Halfvol of halfleeg?

De herfst is nu echt begonnen.

Vieze, druilerige en verdrietige straten. En dat op de verjaardag van mijn man. Die we overigens niet eens kunnen vieren omdat hij vanavond cursus heeft. Lekker gezellig. En de rest van de dag zit ik hier, op mijn werk. Gezeur aan te horen. Zie, daar gaat de telefoon al! Ik kwam nog helemaal alleen binnen ook. Niemand aanwezig. Geen gezellig praatje. Moest ik zelf koffie zetten! Hoe naar! En over een uurtje ‘mag’ ik naar de mondhygiëniste. Als ik daar aan denk krijg ik bijna een huilbui! Nee, het is mijn dag niet. Algehele ellende. Vandaag had ik beter in mijn bed kunnen blijven.

De herfst is nu echt begonnen.

Het ruikt naar kruiden, naar natte bladeren. Ik geef Paul een dikke zoen. “Van harte schat!” Als ik Lizzy naar school breng, snuiven we de pittige buitenlucht op. “Ik vind de herfst gezellig!” zegt Lizzy. “Steken we vanavond de open haard aan?” “Wie weet,” zeg ik lachend. “Maar nu gaat mamma eerst werken.” Ik prijs me gelukkig dat ik een auto heb. Ik moet er toch niet aan dénken om mezelf in zo’n plakkerig regenpak te hijsen. Op de radio zingt Alanis Morissette. Ik voel me meer dan behaaglijk. Op kantoor zet ik alle rust koffie. E-mail checken, bakkie troost. Heerlijk. Het wordt, nee, ís een mooie dag vandaag.

En jij? Hoe is het met jouw glas vandaag? Halfvol, of halfleeg?

Pseudologia Fantastica?

We hebben een stalker.

Nou ja, stalkertjé. Een jochie van acht jaar, ouder zal hij niet zijn. Híj was het die Tuffy afgelopen dinsdag in het bos zag. Hij belde aan bij iemand uit de buurt en sleepte diegene mee het bos in. Tuffy werd nogmaals gezien en vervolgens werd ik gebeld. Aldus het verhaal van dinsdag.

Wat volgde was radiostilte. Al met al ben ik zo’n tien keer in het bos geweest. Heb ik bij elkaar een uur of zes door de regen en de stilte gelopen. (Met een fikse verkoudheid als gevolg.) Zonder resultaat. Niets gehoord en niets gezien. Helaas.

Maar ineens was hij er weer. Het jongetje. Bij ons aan de deur dit keer. Hij had Tuffy wéér gezien. “Hij lééft!” riep Lizzy opgetogen. Maar het verhaal klopte niet. “Hij kon niet meer vliegen,” zei het jongetje. Maar daarna vertelde hij dat Tuffy van boom naar boom vloog. Hij had gezien dat Tuffy op het dak zat. Nee, bij de keet. Hij vloog. Nee, hij vloog niet.

“Wanneer heb je hem precies gezien?” vroeg ik. “Alleen dinsdag,” zei de speurneus. Maar eerder had hij verteld dat hij hem gisteren nog had gezien. Later kwam hij met het verhaal dat hij vanóchtend nog in de boom had zitten fluiten. Ik moest naar de fysiotherapeut en zei dat we die middag zouden gaan kijken. Maar het kereltje blééf maar nieuwe verhalen verzinnen.

Toen hij eindelijk verdween kon ik weg. Maar al snel was hij er wéér. Aan de oppas vertelde hij dat hij Tuffy zojuist had gezien en hij drong erop aan dat ze mij zou bellen. Toen de oppas hem weigerde binnen te laten, begon hij heel hard op de deur te slaan en “doe open” te schreeuwen. Ook ging hij dingen uit onze tuin slepen. En hij rukte Tuffy’s posters van de bomen.

Vervolgens belde hij bij mijn buurvrouw aan. Zijn verhaal was intussen zó warrig dat mijn buurvrouw het direct doorzag. Het jongetje zag Tuffy nu overal en vertelde daarbij over zijn moeder, die dood was, en zijn eigen oppas die heel eng was. Weer later stond hij met een stok op de prullenbak voor ons huis slaan. “TUFFY IS VERMIST, TUFFY IS VERMIST” gilde hij.

Toen ik thuiskwam trof ik een twee overstuur geraakte kinderen (en een ietwat geschokte oppas) aan. Van het jongetje was inmiddels niets meer te bekennen. “Leeft hij nou wel of niet, mamma?” zei Lizzy verdrietig. “Ik vind het eng!” huilde Annabel. Arme kinderen. En arme Tuffy.

Dat het nou zó moet eindigen.

Onderbroekenlol

Collega M. is een heerlijk mens.

Neem nou vandaag. We zitten op kantoor, rustig achter onze computers, vraagt ze opeens: “Hé Es, heeft Paul wel eens lingerie voor je gekocht?” Ik kijk op van de zaak waaraan ik werk. Ik behandel op dit moment een lastige schade waarbij een psychiatrisch patiënt is betrokken, dus het is even omschakelen.

“Ja,” mompel ik. “Ja, hij heeft wel eens lingerie voor me gekocht. Althans, ik weet niet of je het echt lingerie kan noemen. Het was meer soort sexy setje wat hij eh ergens vandaan had.” M. grinnikt. Ze snapt me. “En? Was het een succes?” Ik schud mijn hoofd. “Nee,” zeg ik. “De B.H. zat prima. Maar het broekje niet.” Ik rommel in mijn papieren.

M. laat me niet met rust. Ze vraagt verder. Ik zucht en laat mijn kin rusten op mijn handen. “Hij had niet op de maat gelet,” leg ik uit. “Toen ik het broekje wilde aantrekken kreeg ik het niet eens over mijn bovenbenen, laat staat over mijn kont. ‘Gewoon even doortrekken,’ zei hij. Dat deed ik en toen scheurde het ding in twéé.” M. barst in lachen uit.

“Ja lach maar,” mopper ik. “Het was heus lullig hoor!” “Ach joh,” sust ze. “Weet je hoe het bij mij ging? Ik kreeg óók een sexy setje. En het broekje was véél te klein. En míjn man had wél op de maat gelet. De verkoopster had namelijk gevraagd wat voor maat ik droeg, waarop hij achteloos had gezegd: ‘gewoon normaal’. Toen moest ik hem even wat uitleggen. Ik greep hem bij zijn trui, wees op mijn achterste en riep heel hard: “Kijk. Dit. Is. Niet. Normaal.”

En dan moeten M. en ik heel hard lachen. Om onze mannen én om onze eigen dikke billen. We lachen zó hard dat andere collega’s verbaasd opkijken. M. wuift hun vragende blik weg. “Je had erbij moeten zijn,” hikt ze. “Alhoewel…” “Onderbroekenlol,” grinnik ik. “Wie kent ’t niet.”

N.B. Heb jij ook een lekker gênant verhaal over niet-passende kleding, verkeerd gekozen cadeautjes of mislukte fantasieën? Laat ons dan even meegenieten!

Knap zeg!

Hatsjoe!

Ik: “Dat is knap!”
Broer: “Wat?”
Ik: “Ik heb de spetters op mijn éigen brillenglazen geniest!”

Tuffy update:

Lenzen in, wandelschoenen aan, ik was er klaar voor. Ik ging naar het bos om Tuffy te zoeken. Dit keer zou ik hem vinden. Mijn tas zat vol foldertjes, plakband en punaises. Ik zou nog wat straten aan doen en Tuffy’s koppie op élke boom in het bos ‘plakken’. En daar ging ik. Naar buiten. Bijna twee uur heb ik in het bos gelopen. Twee uur lang heb ik Tuffy geroepen, gefloten en met de bel gerinkeld. (Voordeel van regen: niemand buiten dus liep niet voor gek.) Geen Tuf gezien of gehoord. Wat waren die bomen hier trouwens hoog. Al zag ik die vogel, dan nog had ik hem niet zomaar te pakken. Tenslotte werd het weer donker. Ik was compleet doorweekt en flink verkleumd. En ik voelde me een stuk minder gezellig dan gister, toen het nog lekker weer was in het bos. Ik moest aldoor denken aan dat zielige vogeltje dat daar zat of misschien wel halfdood op de grond lag. Ik wilde elke centimeter van het bos onderzoeken, alle bomen bekijken maar wist ook wel dat dat onzin was natuurlijk. Ben uiteindelijk naar huis gegaan maar was zo naargeestig geworden dat ik een flinke huilbui kreeg. Na een warme douche, een wijntje en een stuk pizza (en een arm van Paul) ging het iets weer beter.

Maar blij ben ik nog steeds niet.

Echt, ze zijn écht!

En ook een Tuffy update:

Einde van de middag werd ik gebeld door een mevrouw dat haar kinderen Tuffy hadden gezien in het bos vlak bij ons huis. Afijn, toen ik dat hoorde ben ik meteen – uit mijn werk – op pad gegaan. In mijn eentje, met een handje zaadjes. Liep ik daar gans alleen “Tuffy!’ ‘Tuffy!’ te roepen. Maar goed, geen vogel te zien natuurlijk. Althans, een heleboel, maar geen Tuf. Dat bos is ook best groot, daar vind je hem niet zo snel. Maar hij leeft nog, dat is ook wat waard. En hij zat vrij opgewerkt te fluiten volgens de mevrouw (misschien is dat beest wel blij toe dat hij is ontsnapt!) dus ook dát lijkt me postief. Later die avond, Lizzy en Annabel waren met opa en oma mee, ben ik teruggegaan naar het bos. Dit keer was ik beter voorbereid. Ik ging op de fiets en had, behalve twee gierststengels, zijn bel meegenomen (die hing in zijn kooi en daar zat hij altijd mee te spelen (bij voorkeur tijdens NOVA tot ergernis van Paul)). Dus dit keer fietste ik al klingelend, zwaaiend met bel en gierststengels en ‘Tuffy!’ ‘Tuffy!’ -fuut–fuut-fuut roepend (en fluitend) door het bos. Vraag me af hoeveel dieren ik heb verjaagd. Hondenuitlaters keken me vreemd aan; ik moet eruit gezien heb ben als een verdwaalde (verwarde) ijscoman. Of een ontsnapte gek. Maar goed, ondertussen werd het ineens donker en toen bedacht ik dat het misschien toch niet zo handig (en veilig) was om in mijn eentje in zo’n donker bos te dwalen. Bovendien zou ik de vogel nu toch niet meer vinden. Dus ik wilde naar huis gaan, maar dat was nog niet eenvoudig want het was ineens dusdanig donker dat ik steeds doodlopende paadjes insloeg en zowaar verdwaalde. Mijn fiets bleef ook steeds hangen want ik geraakte steeds dieper het bos in. Enige troost was de gedachte dat ik in mijn fietstas een fles prosecco had zitten (die ik eerder had gekocht toen ik ff snel een boodschap ging doen) dus dat ik me dan wel zou vermaken in het bos zolang ik daar moest blijven. En wie weet kwam Tuffy dan mij wel redden. Al met al was het een waar avontuur.

Afijn, uiteindelijk vond ik een uitgang (ik bleek een flink stuk uit de buurt te zijn) en keerde ik huiswaarts. Zonder vogel. Maar met een mooi verhaal.

Jongetjes

De tuin bij de peuterspeelzaal wordt vernieuwd.

Paul zou gaan scheppen, samen met de andere vaders. Van die pappa’s zou een aantal de kinderen meenemen dus had ik mezelf opgeworpen als ‘juffie’. Fluitend stopte ik een puzzelboekje in mijn tas. Ik zou me wel vermaken.

Maar dat liep anders. De vaders brachten namelijk een aantal jongetjes mee. En ik had niet gerekend op jongetjes. Dat soort ken ik niet. Ik weet niets van jongetjes. Ik weet alleen van meisjes. Rustige, tuttebellende meisjes.

Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat jongetjes niet gewoon rustig gaan spelen (“Kom we gaan rennen!”). En ik wist ook niet dat jongetjes werken volgens afwijkende constructiewetten (als het niet past dan sla je erop tot het wel past) en dat ze weinig ophebben met het begrip blokkades (doorrammen tot het opzij gaat). Ik wist niet dat jongetjes puzzels heel ruimtelijk zien (stukjes in de lucht gooien geeft een 3-D effect) en ik had er al helemaal geen weet van dat jongetjes zoveel kabaal konden produceren.

Ik nam mijn toevlucht tot een spannend voorleesboek. Dat hielp. Vijf minuten. Want toen ging de telefoon. “Blijf zitten, beweeg je niet,” zei ik en ik liep naar de gang. Maar jongetjes kunnen niet stilzitten. En dat wist ik niet. Dus toen ik luttele minuten later terugkwam in de zaal, en alles eruit zag alsof er onverwachts een tollende suiswind was binnengekomen, kreeg ik zowat een hartverzakking.

Ik heb nu héél véél respect voor moeders die één of meerdere jongetjes hebben.

Een beetje hoop

Tuffy is nog niet terug.

De kinderen beginnen er een beetje aan te wennen, al is ons verdwenen huisdier nog steeds het gesprek van de dag. En niet alleen binnenshuis, ook op straat wordt hij besproken. De ‘vermissingbriefjes’ doen hun werk. De buurt is alert. “Ik kijk in alle bomen hoor!” horen we regelmatig.

Lizzy vond het rondbrengen van de ‘Tuffypost’ erg spannend. In het donker langs de huizen; vermissingbriefjes door de deuren doen, het heeft indruk op haar gemaakt. Zóveel indruk dat ze gisteravond smeekte om nog éven te gaan ‘posten’. Zinloos, leek mij. Maar goed, als zíj dat wilde, vooruit dan. Lizzy zei zó vaak dat ze brieven rondbrengen helemaal super vond dat ik grapte dat ze maar snel een krantenwijk moest nemen.

De laatste straat – onze brieven raakten op – lag wat verder van ons huis. “Dit is precies de richting die hij opvloog,” zei ik terwijl we langs een groot raam liepen. “Ik zie Fleur,” zei Lizzy. “Hier woont Fleur, mag ik even gedag zeggen?” We klopten op de deur en Lizzy deed haar verhaal. Ze gaf haar vriendinnetje één van onze laatste blaadjes.

“Dat is bizar,” zei de moeder van Fleur, die over de schouder van haar dochter meekeek. “Ik ben gek op vogels en ik weet er vermoedelijk wat meer van dan een ander. Zaterdagmiddag heb ik door het raam staan kijken en ik zag een vogel fladderen die ik niet kon thuisbrengen. Ik dacht: ‘het lijkt wel een parkiet maar dat is onmogelijk’. Hij zat ergens in de tuin. Hij was grijs, met geel.”

Lizzy en ik gingen opgewekt terug naar huis. Wat een goed nieuws! Wat onmogelijk had geleken was gebeurd! Iemand had Tuffy gezien! En hadden we vanmiddag niet een verhaal gehoord over een kanarie die – in de winter – na dríe maanden weer thuis opdook?! Nou dan!

Alles wat we nodig hadden was een klein wonder.

Verdrietig

Niet leuk. Echt níet leuk.

Er is zoveel om over te schrijven. Het prachtige herfstweer, het circus van gistermiddag, mijn vaders verjaardag. Genoeg leuks om ettelijke logjes mee te vullen. Maar daar gaat het vandaag niet over. Vandaag zijn er andere dingen.

Tuffy is weg. Gistermiddag, de buitendeur stond op een kier, renden de kinderen naar buiten terwijl ik de keuken was. Tuffy was los en vloog ze achterna. Ik rende naar buiten en zag hem gaan. Hoopte dat hij gewoon in een boom zou gaan zitten. Maar hij vloog hoger en hoger. Tot hij nog maar een stipje was aan de blauwe lucht.

Daar stond ik dan op straat. Met twee hysterische huilende kinderen. Hoog boven ons hoorde ik Tuffy paniekerig fluiten (dat beest snapte er niets van natuurlijk) we riepen “TUFFY” “TUFFY” om het hardst. Maar het hielp niet. Al snel was hij uit ons gezicht verdwenen.

Wat volgde was chaos. Wat moest ik nu doen? Mijn eerste impuls was in de auto springen en hem gaan zoeken. Maar hoe vind je een speld in een hooiberg? Logischer leek me de vogelopvang te bellen. De verwezen me door naar stichting Amivedie waar alle vermiste en gevonden huisdieren geregistreerd worden.

Mijn broer maakte briefjes voor de supermarkt en om door deuren te doen. ’s Avonds toen Annabel sliep ging ik met Lizzy de straat op. Tuffy verdween in alle brievenbussen en hangt nu op heel veel bomen. Je moet wát proberen. “Ik wou dat het maar een droom was,” zei Lizzy steeds. “Dat ik wakker werd en dat Tuffy er dan nog was.”

Lizzy kon uiteindelijk niet slapen. Ze schrok steeds wakker, had nachtmerries en moest dan hard om haar parkietje huilen. Uiteindelijk sliepen we met z’n allen in het grote bed. Vanochtend toen ik beneden kwam was het eerste wat ik zag de lege kooi.

Niet leuk. Echt níet leuk.