Samen spelen

Lizzy en Annabel spelen ziekenhuisje.

Een omgekeerde speelgoedstrijkplank is de ambulance. Lizzy gebruikt de hem als step. Ze draagt een witte jas en heeft een stethoscoop in haar zak. “Tatutatutatu” toetert ze.

Lizzy is dokter Roos. En dokter Roos is onderweg naar Annabel, de moeder van drie gewonde dino’s. Ze zit met haar kindertjes op de bank. “Och, och, och,” sust ze.

De dino’s worden op de omgekeerde strijkplank gezet en door dokter Roos meegenomen naar het ziekenhuis. Daar worden ze met spoed geopereerd. Als ze op de verkoever liggen, gebeurt er iets vervelends. De Tyrannosaurus Rex stormt binnen.

“Waaaah, waaah,” brult Annabel. Ze rent door de kamer en zwiert het grote speelgoedreptiel door de lucht. “Ik ga jullie opeten.” Dokter Roos is niet onder de indruk. “Wegwezen,” sommeert ze. “Ze hebben hun bek gebroken. Ze moeten rusten.”

Annabel moppert. “Mag ik dan mijn kinderen weer meenemen?” Lizzy schudt haar hoofd. “Ze moeten een spuit en ik ga hun haar nog kammen.” Annabel denkt even na. “Dan ga ik even pappa bijten,” zegt ze. “Tot straks.” “Tot straks,” zwaait Lizzy waarna ze zich weer over haar patiënten buigt.

En zo spelen ze ieder hun eigen spel. Alleen, maar toch samen.

Bij de dierendokter

Arme, arme Tuffy.

Daar zaten we dan. Lizzy en ik. Bij de dierendokter, met een kooitje tussen ons in. Tuffy had geen idee. Hij vond het wel gezellig, at stukjes Sultana uit Lizzy haar mond. Hij floot een liedje en zei: ‘kusje, kusje’.

De dierendokter heette, tot Lizzy’s verbazing, geen Tom. Sterker nog, ze was een vrouw. Een lieve bezorgde vrouw. “Ik heb zelf ook een valkparkiet,” vertrouwde ze me toe. “En die ringetjes om die pootjes zijn echt een ramp. Ze knellen alles af.”

Uit een lade haalde ze een klein tangetje. Daarmee moest het probleem verholpen worden. Maar het pootje van Tuffy was inmiddels aardig opgezwollen en zo’n ringetje is van een soort sadistisch superstaal gemaakt. No easy job, dus.

Al snel begon het te bloeden. Tuffy schreeuwde als een mager speenvarken. Zo goed en zo kwaad als het ging, hield ik het kleine vogeltje vast terwijl de dierendokter het pootje onder handen naam. Lizzy was in de wachtkamer gaan zitten.

Uiteindelijk, na ruim twintig minuten wrikken, was het ringetje los. Mijn arme vogel zat onder het bloed en was aan het hyperventileren (ja, dat kan, vogels kunnen, als ze veel stress hebben gaan hyperventileren). De dokter gaf hem pijnstillers (ja, ook dat kan).

“Hij heeft geluk gehad,” zei ze. “Bij dertig procent van deze ingrepen breekt het pootje. Maar dat vertel ik altijd achteraf.”

Ik moest mijn best doen om niet in tranen uit te barsten.

Valentijnsdag

Vanochtend vroeg.

“Pappa heeft iets voor jou gekocht.”
“O ja?”
“Zal ik het een klein beetje verklappen?”
“Doe maar.”
“Het heeft een steel.”
“Ehhh. Een bezem.”
“Neehee, een gróene steel.”
“Een hark?”

Paul gaf me een kus en verdween naar zijn werk. “Fijne Valentijn,” riep ik, terwijl ik verder ging met het aankleden van de kletsen. Annabel drentelde om me heen. Ik zei tegen Lizzy dat ze op moest schieten. Ze scheen maar niet te kunnen kiezen tussen twee paar sokken.

“Wat ligt er nou weer voor rommel.” Mopperend opende ik de voordeur. De meisjes begonnen te giechelen. Buiten, op het stoepje lagen drie rozen. In cellofaan en met kaartjes. Een voor Lizzy. Een voor Annabel en één voor mij.

Kijk, daar knapt een desperate housewife van op.

In vogelvlucht

De parkiet had een zeer pootje.

Ik merkte het terwijl hij (of zij, dat weet ik nog steeds niet) over de bank hipte. “Meteen maar even de dierenarts bellen,” dacht ik voortvarend.

De dierenarts had tijd. Ik kon met een half uur terecht. “Ook weer geregeld,” dacht ik tevreden. Ik lokte Tuffy met zijn bakje voer. “Piet-piet-piet!”

Maar hij kwam niet. Mooi niet. Hij hield zijn kop schuin en bleef zitten waar hij zat. “Geen veer op mijn kop,” scheen hij te denken. En zodra ik hem benaderde was de vogel gevlogen.

Wat volgde was een hilarische scène. Ik, inmiddels met een rood hoofd van ergernis, rennend door het huis om een onwillige parkiet te vangen. “Kom hier stomme vogel,” mopperde ik. “Mamma boos op Toet!” zei Annabel.

Ik holde van de lamp naar het raam en van het raam naar de deur. Ik klom op stoelen, banken en tafels. Maar telkens wanneer ik mijn hand uitstak (ik had inmiddels bedacht dat ik hem maar gewoon zou grijpen) vloog dat beest weg.

Later bekeek vriendin Y. de krassen op mijn hand. “En toen je hem te pakken had, heb je met hem gevochten,” gokte ze. “Nee,” zucht ik. “Geschaafd aan de muur. Toen ik de telefoon pakte om de dierenarts af te bellen.”

Op dat moment landde Tuffy op mijn hoofd. Tevreden floot hij een liedje.

Jammer joh

Je blijft lachen met Lizzy.

Had ze gister bijna haar zusje door het toilet gespoeld, maakte ze me vandaag weer aan het lachen met een ontnuchterende versie van het sprookje Sneeuwwitje.

Bij de appeltjes die Paul had gekocht zat een ‘stressballetje’. Het had de vorm van een mooie rode appel. Het speeltje prikkelde onmiddellijk mijn dochters fantasie. Ze sleepte Annabel mee de gang in. “We gaan heksje spelen.”

Een paar minuten en wat hokus pokus later kwamen ze weer binnen. “Mamma, wil je even de krant wegleggen?” Ik moest een ‘hap’ van de appel nemen en vervolgens doodgaan. Afijn, ik pakte het speelgoedje, nam zogenaamd en hap en stierf een overtuigende verstikkingsdood.

Grinnikend liepen de heksen weg. Om vervolgens niet meer terug te komen. Na een minuutje of wat begon ik de dood wat zat te worden. “Zeg,” riep ik naar de gang. “Komt die prins nog?” En klonk gezucht uit de gang.

“Die komt niet hoor. Dat is maar een verhaaltje. Ga maar gewoon verder met de krant lezen.”

Even spoelen

De meeste ongelukken gebeuren thuis.

Kinderen weten daar alles van. “Hoe krijgt je dát nou weer voor elkaar?” Menig ouder hoort zichzelf die vraag regelmatig stellen.

Vanmorgen was Lizzy zo aardig om Annabel op de WC te helpen. Wat gefrommel, gemopper en gekletter later klonk een verschrikte hulpkreet: “Mámma! Annabel is in de WC gevallen!”

Ik repte mij naar het kleinste kamertje. “Ik heb haar er al uitgevist,” zei Lizzy met een zweem van trots. “Ik heeft auw,” zei Annabel. Ik vroeg haar waar ze pijn had.” Tot mijn verbazing wees ze op haar hóófd.

Ik heb de vraag maar achterwege gelaten. Soms wil je het gewoon níet weten.