Grensoverschrijdende liefde

Lizzy kleurt een vlinder.

“Mamma, weet je van wie ik het meest hou?”

“Nou?”

“Van jou. En pappa. En Annabel.”

“Dat is lief!”

“Maar ik hou óók het meest van Oma en Opa V. én Oma en Opa S. Én van G., S., J., H., én Elena.”

“Natuurlijk.”

“En ik hou ook héél veel van de omi’s. En van de opi’s.”

“Maar de opi’s zijn toch al heel lang dood?”

“Nou, dan kan ik nog wel van ze houden!”

Advertisements

Verdwijntruuk op kantoor

Ik stond op de derde verdieping. Voor mijn eigen kantoor.

Achter me gingen de liftdeuren dicht. Ongeveer nét op het moment dat Annabel de lift weer in stapte. Ik drukte snel op het knopje om de deuren te openen maar ik was te laat. De lift was alweer onderweg. Met Annabel erin.

“Mamma!” hoorde ik gillen. Wat moest ik nou doen? Besluiteloos bleef ik op het liftknopje drukken. De lift kwam terug. Opgelucht haalde ik adem, de deuren gingen open. Maar waar was Annabel?

Ik rende naar de tweede verdieping. Daar zag ik niemand. Ik hoorde weer roepen, maar ik wist niet of het boven of onder kwam. Ik rende verder omlaag. Eerste verdieping. Niemand. Begane grond niemand.

Er was maar één andere mogelijkheid. Ze was helemaal boven uitgestapt. Hijgend kwam ik aan op de vierde verdieping. Maar ook daar zag ik géén Annabel. “Ik zoek mijn dochtertje,” riep ik. “De schoonmaker is met haar naar beneden,” antwoordde iemand.

En dus holde ik weer omlaag. Precies op tijd om de liftdeuren te zien opengaan. Lachend stapte Annabel uit de lift. Hand in hand met de schoonmaker. Samen duwden ze de schoonmaakkar uit de lift.

“Daar ies jouw mammie!” zei de schoonmaker vriendelijk.

Ik kijk in de spiegel en zie

Een bruin gezicht.

Ja. Een bruin gezicht. Met een paar sproeten. Ongelooflijk hoe snel ik verkleurd ben gisteren in de lentezon. Annabel was zo lief aan het spelen met haar buurmeisje, ik heb zeker anderhalf uur met een kopje thee op het bankje gezeten.

En ’s middags zat ik er weer. Met een glas rosé. Dat had ik wel verdiend want ik had in de tuin gewerkt. Beetje onkruid wieden en vegen terwijl Paul het grotere aanpakte. Hij haalde een boom om. “Zo komt de Chinese roos beter uit.” De romanticus.

Het badwater was zwarter dan ooit. De kinderen hadden de hele dag voor het huis in het zand gespeeld. Lizzy had ergens een rups gevonden en die de hele dag (in een jampotje) met zich meegesleept. Ik kon nog maar net voorkomen dat hij bij haar in bed moest slapen.

Ik kijk in de spiegel en zie een bruin gezicht. Ja. Een gelukkig bruin gezicht. Niet meer en niet minder. Meer zelfreflectie lijkt me niet nodig. Ik zet gewoon een zonnebril op.

Blogoverpeinzing

“Is dat zo?” vroeg ik af.

“Is dat zo, dat ik de laatste tijd (veel) minder over mezelf schrijf?” Een lezeres merkte het gister op. Ik was me er niet van bewust. Maar ik heb er wel over nagedacht.

Ik streef een gezonde mix na. De ene dag een bespiegeling, dan een foto, een quote van één van de kinderen of gewoon een taalsnackje. Als het goed is zit daartussen ook een stukje ‘persoonlijk’.

Maar toen ik teruglas viel het mij ook op. Ik heb niet veel over mezelf geschreven. Ik schreef over paleontologen, over coca cola lightbreak, hyves en voetbal. Maar ik schreef niet over mezelf.

En of dat nou komt omdat ik goed in mijn vel zit (en dus mijn blik meer naar buiten richt) of omdat ik denk dat jullie mijn ‘omgevingsverhaaltjes’ de leukste stukjes vinden, doet er niet toe. Een beetje zelfreflectie kan nooit kwaad. Dus vanavond sta ik voor de spiegel.

En morgen vertel ik meer.

Coca Cola light-break

Ik heb nieuwe vrienden.

Het zijn de mannen van de straat. Elke ochtend staan ze in hun oranje vesten te ploeteren. Ze scheppen, graven en drillen. Zo nu en dan wissen ze met een vermoeide blik het zweet van hun voorhoofd. Om beurten besturen ze één van de twee grote grijpmachines.

Ik heb een band met ze opgebouwd. Sinds ik vorige week met een grote bos bloemen naar Lizzy’s afzwemmen vertrok – en een van de helden opmerkte ‘dat ik dat niet had moeten doen’ – is het ijs tussen ons gebroken. “Jongens, daar komt onze vriendin aan!” roepen ze wanneer ik langs wandel.

Vanochtend was de riolering aan de beurt. Terwijl ik niets vermoedend stond te douchen werd er aangebeld. “Mamma, je moet onder de douche uit,” kwam Lizzy vertellen. “De meneren buiten hebben er last van.” Door de open deur hoorde ik geschreeuw. “Kappen met douchen,” riep er een. “Ik verzuip hier godverdomme bijna!” “Verderop zit er ergens een te schijten,” mopperde een ander.

Even later verliet ik de woning om de kinderen naar school te brengen. Voor de deur gaapte een enorm gat. Eén voor één tilde ik de kinderen er over heen. Toen ik zelf wilde springen rende één van de mannen op af. “Ik geef u wel een hand, we willen niet dat u valt.” Heel galant hielp hij me naar de overkant.

Later thuis heb ik ze koffie gegeven. Ruwe bolsters hebben blanke pitten. En die moet je koesteren.

De reactiemogelijkheid doet het weer.

Ik ben een stukje… tekst

Het papier ritselt.

Het moet ergens in mijn tas zitten. Stukjes voor de column die ik gisteravond wilde schrijven. Ik vind mijn aantekeningenboekje. Daar stond ook nog iets in. En op de computer had ik al een opzetje gemaakt.

Tijdens de koffie werk ik mijn dromenboekje bij. Ik droomde over de woonboot van een vriendin. Dat ik daar op bezoek was en dat de ark er van binnen uitzag als een balzaal. Heel gek. En dan die droom over dat zwembad. Waaruit opeens een tsunami rees. Die was eigenlijk best eng.

Opeens herinner ik me een grappige anekdote. Een collega ging koffiezetten en vergat water in het apparaat te doen. En maar mopperen dat de koffie niet doorliep. Ik pak mijn aantekeningenboekje en schrijf het op.

Mijn agenda staat vol met steekwoorden. “Stukje Bel stofzuiger,” staat er. Ik weet eerlijk gezegd niet meer precies waarover dat ging. Iets met een stofzuiger. En met Annabel. Maar wat weet ik niet meer. Het schiet me nog wel weer te binnen.

De letters kringelen. Ze krijgen kleuren en vormen een regenboog. De woorden zakken weg in een bord pap. Wie heeft er een lepel zodat ik ze kan opvissen? De zinnen knip ik uit. Ik plak ze aan elkaar en zo vormt zich een verhaal.

Mijn leven in flarden. Ik ben stukjes tekst.