Voor de lieve vrede II

Lizzy en Annabel staan voor de kerstboom.

“Mamma, luister eens,” zegt Lizzy. Klingelingelingeling. Klingelingeling. “He, ik hoor een klingelklokje!” Annabel knikt stralend. “Ja. We hebben Tuffy’s oude bel in de kerstboom gehangen.” Ik kijk over hun schouders en zie een klein zilverkleurig klokje tussen de groene takken. “Verrek zeg,” roep ik. “Wat slim van jullie!” De kletsen werpen een stichtelijke blik op de kerstboom. “Zo is Tuffy toch nog bij ons met kerst,” zegt Lizzy. “Lieve Tuffy,” zucht Annabel.

En dan moet ik even slikken.

Voor de lieve vrede

Kling klokje klingelingeling.

Annabel houdt van klingklokjes. Ze rammelt met de kerstballen en zingt haar liedje. “Wij hadden vroeger twee zilveren kerstklokjes,” deel ik mijn herinnering met haar. Een van mijn broer en een van mij. Die konden echt klingelen. Ik glimlach bij de gedachte aan het mooie kerstsnuisterijtje.

Ik beloof Annabel een kerstklokje. Een met een klepeltje, die ze zelf elk jaar in de kerstboom kan hangen. Net zo’n mooie zilveren als mamma vroeger had. Eentje waarbij ze met recht klingkokje klingelingeling kan zingen. Ze glundert terwijl ze over het klokje fantaseert. Belletje en haar belletje. Ik ga meteen op zoek.

Eerst de Blokker. Dan de Hema. De Zeeman, de V& D en tenslotte zelfs Riviera en Villeroy & Boch. Van alles is er. Kunstiger dan kunstig. Van papier, van hout, plastic, zelfs van kristal is er genoeg. We kunnen labradors in onze boom hangen. Pinguïns. Een schoentje van Prada, bierflesjes, digitale kerstballen (met foto), Otazu kerstballen, versiering in de vorm van hartjes, fruit of met rare teksten. Van alles zie ik aan mijn geestesoog voorbijtrekken. Van alles. Maar géén gewoon kerstklokje.

Het tuincentrum dan maar. Daar zouden ze me wel kunnen helpen. Paarse kerstkevers, vogelkooitje voor in de kerstboom, een patrijs in een perenboom. Gepokte kerstballen, gemazelde kerstballen en zelfs kerstballen met houtsnippers. Elfen, trollen, heksen. Wederom, van alles. Behalve een kerstklokje.

Dus nu de vraag. De vraag der vragen. Want ik heb natuurlijk helemaal niets tegen kerst. In tegendeel, vind kerst hartstikke gezellig. Leuk. Familie enzo. Ben ik helemaal voor. Bling bling, ook leuk. Lekker eten, heerlijk. Tot zover geen probleem. Doe ik niet moeilijk over. Dat de kerstviering zo rond de zomervakantie al in de winkel ligt, vooruit, neem ik op de koop toe. Alles voor de vrede zeg ik dan.

MAAR WAAROM KAN IK WEL EEN FOKKING LABRADOR VOOR IN DE KERSTBOOM KOPEN MAAR NERGENS EEN NORMAAL KERSTKLOKJE VOOR MIJN DOCHTER?

WAAROM WAAROM WAAROM? Hijg.

Mondegreen

Niet zo’n bekend woord.

Wél een bekend verschijnsel. De Mondegreen komt overal voor. Het komt erop neer dat we een tekst (liedje of gedicht) verkeerd verstaan en vervolgens verkeerd reproduceren. Kortom, we horen iets anders dan er eigenlijk wordt gezongen. Een voorbeeld; In plaats van (Mariah Carrey’s) “No, I can’t forget this evening, or your faces as you were leaving” zong mijn broer: “No, I can’t forget the seamon on your face when you were leaving.” Hij was echt verbaasd toen hij ontdekte dat ze helemáál niet over zaad zong.

De mondegreen dankt zijn naam aan een strofe uit het Schotse gedicht The Bonny Earl of Murray. De eerste strofe van dit gedicht eindigt met de tekst They have slain the Earl of Murray / and they laid him on the green. Als kind verstond de Amerikaanse schrijfster Sylvia Wright dit als They have slain the Earl of Murray / and the Lady Mondegreen. In 1954 gaf zij de naam van deze niet bestaande dame aan het verschijnsel.

Op de één of andere manier ontstaan er rond Kerstmis altijd veel mondegreens. De bekendste is “Midden in een winternacht/ ging de Hema open“. Maar ook “O derdeboom, O derdeboom” schijnt nog wel eens voor te komen. De leukste mondegreens zijn natuurlijk de teksten die je eigen kinderen produceren. Niet zelden heb ik de grootste lol om de constructies die mijn kinderen ‘verzinnen’. Een vriendin vertelde dat haar dochtertje zong “Ik heb je láátst in ’t bos zien staan/ toen zaten er geen tákken aan!” En ander kind hoorde ik zingen: “Toen zaten er géén blaad’ren aan.” En mijn eigen klets heeft inmiddels iets héél bijzonders bedacht. Een combinatie van een kerstlied én een voetbalklassieker.

“Jingle Bells, Jingle Bells, Jingle Olleléé!”

Mijn Kerstwens gaat naar …

Vandaag kan iedereen zijn of haar digitale kaarsje branden.

En wel hier. Op mijn weblog. Voor díe persoon die het lichtje in het komende jaar goed kan gebruiken. Dat kan persoonlijk zijn, omdat iemand het zwaar heeft, zakelijk, omdat je zulke leuke collegae hebt, of heel egoïstisch, omdat je er zelf beter van wordt.

In elk geval geldt; “Mijn Kerstwens gaat naar…” is een speciale, éénmalige weblogactie, waarvoor Jomanda speciaal mijn plek op Vrouwonline heeft ingestraald. Goed dat je meeleest dus, want op dit moment spettert de positieve energie al van je scherm af!

Denk goed na over je Kerstwens. En aan wie je hem wil geven. Gepost is gepost. De magie werkt maar één keer. En op eerste kerstdag zal ik de leukste, mooiste en origineelste wensen in een speciale Kerstblog verwerken.

Mijn Kerstwens gaat naar …

Mistig

De boom aan het einde van de straat was niet te zien.

Alles, de hele omgeving, was gehuld in een dikke melkwitte mist. De wattige lucht slokte het bos op, de toren van de kerk en zelfs de huizen aan de overkant. Er liepen mensen voor me, maar zelfs hen kon ik niet goed zien. Alsof de mist ook ín mijn hoofd was.

Bijzonder, dat nevelen je dusdanig kunnen desoriënteren. Niet alleen zag ik overal witte vlekken, ik miste ook de scherpte van de contouren. Gezichten waren wazig, ook wanneer ze dichterbij kwamen. De omgeving was rimpelig, ik kneep mijn ogen tot spleetjes om het weinige licht te kanaliseren.

Onwillekeurig moest ik denken aan The Mist van Stephen King. Bizar verhaal! Ik huiverde bij de gedachte aan wat er uit die dikke witte brei allemaal tevoorschijn kwam. Wat gek toch dat ik zo onscherp zag. Waarom keek ik zo wafelig? Wat was het, dat deze ochtendnevel zo onwerkelijk maakte?

Pas toen ik weer thuis was – en in de spiegel keek – wist ik wat er deze ochtend anders was dan anders.

Ik was vergeten mijn bril op te zetten.

Gewoon een weekend XL

Het was zaterdagochtend.

Paul lag nog in bed; hij had gefeest. Dat dit uitstapje ‘geslaagd’ was, had ik al geroken (metalige bierlucht) en gehoord (alcoholisch gereutel). Ikzelf zat inmiddels al geruime tijd beneden aan de koffie. Ik probeerde nog te voorkomen dat de kinderen de slaapkamer zouden bestormen, maar die missie mislukte jammerlijk. Nog geen vijf minuten nadat ze naar boven waren verdwenen, hoorde ik ze al op bed springen. ‘PAPPA’ ‘ PAPPA’ ‘KERSTBOOM’ ‘KERSTBOOM’. Ik liep met een streng gezicht naar boven, maar inwendig grinnikte ik. Arme Paul.

Na de koffie deden – de inmiddels opgeknapte – Paul en Lizzy boodschappen. Met het door mij gemaakte boodschappenlijstje in zijn ene hand en een grote Dirks tas in de andere, vocht de held zich een weg door de pre-kerstdrukte. Op hetzelfde moment stonden Annabel en ik al in de Etos. Ik probeerde te besluiten welke shampoo ik zou kopen, terwijl ik ondertussen een poging deed Annabel bij de snoepbakken vandaan te houden. Eenmaal bij de kassa aanbeland, zag ik hoe er een grote donkere man binnen kwam. Hij zag er onheilspellend uit. Hij droeg een pet waarvan de klep zijn ogen bedekte, alhoewel dat niet heel erg nodig was, want hij droeg een spiegelende zonnebril (die hij niet afzette). Hij liep direct naar de kassa. “Straks pleegt hij een overval,” schrok ik. Onwillekeurig trok ik Annabel dichter tegen me aan. De man haalde een strookje uit zijn zak en legde dat op de toonbak. “Ik kom de blije doos halen,” zei hij.

Thuis was het – eindelijk – tijd voor de kerstboom. Om het ritueel dit jaar zo écht mogelijk te maken had ik een spuitbusje ‘dennengeur’ gekocht. “Het moet niet gekker worden,” zei Paul. “Een nepboom inspuiten met dennengeur!” Maar ik zag aan zijn grijns dat hij het eigenlijk ook een heel goed idee vond. De kinderen waren ondertussen helemaal opgetogen over al het moois in de ‘kerstdoos’. Enthousiast hingen ze de één na de andere kerstklok in de boom. Zo schattig! Hier en daar sneuvelde een bal. “Ik schrik me een haartje!” riep Annabel toen er één vlak naast haar voet kapot spatte. Ik maakte een heleboel foto’s. En toen de kinderen gingen buitenspelen, verhing ik alles in de boom. Net zo lang tot het naar míjn zin was. Dat schijnen trouwens alle moeders te doen.

’s Avonds stelde Paul voor een film te kijken, mijn broer had ons er met één opgezadeld, maar uiteindelijk vond ik het daar alweer te laat voor. Ik zou maar eens echt vroeg naar bed gaan. Het feit dat ik eerder die avond tijdens Tom en Jerry in slaap was gevallen zei genoeg. Bovendien hadden we ’t einde van de middag geborreld met de buren en daar was ik aardig rozig van geworden. Desalniettemin lagen we evengoed nog laat in bed omdat de openhaard nog niet was uitgebrand (“Ach, nog één houtje”), de fles nog niet leeg was (“nog één glaasje”) en we naar één of ander fascinerend programma op National Geografic zaten te kijken (waarvan ik moet toegeven dat ik nu al niet meer weet waar het over ging!).

De volgende dag stond het zwembad op het programma. Schoonmama werd vijfenzestig en had ons uitgenodigd voor een ochtendje waterpret, gevolgd door een lunch bij haar thuis. ’t Was even slikken toen ik daar in de drukte bij de kleedhokjes stond, maar eigenlijk was het gewoon heel gezellig. Lekker warm water, beetje babbelen en kijken naar de kletsen die echt heerlijk aan het spelen waren. Zelfs de kerstboom en kerstliedjes in het zwembad konden mijn goedkeurig wegdragen. Tijdens de lunch bij ‘oma’ thuis merkte Lizzy op dat ze wel een goed idee vond als we nu afspraken dat iedereen binnen onze familie vanaf nu zijn verjaardag zo zou vieren. Tuurlijk.

Weer thuis ging Paul zijn zelfgekochte kerstcadeau uitproberen; ja ja, meneer heeft weer een nieuwe hobby. Althans een oude, afgestofte hobby. Maar wel met nieuw materieel. Sinds enkele dagen is hij de trotste bezitter van een radiografisch bestuurbaar TT-autootje, eentje die wedstrijdproof is, en ik moet zeggen, dat ding is echt leuk! De meiden vinden het ook geweldig, die rennen achter het karretje aan en ‘verzorgen’ de auto (als ware pitspoezen) als Paul hem weer eens een bloembak inrijdt. ’t Is toch treurig dat Paul geen zoon heeft,” zei de buurvrouw toen ze haar kind later bij ons thuis kwam ophalen. “Volgens mij is het maar goed ook,” antwoordde ik. “Als hij een zoon had gehad dan had ons hele huis vol treintjes, pistolen, tenten, autootjes en ander jongensspeelgoed gestaan.” “Help, mijn man heeft een hobby,” grinnikte de buurvrouw. “Zoiets,” knikte ik.

Afijn, na wederom weer een half uurtje voorlezen uit Lizzy’s favoriete boek: “Het is kerst, Geronimo!” was eindelijk het zalige moment gekomen waarop de kinderen naar bed gingen. “Het was weer een fijn weekend,” zuchtte ik. “Het was weer een fijn weekend,” zuchtte Paul.

En toen zakten we op de bank.

Ik praat te hard

Sommige collegae hebben een raar beeld van mij.

Dat zit zo, op kantoor ben ik regelmatig in de weer met de stofzuiger. Werklunch gehad, ik sluit al schoonmakend af. Papierbak geleegd, ik kom voor de snippers. Stofvlokken, hier ermee! Kortom, als er gezogen moet worden ben ik de vrouw. Vloertechnisch dan. Maar goed, dat is niet wat ze raar aan mij vinden.

Nou is het zo dat we een nieuwe stofzuiger hebben. (Ik had nog gegrapt dat de kerstpakketten vroeg waren dit jaar, toen er in oktober een grote doos op mijn bureau stond.) Persoonlijk was ik, met deze gift, aardig in mijn sas want het oude apparaat had onderhand de zuigkracht van een gehandicapte bromvlieg; hij deed nagenoeg niets meer. En ik hou nou eenmaal niet van vieze vloeren.

Onze ‘nieuwe’ (zoals ik hem liefkozend noem) bleek geweldig. Alle broodkruimels, stofvlokjes en papiersnippers waren in een mum van tijd verdwenen. Alleen kreeg ik een beetje rugpijn van het kromlopen; de stang was nogal kort. “Die kan je uitschuiven hoor,” merkte een collega op. “Echt waar?” zei ik verrast. (NB; het feit dat ik dit niet wist, zegt meer over mijn technische vaardigheden dan over mijn huishoudelijke aanleg.) En ja. De stang kon worden uitgeschoven. Amazing!

Gistermiddag vertelde ik enthousiast aan collega M. dat ik door haar tip nu thuis ook geen rugpijn meer had; ‘de mijne’ kon zijn stang ook uitschuiven! “Hoe lang heb je dat ding al thuis?” vroeg M. een beetje verbaasd. “Een jaar of drie,” gaf ik toe. M. schudde zuchtend haar hoofd. “En je bent nooit op het idee gekomen om…?” “Nee,” riep ik enthousiast (en iets te hard). “Het is zó fijn! Ik had wérkelijk geen idee dat die van mij zó’n lange had!”

En op het moment dat ik dát zei, liepen er twee collegae binnen.

Moet Hij Gewoon Niet Doen!

Even een verzoekje van mijn kant.

Het stukje werknemer van de week was nogal een succes. “Herkenbaar!” “Zo, ben mijn frustratie weer kwijt.” En: “Fijn dat ik niet de enige ben.” Zomaar een greep uit de reacties. Dus vandaar een item in dezelfde categorie; Moet Hij Gewoon Niet Doen.

Zo pakte ik vanochtend een beschuitje om het te beboteren; zit me daar toch weer zo’n teruggesmeerde boterklets aan de zijkant?! Je weet wel, zo’n gerulde vetveeg, voorzien van andermans broodkruimels. Ik ben misschien een zeikerd, maar ik heb tenslotte een gevoelige maag, ik vínd me dat toch smerig! Moet Hij Gewoon Niet Doen.

En zo zijn er talloze voorbeelden. Op Mars is het gewoon, op Venus walgen we ervan. Of we begrijpen het gewoon niet. Het zijn dingen die mannen meekrijgen van thuis, zaken die ze zich tijdens hun singletijd hebben aangeleerd of gewoontes die zijn overgenomen van ex-vriendinnen. Van tandpastadopje niet aandraaien tot plassen met de bril omlaag; Moet Hij Gewoon Niet Doen.

Doe me een lol en help me er een leuk lijstje van te maken.

Een daad van verzet

Was gisteravond pas tegen elf uur thuis.

En vervolgens kon ik niet slapen. Ik dacht aan mijn werk. Best leuk, mijn werk. Maar niet op dat moment. “Ga weg werk!” zei ik. Maar werk ging niet weg. Ik zuchtte. Draaide en draaide. Soms ben je gewoon te druk in je hoofd. Soms is het kussen te zacht en het matras te hard. Soms was nu.

Desalniettemin stond ik vanochtend vrolijk op. Een beetje moe, maar verder uitermate gelukkig. Zonnetje, blauwe lucht, ijskristallen! Zelfs de verkeersellende rond het centrum bracht me niet uit mijn humeur. Wel stoorde ik me aan het ge-eikel van mijn collega-chauffeurs. Rechts heeft vóórrang, sukkel!

Tegen de tijd dat ik de parkeerplaats opreed, was ik een beetje dwarsig. De vermoeidheid begon zich te vermengen met de latent aanwezige irritaties. Samen met mijn opgewekte gemoed leidde dit tot een vreemd gevoel van algehele opstandigheid. Ik had ineens enorm de behoefte om afwijkend gedrag te vertonen.

Op de gang kwam ik een paar Pakken tegen. “Hallo,” zeiden de pakken. “Hallo,” zei ik terug. “Krijg de schijt,” dacht ik. De recalcitrante gedachten volgende elkaar nu in snel tempo op. Weg Met de Pakken. Poep aan de Auto’s. Dood aan de Prikklok. Er móest iets gebeuren. Het borrelde en bruiste in mij. Het moest eruit.

Ik stond op de gang en keek om me heen. Wat? Wat moest ik doen? Waar zou ik vandaag – geheel tegen mijn principes – de dag mee beginnen. En plotseling wist ik het.

Ik nam de lift.