé later zijn we op weg naar huis. Het is inmiddels flink gaan regenen (lees: wolkbreuk). Mijn fietstassen hebben wel wat weg van mobiele aquaria. Nog voor we de stadsring bereiken, zijn we doorweekt.

“Dit is onze straf,” zegt C. “Omdat we zes paar schoenen hebben gekocht.” Ik knik. Een druppel valt van mijn neus.

“En omdat we niet bij de HEMA zijn geweest.”

Ach, ééntje meer of minder …

Ik kan erg slecht tegen trage sites.

Die van de HEMA bijvoorbeeld, die blijft altijd ‘hangen’. Dus toen ik vanochtend taarten voor Belletje haar verjaardag ging bestellen was de ergernis weer groot.

Als een debiel klikte ik op alle buttons. Zonder resultaat; mijn winkelmand bleef leeg. Eigenlijk had ik in het begin niet eens door dat de site gewoon traag was. Ik dacht dat mijn computer gewoon helemaal niet reageerde. Ik drukte nogmaals op ‘bestelling toevoegen’.

Ineens versprong het beeld naar het bestelschema. “Nee zeg, we gaan nog wat dóen vandaag,” mopperde ik cynisch. Maar ook hier bleef ik weer hangen. Na vier keer op ‘bestelling afronden’ klikken kreeg ik eindelijk een akkoord.

Pas toen ik bij de afronding een e-mail ontving, zag ik wat ik nou eigenlijk had besteld.

Eén tovertaart.
En zesendertig tompoezen.

Zésendertig?!

Het vervolgverhaal

Het einde van de zomer naderde.

De lucht was kobaltblauw. Takken tekenden zich af tegen de steeds donker wordende omgeving. Het griezelige licht van de naderende onweersbui maakte het groen van de bladeren fluorescerend. Het waaide hard en als ze haar best deed kon ze de regendruppels in de verte al horen vallen. Ze rilde, sloeg haar armen om haar bovenlijf. Alsof ze zichzelf wilde geruststellen. “Stil maar meisje, het komt goed.”

In de verte zag ze een gestalte naderen. Terwijl ze wachtte op wat zou gaan komen vielen de eerste regendruppels. Ze schuilde onder de grote eik. Ongelooflijk dat ze hier tien jaar geleden ook stond. Onbewust streek ze haar rok glad. En even vroeg ze zich af of het roze kant niet wat te frivool was voor de gelegenheid.

Wie volgt?