Jåmmer

Ik zag ze meteen.

In een witte mand, vlak bij de ingang. Ik had net de kinderen in smålland gedumpt en was onderweg naar de afdeling verlichting. En daar zag ik ze weer. Goed verlicht natuurlijk. Naast de skimra-lampenkappen. Dapper liep ik erlangs.

Ter hoogte van het restaurant leek het even mis te gaan. Een heel grote bak vol! Het rode plastik leek me toe te schreeuwen: “Pak mij, pak mij!” Gelukkig leidde mijn buurvrouw me af. We betaalden onze cappuccino en gingen zitten.

Ze bleven me achtervolgen. Doken op bij de Ljuvlig- en Anrik keukenspullen en bij de Stenstorp meubelen. “Ga weg,” siste ik. “Ik mot jullie niet. Ik walg van jullie. Ik krijg pukkels van jullie.” Als ik niet beter wist zou ik denken dat ze me uitlachten.

Uiteindelijk stond ik daar bij de kassa. Ik wiste het zweet van mijn voorhoofd. Ik had het gehaald, ik was er aan voorbij gegaan. Mijn maag knorde, maar ik was gered. Ik kon relaxen. Langzaam begonnen mijn verkrampte spieren zich ontspannen.

En toen zag ik ze. Eén meter voor de kassa, een schap vol. Ik voelde mijn maag knorren, de weerstand verslappen. Dit was teveel op één dag. Trillend strekte ik mijn hand uit.

Weerloos legde ik een zak in mijn karretje.

Van repliek

“Ruim je kamer eens op.”

Het valt niet mee om je kinderen op te voeden. Overal gooien ze zooi neer. “Wie heeft hier die rommel laten liggen?” Ik mopper er wat af op en dag. Het is hier geen hotel. Mamma is je bediende niet. Je hebt toch zelf handjes?!

Speelgoed waarmee gespeeld is, laten ze het liefst liggen. Breek ik mijn nek er weer over. En niets kunnen ze terugvinden. “Als je het nou netjes op zijn plek had teruggelegd, dan was je het nu niet kwijt geweest.” En nee, mamma heeft géén tijd om jou te helpen zoeken.

Je probeert ze te helpen. “Zuinig zijn op je spullen, netjes opbergen.” En dan verwacht je dat ze luisteren. Maar dat doen ze niet. ’t Ene oor in, ’t andere uit. En het allerergste, ze krijgen nog praatjes ook.

“Je mag je auto wel eens opruimen mamma,” zegt Lizzy vanmorgen tegen me. “Want dit is níet zo netjes.”

Tssssk. Brutale vlegel.

Even alleen

Annabel is uit logeren.

En Lizzy vindt het heerlijk. Eindelijk weer eens alleen. Geen zusje dat aan haar spullen zit, geen gemopper en vooral niet delen. Gewoon even lekker de volle aandacht. “Ik vind Annabel heus wel lief hoor,” zegt ze, wanneer ik haar een beetje plaag.

En of ze dan bij ons in bed mocht. Want dat was zo gezellig en nu was Annabel er toch niet. Ach ja, dachten wij, waarom niet. En zo lag ze gisteravond, na een extra lange voorleessessie uit “Geronimo Stilton” lekker te soezen in het grote bed.

Tegen elf uur kropen Paul en ik erbij. De grote kleine klets lag – in het midden – heerlijk te snurken. Ze smakte een paar keer, mummelde wat en sliep vervolgens verder. Een klein wriemelend handje schoof onder mijn schouder. Een verdwaalde krul kriebelde mijn neus.

Toen ik vanochtend wakker werd, keek ik naar het mooie slapende gezichtje naast me. Zo rustig, zo ontspannen. Zo groot en tegelijk zo klein. Ik gaf mijn meisje een kusje op het puntje van haar neus. Ze glimlachte met haar ogen dicht. Mijn grote, kleine Klets.

Ik heb je lief.

Vanuit een ander perspectief

Ik heb de kamer veranderd.

En dat is heel raar. Want ik woon hier nu bijna zes jaar en ik heb nog nooit de kamer veranderd. Ik ben niet zo van het veranderen. Ik hou het liever zoals het is. Lekker veilig.

Lizzy is anders. Elke paar weken gooit ze haar slaapkamer om. Bed onder het raam, bed bij de deur, bureautje tegen een ander muur; ze verzint steeds iets nieuws. En nu vond ze dat het tijd werd om beneden iets te veranderen.

“Het lijkt wel of ik dronken ben,” zei Paul toen hij binnenkwam. “Ja,” beaamde ik. “Gek hè? Ik heb steeds het gevoel alsof we verhuisd zijn.” Toch raar hoeveel het uitmaakt waar de meubels staan. Feng Shui-technisch enzo.

Afijn. Ik moet er nog erg aan wennen. Ik voel me gewoon een beetje een vreemde in mijn eigen huis. En nu ik dit stukje tik realiseer ik me dat ook mijn vaste computerplek veranderd is. Ik kijk nu niet meer op straat, maar in de tuin. Voor het raam zit een roodborstje.

Zou ik nu heel anders gaan schrijven?

Gisteren

Ik hoorde een auto.

Ah. Daar was Paul. Met de boodschappen. Even later werd er aangebeld. “Zeker zijn sleutel vergeten,” dacht ik. Ik liep naar de deur. Niemand.

Paul stond aan de overkant van de weg, bij zijn auto. Hij was de boodschappen aan het uitladen. “Belde jij net aan?” riep ik. Paul schudde zijn hoofd. Hm. Dat was gek.

“Zag jij wie er aanbelde?” vroeg ik verder. Paul schudde wederom zijn hoofd. “Wacht,” riep ik. “Ik help je met de boodschappen.” Ik tilde mijn voet op om een stap naar buiten te doen. “Pas op!” riep Paul.

Op dat moment keek ik naar de plek waar mijn voet bijna geland was. Er lag een groot boeket rozen. “Voor mijn Valentijn” las ik.

In de bocht, uit de bocht

Het is onderhand bekend.

Ik ben blessuregevoelig (lees: nogal lomp) en ik hou niet erg van sporten. Aquarobics overleef ik nog net vanwege de gezellige club en de leuke muziek en verder fiets ik regelmatig naar mijn werk. Ik loop naar de supermarkt en neem altijd de trap. That’s it.

Vroeger heb ik altijd aan volleybal gedaan. Daar was ik nog wel aardig goed in. En leuk was ’t ook, met een stel leuke meiden wekelijks een wedstrijdje spelen. Daarna bijkletsen in de kantine. Maar we werden ouder en de club viel uit elkaar. ‘k Heb nooit meer zoiets teruggevonden.
De eerste keer dat ik naar tae kwan do ging kwam ik met een blauw oog terug. De week daarna had ik een geschaafde wang. Daarna mocht ik niet meer. Ik ging naar de sportschool. Samen met een vriendin hield ik dat wel een tijdje uit maar uiteindelijk zaten we vaker aan de bar dan in de zaal.

Na de geboorte van Lizzy sportte ik lang onder begeleiding om gewicht te verliezen. Dat lukte, maar het was te duur om ‘standaard’ te gaan doen. Net als winkelen. Dat is ook goede lichaamsbeweging, maar het is ook nogal duur. Ik moest onderhand toch echt weer eens wat anders verzinnen.

Dus toen vriendin B. met het idee kwam om gewoon elke week een uur ‘a avonds te gaan wandelen (en dan flink doorstappen) vond ik dat een uitstekend idee. Low impact, tijd om de laatste roddels door te nemen en weinig kans op letsel. Dacht ik.

Tot ik gisteravond op de fiets naar onze ‘date’ onwijze onderuit ging in de bocht.

En nu loopt ik mank.