Poetsdag

Samen met Annabel ontruim ik de koelkast.

Boter. Kaas. Eieren. Annabel veegt met haar poets condens van de flessen. En dan laat ik de eieren vallen. Fláts, een heleboel snot (met daarin vier gele bolletjes) (ont)siert de keukenvloer. “O, help!” roep ik, terwijl ik naar de lillende massa kijk. Annabel steekt haar poetsdoek in de lucht. “Geeft niets mamma,” roept ze. “Ik kom eraan.”

“Ik kom het wel even opdoeken.”

Advertisements

Sponsorzusje

Na jaren trouw betalen ben ik opeens sponsorkindloos.

Dat zit zo, het jongetje dat ik al sinds de jaren negentig onder mijn financiële vleugels had, is verhuisd. Zomaar. En in het district waar hij woont is Plan niet actief. Beetje raar. Dat vond Plan zelf blijkbaar ook, want ze hingen meteen aan de lijn.

“Wilt u dan nog wel een nieuw kind sponsoren?” vroeg de meneer aan de telefoon een beetje aarzelend. “Ach ja hoor,” zei ik. “Waarom niet?” (Gemakzucht. Anders moest ik weer opzoek gaan naar een goed doel.) “En heeft u dan nog een voorkeur voor een kind?” Euh. Een voorkeur?

Ja. Een voorkeur. Ik mocht kiezen. Jongen of meisje, leeftijd en continent. “Doet u mij dan maar een meisje,” zei ik. “In de leeftijd van mijn dochters.” Ik hoorde zelf hoe gek dat ‘doet u mij dan maar een meisje’ klonk. Alsof ik in de Bijenkorf aan het winkelen was. Raar om zo zakelijk over een kind te praten.

Thuis vertelde ik de kletsen over hun nieuwe ‘sponsorzusje’. Dat we dan foto’s en tekeningen zouden opsturen. En dat sponsorzusje dan foto’s zou terugsturen. En ik vertelde over ‘andere’ landen, waar ze (bijna) geen winkels hadden, geen ziekenhuizen en waar de kinderen water haalden uit een put in plaats van de kraan.

“Niet zo slim,” zei Lizzy toen ik was uitgepraat. “Niet zo slim dan van die mensen.” “Wat,” vroeg ik. “Wat is niet zo slim?” “Nou,” ging Lizzy verder. “Waarom ga je ergens wonen waar het zo arm is? Dat is natuurlijk nogal onhandig. Dat zou jíj nooit doen, toch, mamma?” Ik zuchtte en aaide mijn vijfjarige klets over haar bolletje.

Volgens mij had ik nog iets uit te leggen over sponsorzusje.

Gefeliciteerd, u heeft ergens recht op!

Ik ben chronisch ziek.

Althans, dat vindt het CAK, getuige de brief die ik gister van ze ontving. Chronisch ziek. Ik vínd het nogal wat om dat op je deurmat te vinden. Zo op de vrijdagmiddag. Hoe ze daarbij kwamen? Heel simpel. Hadden ze geconcludeerd aan de hand van voorgeschreven medicijnen.

En vanwege mijn chronische ziekte, hoe meelijwekkend, had ergens recht op; een compensatie van mijn eigen risico. Verrek zeg. Wat leuk! Ik zou een vastgesteld bedrag ontvangen van maarliefst zevenenveertig euro. Niet meer en niet minder. Elke chronisch zieke ontving hetzelfde bedrag.

De bijgesloten folder gaf vooral informatie over de manier men bezwaar tegen de beschikking kon maken. Dat vond ik nogal vreemd. Ik bedoel, ik heb wel bezwaar tegen mijn chronische aandoening(en?), maar natuurlijk niet tegen compensatie. Zou er íemand zijn die bezwaar zou aantekenen tegen die zevenenveertig euro?

Afijn. Als ik, als chronisch zieke, verder geen bezwaar had tegen het feit dat ik was ingedeeld in een Farmaceutische kostengroep, dan ontving ik mijn compensatie in november. November? Dan pas?!

Ik hoop dat ik dat haal!

Bij de huisarts

Het was warm in de wachtkamer.

“Dat is toch wel gek hè?” zei de mevrouw naast me. “Dat ze om kwart voor negen al een uitloop hebben van een drie kwartier.” De meneer tegenover ons knikte. “Laatst was het nog erger, toen hadden ze ruim een uur uitloop. ”

De oude mevrouw staarde naar de deur. Ze keek op haar horloge. “Soms denk ik dat ze het expres doen,” zei ze. “Als een soort ontmoedigingsbeleid.” De meneer tegenover ons knikte weer. “Het werkt wel,” zei hij. “Ik ga pas naar de dokter als het niet meer te harden is.”

Plotseling hoorde we iemand kuchen. De huisarts stond in de deuropening. “Ah,” zei hij. “Meneer Jansen. Daar bent u weer. En wat scheelt u vandáág?”

De kist

Onze witgeschilderde kast is een groot succes.

En succes smaakt naar meer. Zo werkt het nou eenmaal; ben je van de ene ergernis af, valt de andere opeens meer op. Nu de ene kant van de kamer helemaal naar mijn zin was, het oogt veel ruimer, moest ook het speelhoekje van de kinderen er aan geloven.

En dus stuurde ik Paul marktplaats op om een houten kist te zoeken. (Hier is zó verdeeld dat ik degene ben die het fysieke shoppen doet en Paul het digitale.) Al snel vond hij een mooie kist. Eikenhout, goed te schilderen (wit natuurlijk) en groot genoeg voor een heleboel speelgoed.

Gisteravond ging hij hem halen. De kist stond in de hal van een enorm huis. “Het is een prachtige kist,” zei de oude baas die de kist van de hand deed. Hij had een beetje melancholiek geklonken. “Groot genoeg om van alles in op te bergen.” Paul had geknikt en verteld over het kinderspeelgoed. “Ja,” bevestigde de oude man. “Je kunt er écht van alles mee.” Paul vertelde later dat de oude baas een beetje triest naar de kist had gekeken. “Je kunt er zelfs in gaan liggen als het einde nadert,” had hij gezegd.

“Er viel een stilte,” zo vertelde Paul later. “Waarna de oude man zijn keel schraapte en grinnikte. Hij gaf me een knipoogde en zei: ‘Maar ja, het is mijn smaak niet.’”

Tutti Frutti XIII

Er zitten weer een paar briljante tussen!

“Ze slaan je hier niet voor vol aan.”

“De jongens zijn elkaar in de nek gevlogen.”

“Dat was een druppel op de hete plaat.”

“Hij wilde het eens lekker onder mijn ogen wrijven.”

“Ik zal hem eens flink achter zijn staart aanzitten.”

“Je moet niet van elke scheet een donderslag maken.”

“Ze zijn ‘m alweer gevlogen.”

“Ik zal dat meisje eens even de was lezen.”

“Het viel me in ’t verkeerde keelgat.”

“Ze was zo dronken als een tientje.”

“Wie weet wat voor struisvogels er nog in de bosjes zitten.”

“Sommige mensen woekeren dat aan!”

“Dat is lullen tegen Brugman.”

“Ik zet er vandaag nog een punt onder.”

“Jullie leggen het vuur aan mijn schede.” (Auw!)

“Ik ga d’r even een puntje aan blazen.”

“Daar zal je je ook geen buil door vallen.”

“Ze zijn uit het niets verdwenen.”

Blijf posten! Laat ons meelachen!