Waarschuwing

PAS OP!

U nadert een gebied waarin het mogelijk mooi weer is.

Advertisements

Oma

Ik weet al een tijdje dat het niet goed gaat.

Oma ligt alsmaar op bed, ze eet niet en ze vertoont nog maar weinig tekenen van herkenning. Het kan maar beter voorbij zijn. Maar toch. Ze is wél mijn oma. De moeder van míjn moeder. De omi van mijn kinderen. Het liefste oude mensje van de wereld.

En om dan van de arts te horen dat ‘het stervensproces is ingezet’, nee, daar word ik niet heel blij van. Sterker nog, daar moet ik ernstig van slikken. Het stervensproces is ingezet. Als een mantra blijf ik het zinnetje herhalen.

Het zonnetje schijnt opeens een stuk minder fel.

Op de parkeerplaats

Het is druk op de parkeerplaats.

Auto’s draaien rondjes, op zoek naar een plekje. De meeste mensen rijden onverrichter zake de straat weer op. ‘Misschien toch maar naar een andere supermarkt,’ denken ze. Het is altijd druk op deze parkeerplaats. Behalve ’s ochtends heel vroeg.

Ik stond er al vóór negen uur. Na de boodschappen bij de supermarkt loop ik naar Blokker. Ik koop alvast een paar cadeautjes voor de verjaardag van Annabel. Hebben is hebben, zeg ik altijd. Het is inmiddels tegen tienen als ik de parkeerplaats weer oploop.

Een vrouw van middelbare leeftijd, in een spuuglelijke gele volvo, wil net aan haar ‘rondje’ over de parkeerplaats beginnen. Aan haar gezicht te zien heeft ze er niet al te veel vertrouwen in. Ze kijkt benauwd om zich heen. De parkeerplaats puilt uit.

Ik tik op haar raam. “Als jij nou hier stopt, dan rijd ik eruit en dan mag jij mijn plek hebben,” gesticuleer ik. Maar de vrouw begrijpt me niet. Ze begrijpt alleen dat ik wil dat ze stopt. En dat op een drukke parkeerplaats. Ze draait haar raampje open en doet haar best om niet geïrriteerd te kijken.

“Ik sta daar,” wijs ik als de vrouw me eindelijk kan verstaan. “Als je hier blijft staan kan je er zo inrijden.” Het gezicht van de vrouw klaart op. Van gefrustreerd naar opgelucht. Ze heeft een plek. En ze hoeft alleen maar te blijven staan. “O, wat lief van je,” zegt ze dankbaar.

Als ik weg rij zie ik de vrouw optrekken. Maar niet nadat ze uitgebreid naar me heeft gezwaaid en ongeveer twintig keer haar duim heeft opgestoken.

Mijn dag is weer goed.

In balans

We zochten een vlak stuk gras.

Gelukkig hadden we goefend. Al snel stond er een stevige driepoot. Een soort wigwam van ronde balken. Naast het water. “En nu?” vroeg iemand. “Een balk overdwars. Aan het touw,” riep een ander. “En dan de jerrycan met water aan de ene kant en het schommeltje aan de andere,” besloot een derde teamlid.

Gistermiddag, half drie. Expeditie ASR. We lagen aan kop maar het paarse team zat ons op de hielen. Tijdens de waterproef hadden we tijd gewonnen, deze moesten we nu niet verspelen. We vergeleken ons gewicht. Tot mijn grote verrassing bleek ik de ‘lichtste’ dus mocht ik op het stoeltje. Doel; in balans hangen met de jerrycan, voeten van de vloer voor minimaal elf seconden.

Voorzicht werd de jerrycan verschoven om mijn gewicht te compenseren. Het was precisiewerk. De eerste keer dat ik probeerde ‘los’ te hangen sloeg de balans door en kreeg ik bijna de dwarsbalk op mijn hoofd. “Ik hoop maar dat de organisatie een goede evenementenverzekering heeft afgesloten,” grapte iemand. Het was zachtjes gaan regenen maar niemand merkte het.

De tweede keer dat ik ‘hing’ zwenkte ik bijna de plomp in. “Pas op voor de constructie!” riep iemand. “Constructie?” hijgde ik. “Pas op voor mij!” Maar opeens hing ik. Volkomen in balans met de jerrycan, hangend aan een dwarsbalk over een geïmproviseerde driepoot. Iedereen hield zijn adem in. 1 , 2 , 3 , 4 , 5 , 6 , 7 , 8 , 9 , 10 , 11!

De proef was geslaagd. We waren in evenwicht.

Brutale vlegel!

Lizzy zit op de schommel.

“Ik heb dorst,” zegt ze. Ze zwiert haar benen omhoog. “Nou,” antwoord ik, terwijl ik een uitschieter van de blauwe regen afknip. “Dan loopt je naar binnen en dan pak je een beker. Water erin. Klaar.” Lizzy kijkt me verontwaardigd aan. Het schommelen stopt. “Moet ik dat zelf doen,” vraagt ze met enige minachting. Ik knik en richt mijn blik weer op de blauwe regen. “Nou zeg,” moppert Lizzy.

“Het is toch geen moederdag of zo?!”

Heb ik weer

Gistermiddag was ik druk.

Alle kasten leeggehaald. Winterkleren eruit, zomerkleren erin. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Buiten was het vijfentwintig graden, héérlijk. Hup, lange mouwen eruit, korte mouwen erin. Jurkjes, korte broekjes, kom maar op. Luchtig mocht weer. Sterker nog, het móest weer!

Aan het einde van de dag was ik uitgeput. “Ik hebg oed werk gedaan,” zei ik tegen Paul. “Alle kasten zijn zomerproof. Weg met de vesten en de lange broeken.” Paul keek op van het journaal. “Goed man,” zei hij. “Ik hoor alleen net dat het morgen maar zestien graden wordt.” “Echt?”

“Echt. Met storm. En regen. En hagel.”

Ons huis

“Ik was twee jaar toen ik hier kwam wonen.”

De vrouw wijst op mijn huis. “En nu is ze achtentachtig,” vult haar dochter aan. De oude vrouw is zojuist, geholpen door haar dochter en schoonzoon, uit de auto gestapt. “Ik logeerde hier bij mijn opa en oma,” vertelt de dochter. “Dáár in dat kleine kamertje.” Ik hoef niet te kijken om te weten welk kamertje ze bedoelt. “Daar slaapt mijn jongste dochter nu,” zeg ik.

Ze wonen nu in Nijmegen. Ze waren in de buurt. “We zijn al vaker langsgereden,” vertelt de enige man in het driekoppige gezelschap. “Mijn vrouw en mijn schoonmoeder hebben veel met dit huis.” “Ik ook,” glimlach ik. “Maar waarom komt u niet even binnen?” De ogen van de oude vrouw gaan glimmen. “Echt?”

We beginnen in de woonkamer. “Mijn moeder kwam hier met haar ouders wonen vlak na de eerste wereldoorlog,” vertelt de dochter. “Ze was toen twee. Ze ging uit huis net vóór de tweede wereldoorlog.” Er komen veel vragen bij me op. Ik weet niet waar ik moet beginnen. “Dit was kamer-en-suite,” zegt de oude vrouw. “Het ziet er zo veel ruimer uit.”

We bekijken de keuken en de kelder. “Het verhaal gaat dat er in de tweede wereldoorlog onderduikers in de kelder zaten,” zeg ik. De oude vrouw knikt. “Je kon onder alle huizen doorlopen via de kelders. Er zaten onderduikers. En dat in het hol van de leeuw. Het hoofdkwartier van de Duitsers was hier tegenover, in de school.” Ik kijk van moeder naar dochter. Het verleden herleeft. Mijn huis vertelt.

“Mijn broer verzamelde koperen spullen en munitie,” gaat de vrouw verder. “Vanwege de invallen heeft hij alles begraven. Later kon hij het niet meer terugvinden.” Van verbazing schiet ik in de lach. “Dit gelooft u nooit,” zeg ik. “Maar mijn man heeft het opgegraven. Twee jaar geleden vlak bij de poort in de tuin. Er zaten mortierkoppen bij en de Explosieve Opruiming Dienst moest er aan te pas komen.” De man in het gezelschap zet grote ogen op. “Echt?” Ik knik. De oude vrouw lacht. “Tja, mijn broer was me er een.”

We zijn inmiddels de tuin weer ingelopen. De kinderen spelen in een badje. “Ben jij een omi?” vraagt Annabel aan de oude vrouw. “Ja,” bevestigt zij. “Maar toen ik hier woonde was ik net zo klein als jij.” Annabel kijkt haar ongelovig aan. “En ik,” ging de dochter verder. “Ik logeerde in dit huis bij míjn opa en oma.” Annabel rent weg om het verhaal aan Lizzy te vertellen. “En van mijn opa mocht ik nooit de kelder in,” gaat de dochter verder. “Ik heb het nooit begrepen.” Ze is even stil en zegt dan: “Maar nu heb ik er tóch lekker een keer gekeken!”