Boze Boodschappen

Wat me nou toch weer gebeurt?!

Sta ik nietsvermoedend bij de afdeling verse vleeswaren van de Super, word ik me toch opeens een partij aanmatigend áángesproken?! Niet normáál meer. “Jij zus-en-zo, jij dit-en-dat,” werkelijk schofferend tot in den tenen. Draai ik me om, even kijken van wie die onbehouwen tekst komt, wat denk je, ligt daar naast de zure zult, een cervelaatworst te schreeuwen! “Gróve cervelaatworst” volgens het stickertje. Nou, en óf hij grof was!

Afijn, dus ik de boel een beetje te sussen. “Moet je dat nou allemaal zo bout zeggen, pummel, kan dat niet wat minder.” Wat denk je dat onbeschoft stuk vreten zegt? Dat ik niet moet zeiken, dat ik dan een maar een stukje verderop moet gaan staan. Dat dáár de záchte en fijne worstsoorten liggen. En maar schelden, niet normáál meer! Wat een primitief stuk vlees. “Je mag wel eens een voorbeeld nemen aan de fijne salami,” zei ik boos.

Nou heb ik heus wel wat meegemaakt, mosterd bijvoorbeeld staat erom bekend dat het flink grof kan zijn. En ik heb wel eens met een roddelende pot pindakaas (“smeuïg tot op de bodem”) en een pak koffie dat overal maling aan had in mijn handen gestaan. Ik weet dat augurken een wat zurig kunnen reageren en dat Amsterdamse uitjes een lelijk accent hebben. Kan ik allemaal begrijpen. Maar zo’n grove worst had ík nog niet meegemaakt.

Twee winkelpaden verder hoorde ik hem nóg. Fulminerend in zijn schap

Advertisements

Slaapwandelen

Van Liz ben ik het gewend.

Die slaapwandelt wel vaker. Kom ik haar opeens tegen op de overloop, maken we een praatje. Vervolgens bonjour ik haar zonder problemen weer richting slaapkamer. No problemo. Maar Bel, dat die ook ’s nachts ommetjes maakt, dat was nieuw voor me.

Eerlijk gezegd ben ik er een beetje van geschrokken. Ik vond haar namelijk bóvenop de commode. Met een glazige blik keek ze over het randje, totaal van de wereld. Toen ik haar eraf tilde vertelde ze een verhaal; compleet onverstaanbaar. Daarna liep ze tegen een muur, haar droom was duidelijk groter dan de werkelijkheid.

Ik probeerde met haar te praten. Haar voorzichtig weer naar bed te krijgen. Maar ze reageerde totaal niet op me. Ze ging op zoek naar iets onder de dekens, pakte onzichtbare dingen en probeerde over de spijlen te klauteren. Ik vertrouwde het voor geen meter, ik had nog nooit iemand ’s nachts zó vreemd zien doen.

Uiteindelijk heb ik haar bij me in bed genomen. Ook daar wilde ze door de muur heen te gaan en bleef ze maar graven onder de kussens. Pas na een hele tijd werd ze rustig en ging liggen. Ik ben pas gaan slapen toen ik haar zacht hoorde snurken.

Pief Paf Poffertje!

Op de rommelmarkt had Paul een poffertjespan gekocht.

Zo’n echte. Zo’n zware zwarte, van gietijzer. Hij was er helemaal mee in zijn nopjes. Tenslotte was hij de béste pannenkoekenbakker van de hele buurt. Dan zou het met zijn poffers ook wel goedkomen! Hij ging meteen naar de Super om mix te halen. En naar Blokker voor een plastik spuitfles. Als mijn man iets doet, dan doet hij het goed.

Dat geldt ook voor het oppoetsen van nieuwe aankopen. Eerst werd de pan met olie ‘schoongekookt’. (Resultaat; geen zicht meer in de keuken vanwege een ontzettende walm) en daarna ging hij hem ‘opschuren’. Ik denk nog: ‘Verstandig. Een beetje poetsen met een schuursponsje’. Maar nee. Toen ik even later naar het lawaai in de kelder ging kijken stond hij daar met de staalborstel van de boormachine op het apparaat te beuken. Complete pan kaalgeschuurd. Het was een wonder dat de pofferputjes nog zíchtbaar waren.

Even later kon het feest beginnen. De eerste lichting minikoekjes lag te bakken. En blééf ook bakken want ze waren met een mogelijkheid meer los van het apparaat te weken. “Dat komt doordat je de anti-aanbak laag eraf hebt geschuurd,” zei ik bijdehand. Snel verliet ik de keuken om te voorkomen dat ik een klets deeg naar mijn hoofd kreeg. Vloekend smoorde Paul de tweede lichting in een flinke laag olie. Dat hielp iets, maar voorkwam niet dat de poffertjes aanbakten. De derde lichting was wederom aangebakken, niet gaar én baggervet. De vierde lichting was de beste; of de ‘minst slechte’. Paul keek inmiddels flink chagrijnig.

De kinderen kregen een bordje voorgezet. Na één hap stonden ze echter alweer in de keuken. “Mogen we een boterham.” En dat terwijl Paul had geprobeerd zijn misbaksels te verstoppen onder een dikke laag poedersuiker. Grommend pakte de koekenbakker de pot pindakaas.

Aan het einde van de dag lag alles in de container. De mislukte deegballen, de spuitfles én de afgeschuurde pan.

Ik denk niet dat wij thuis óóit nog poffertjes eten.

We dansen om de boom

Het sneeuwt roze en witte bloesem.

De lente, die nog maar zo kortgeleden begon, maakt zich op voor de zomer. De natuur strooit kwistig met haar overdaad. Het plein wordt langzaam bedekt met een roze quilt. In de hoeken hopen de pastelkleurige blaadjes zich op. Als bergjes poedersuiker.

Drie meisjes spelen bij de zandbak. De kleinste heeft een parapluutje meegenomen om zich tegen de vallende blaadjes te beschermen. De andere twee heffen zo nu en dan hun handen op om er een paar te vangen. Sommige vlokjes blijven in hun haar hangen. Ze zijn een soort lentefeeën, zo met die slordige bloemenkroontjes.

Een van de meisjes rent naar de grote boom. In het perkje hebben duizenden blaadjes zich verzameld. Het meisje neemt er een greep uit en gooit de blaadjes in de lucht. “Kom!” roept ze naar haar vriendinnen. “Het sneeuwt!” De paraplu blijft eenzaam bij de zandbak liggen.

De meisjes dansen om de boom. Ze gooien de blaadjes in de lucht en huppelen er doorheen. Ze lachen en zingen. Het beeld van de drie gratiën schiet door mijn hoofd. Schoonheid, bevalligheid, genegenheid. Ik bedenk dat de moeder van de gratiën ook een godin was. Meer heb ik niet nodig.

Ik dans mee.

Weird

Van de week werd ik gebeld op mijn werk.

Een meisje – ik schatte haar mijn leeftijd – legde uit dat ze werkte voor een onafhankelijk onderzoeksbureau. Ze vertelde me dat nhet bureau op zoek waren naar mensen op bepaalde posities (in het bedrijfsleven) die wilden meewerken aan een aantal onderzoeken.

Ik stelde haar een paar vragen en besloot naar aanleiding van haar antwoorden dat ik wel wilde meewerken. Ze noteerde mijn e-mailadres en nog wat andere gegevens en net toen ik wilde afsluiten zei ze: “Ik heb ook nog een persoonlijke vraag.” “O?” reageerde.

“Er zijn vast geen twee Esther Vuysters, dus volgens mij lees ik altijd jouw dagboek. Ik vind het zo leuk om te lezen over Lizzy en Annabelletje.” Ik viel even stil. Van zakelijk naar mijn kinderen, binnen twee seconden. “Wat leuk!” riep ik vervolgens verrast. We kletsen wat en verbraken toen de verbinding.

En leuk vond ik het echt! Leuk, verrassend maar ook wel een beetje weird!

Het boek Esther

Ik heb een nieuw projectje.

Gesterkt door het idee dat mijn vakcolumns gebundeld gaan worden, heb ik ook weblogtechnisch de stoute schoenen aangetrokken. De leukste stukjes in een overzicht, soort dagboek in blogjesvorm zegmaar.

Daarvoor ben ik druk aan het selecteren. Welke stukjes zijn wel leuk, welke zijn dat niet. Criterium; het moet echt geschreven zijn in Esther-stijl. En het moesten ‘losse’ verhaaltje zijn. Via het kalendertje hier naast spit ik alles door. Stof genoeg.

En jullie, als vaste lezers, hebben natuurlijk inspraak. Heb je een bepaald stukje (ooit) gelezen waarvan je vindt ‘dat moet er in’, laat het dan even weten. In een reactie of per mail. Maakt het boek er alleen maar leuker op. Een geweldig idee, al zeg ik het zelf.

Nu nog een uitgever overtuigen.

Grapjes van Moeder Natuur

De Siamese Aarbei: twee voor de prijs van één.

Bovenaanzicht.

Zijaanzicht.

Volgens de verpakking betreft het hier overigens ‘smaakaardbeien’. Hoe bijzonder! Heb je ook niet-smaakaarbeien dan? Reukaardbeien? Voelbeien? Ik ken wel aambeien, maar de rest is mij volledig onbekend. Er gaat een wereld voor me open!