Waar twee honden vechten

We hebben een nieuwe huisgenoot.

Een playstation portable lite. ‘PSP’ voor kenners. ‘Videospelletje’ voor dertigers en ‘minicomputer’ voor Lizzy en Annabel.

Ik heb hem gekocht voor Paul zijn verjaardag. Het oorspronkelijk cadeau dat ik voor hem had is nooit geleverd en ik had ook al eens een vliegtuigje geboekt dat vanwege storm niet vloog. Kortom, hij had wel wat leuks verdiend.

De gift was natuurlijk niet geheel belangeloos. De kinderen konden er filmpjes op kijken, Lizzy zou de games onderhand wel gaan ontdekken en mamma zag er de lol ook van in. Vooral de ‘mindgames’ waren volgens buur- en buurtvrouwen erg leuk.

Zaterdag heb ik hem gekocht. (En verzekerd! Op mijn werk kreeg ik toevallig vrijdag een schademelding van een driejarige die de PSP van haar nichtje in het toilet had gedeponeerd om er vervolgens lekker bovenop de gaan poepen. “Een plee-station dus,” grapte mijn collega nog.) Sindsdien zijn we gamers.

Gisteravond bereiken we reeds het dieptepunt. Paul zat op de bank te gamen en Lizzy wilde spelen. “Maar ík heb hem gekregen,” zei Paul. “Voor mijn verjaardag.” “En ík moet zo naar bed,” kaatste Lizzy terug. “Zeg,” riep ik vanuit de keuken. “Doe eens niet zo kinderachtig. Anders pak ik hem af hoor.”

Kon ik er mooi zélf mee spelen.

Advertisements

Mierzoet stukje

Ik houd het niet meer zo lang vol.

In de stad. In een kroeg. Op plaatsen waar de muziek alle gesprekken overstemt. Ik word er gewoon niet meer door getriggerd. Hoe leuk het gezelschap ook is.

Restaurants vind ik heerlijk. Een avondje met vrienden, of gewoon ergens borrelen stemt me vrolijk. Maar zodra er ‘daarna’ nog zo’n stampvolle bar op de agenda staat haak ik af.

Neem nou gisteravond. Tongstrelend gegeten, hartelijk gelachen, goede gesprekken gevoerd (zet zes meiden bij elkaar en het lukt allemaal wel) en me geen moment verveeld. Kortom een superdate. Daarna nog even wat drinken. Oké, ik ga mee. Altijd leuk.

En dan sta je daar. Met je jas over je arm (of nog erger; met je jas áán omdat je niet genoeg bodyspace hebt om hem uit te trekken). Over de muziek heen te schreeuwen (of nog erger; te zwijgen). Tussen mensen die je niet kent (of nog erger; mensen die je wél kent). Tussen gesprekken die je niet wilt horen (of nog erger, wél wilt horen maar niet kán horen).

Binnen vijf minuten overvalt me het bekende ‘wat dóe ik hier’- gevoel. (Had ik vroeger ook wel hoor, maar dan meestal pas om vier uur ’s nachts.) Gauw ga ik naar huis. Lekker rustig op straat. Donker, stil, fris. Ik duw de poortdeur open en zet mijn fiets in de schuur. Ik vloek op het licht dat het niet doet. Ik haal mijn sleutel tevoorschijn. Open het slot. Schoenen uit. Zachtjes naar boven.

En daar in bed vind ik ze. Paul ligt rustig ademend op zijn rug. Op zijn rechterarm ligt Annabel. Haar kleine handje ligt in zijn grote. Ze mummelt wat en kruipt dichter tegen hem aan. Ik schuif in bed en luister naar hun slaapgeluidjes. Er speelt een liedje door mijn hoofd van Hans de Booy.

… dan weet ik dat ik thuis ben.

Leuk of niet

Hé bah,

Wat kunnen die kinderen toch vervelend zijn. Vanaf het moment dat we opstonden hebben ze elkaar alléén maar in de haren gezeten. De één sarren, de ander piepen.

Ik zweer je, als mijn broertje en ik vroeger ook zo vervelend waren, heb ik met terugwerkende kracht medelijden met mijn ouders. Wat een ellende.

Maar dat zal wel niet. Dat ík zo vervelend was. Ik ben namelijk altijd heel leuk. En de rust zelve. Behalve dan als mijn kinderen zo zitten te klieren. Ze kunnen gewoon af en toe erg irritant zijn.

Hebben ze niet van mij hoor. 😉

Koele Kikker

De jongen liep door de sneeuw.

Zijn voeten kwamen telkens met een zachte plof neer. Een beetje het geluid dat een pak toiletpapier maakt, wanneer je het op de grond gooit. Plof. Een zware P en een vermoeide F. Plof.

Hij liep moeizaam. Dat kwam door die grote doos. Onder zijn arm sleepte hij een kartonnen gevaarte mee. Te oordelen aan het tasje in zijn andere hand was hij net bij de BCC geweest. Blijkbaar was hij nu op weg naar huis. Met zijn nieuwe aankoop.

Het ging harder sneeuwen. De jongen trok zijn muts over zijn oren. Hij moest zijn ogen vast tot spleetjes knijpen om te voorkomen dat de sneeuw van zijn wimpers afgleed. Hij had het koud, dat zag ik aan zijn houding. Brrr straalde hij uit. Plof Plof. Brrr.

Ik was benieuwd naar zijn aankoop. Wat was zó noodzakelijk geweest dat deze jongen helemaal lopend naar de stad was gegaan, dóór de sneeuw, in de kou. En met het gevaar de tilnorm te overschrijden.

Voorzichtig kwam ik dichterbij. Het werd inmiddels donker dus ik moest goed kijken. De sneeuw vertroebelde mijn blik. Toen ik naast hem liep wierp ik snel een blik op de doos. Tot mijn verbazing zag ik dat hij een draadloze elektrische koelkast met zich meezeulde.

De jongen leek mijn verwarring te merken. Hij knikte vriendelijk.

Maar keek daarbij ietwat gegeneerd.

Paashaas

Brunchen bij vriendin M. in Leiden.

Het eten was heerlijk, de champagne goddelijk. De dag kreeg spontaan een gouden randje. Optimistisch reden we naar het strand. “Naar dat ene stukje duin met die blauwe lucht erboven,” had Paul gezegd.

Maar het was koud. En vies en nat. Sneeuw met Pasen, wie had dát nou weer bedacht. Ergens in Leiden hadden we een kermis gezien. Dat leek ons beter dan het strand. We stapten weer in en reden terug.

Bij de schiettent besloot Paul ons zijn kunsten te tonen. “Genoeg geoefend in de kelder,” zei hij. En tegen de kinderen: “Zoek maar een cadeautje uit, pappa gaat ’t voor jullie schieten.” Lizzy en Annabel kozen een grote lolly.

“Hier is uw buks,” zei de jongen die de tent scheen te beheren. “Voor de lolly’s moet u twintig hazen schieten.” Hij wees op een rail waarop de donzige beestjes stonden opgesteld. Paul richtte de kermisbuks. “’k Zag twee hazen, vlak voor Pasen…” zong vriendin M. Het eerste schot was raak. Moeiteloos schoot Paul twintig hazen.

Afijn, als de eieren volgend jaar niet rondgebracht worden, dan weet u hoe dat komt.