Einde in zicht

Het is zover.

Vanavond gaan mijn blaar en ik op vakantie. Paul en de kinderen gaan ook mee. We rijden ’s nachts omdat Paul – heel onheilspellend – een ‘zwarter dan zwarte’ zaterdag heeft voorspeld. Om te voorkomen dat we morgen ten onder gaan in een blikken mierenhoop, stappen we na het avondeten in de auto.

De koffers staan nog in de kelder. Zo meteen ga ik ze halen. Zoals elk jaar veeg ik eerst het stof er af; het symbolische begin van de vakantie. Daarna stuur ik de kletsen naar oma en Paul naar de benzinepomp (om de auto te checken). Vervolgens gaat Es-kofferstress aan het werk; niemand mag mij daarbij storen.

Vanavond laden we alles in de auto. Volgens Paul past alles er makkelijk in. Natuurlijk, hij pakt de koffers niet in. (“Zoveel nemen we toch niet mee?”) Zoals elk jaar zal dat weer flink tegenvallen. En zoals elk jaar zal ik hem vragen of hij zijn zwembroek heeft (ja) en zijn scheerapparaat (nee). En dan, hop hop, naar ’t zuiden.

Of zal ik nog één keer het gas checken?

Advertisements

Op afspraak

Ik dacht eerst, ik loop wel.

Maar zo lekker zaten die schoenen nou óók weer niet. En tram 9 kwam er net aan. Vooruit, dan toch maar met het openbaar vervoer. Bij het Muntplein stapte ik uit; kon ik bij de V&D nog even plassen. Altijd zo suf om op een afspraak meteen naar de WC te rennen.

Toen ik de V&D weer uitliep, bemerkte ik de regen. Bij een souvenirshop kocht ik een paraplu. Ik had niet voor niets mijn haar zo netjes in model geföhnd. Geen zin om mezelf kletsnat te presenteren. Ik passeerde de Herengracht. Er ontwikkelde zich een blaar op mijn kleine teen.

Twee uur en een goed gesprek later stond ik weer buiten. Geen regen meer. Zon. Ik haalde diep adem en voorzichtig liep ik terug naar de Vijzelstraat. De blaar op mijn teen was ondertussen opengeschuurd. Auw! Tegen de tijd dat ik de tramhalte bereikte, kon ik alleen nog strompelen.

Op het Centraal Station trok ik een schoen uit. De blaar was killing me. Op één pump en één blote voet liep ik de stationshal door. Op een bankje zat een jongen een joint te draaien. “Heeft u uw enkel verstuikt” vroeg hij bezorgd. “Blaar,” zei ik, terwijl ik met de schoen in mijn hand naar mijn blote voet wees.

In gedachten zag ik mezelf lopen. Een verhit blond meisje op één blote voet. Met een schoen in haar hand en een roze paraplu onder haar arm. En ik geef toe, ik heb ze wel eens charmanter gezien. Maar eerlijk gezegd kon het me weinig schelen. Ik kon op dat moment maar aan één ding denken.

Ze zagen mijn boek zitten!

Kriebelaartje

Ik sta aan het bureau van mijn broer.

“Kan jij even naar dit dossier kijken?” Ik leg een stapel papieren neer. Mijn broer rommelt wat met de documenten en begint te lezen. Terwijl hij de contracten bestudeert, dwaalt mijn blik af. Op het bureau loopt een spin. Een kleintje.

Het spinnetje wandelt over een telefoonnotitie en een post-it. Aan de rand van het bureau laat het zich voorzichtig naar beneden zakken. “Hm,” mompelt mijn broer, diep in gedachten. Hij slaat een blaadje om. Het spinnetje landt op mijn broers linkerbovenbeen.

Luttele seconden later, mijn broer is nog immer lezende, kruipt de spin langs de binnenkant van het dijbeen omhoog. Er zitten een paar kreukels in de broek, zie ik. Het spinnetje gaat er moeiteloos overheen. Op dat moment merkt mijn broer mijn starende blik op.

“Wat zit je te kijken?” Ik wijs naar beneden. “Er zit een spin op je broek.” Mijn broer kijk naar de plaats waar ik naar wijs. Het spinnetje heeft zich inmiddels opgewerkt tot mijn broers gulp. “Ja,” zegt mijn broer. Hij staart verstrooid naar zijn gulp.

“Het is een kruisspin.”

The Gang

Girrrrl powerrrrr

Gesprek

“Pas op Elena, er zit heet water in het badje.”
“Lena ín!”
“Nee, er moet nog koud water bij.”
“Lena ín!”
“Schatje, het water in het badje is héét.”
“Heet?”
“Ja. Heet. Auw auw.”

Elena buigt zich over de rand van het opblaasbadje
en begint – puf puf puf – te blazen.

Lizzy: “Echt lachen met Elena!”
Annabel: “Ja, wat een neuswijs.”

Het perpetuum mobile van de zomer

Zaterdagavond, barbecueavond.

“Niet teveel inkopen,” riep ik nog. Maar daar trok Paul zich natuurlijk niets van aan. Kippenpootjes, worstjes, hamburgers. Er lag alweer genoeg vlees in de koelkast om een beginnend vegetariër de stuipen op het lijf te jagen.

En hoewel het bezoek flink zijn best deed, zaten we toch met een vleesoverschot. De salades waren op, de maïs ook, maar evengoed lag er nog een aardige voorraad voedsel in de koelkast. “Misschien willen de buren helpen vanavond,” opperde Paul.

Aldus werd een nieuw festijn gepland. Enige probleem: de kolen waren bijna op. “Maakt niet uit,” zei Paul. “Ik zag net dat de Super open is. Ik haal ze wel even.” “Neem dan nog wat sla mee,” riep ik hem na. “En tomaten.”

En zo kwam Paul wederom thuis met een goed gevulde boodschappentas. Voor de zekerheid had hij nog maar wat extra hamburgers gekocht. En wat kippenpootjes. “Lullig als er te weinig is,” zei hij. Hij stak de barbecue aan. De pret kon (weer) beginnen.

Wederom sloten we de avond af met een vleesoverschot. Zuchtend bestudeerde ik vanochtend de uitpuilende koelkastinhoud. “Vanavond de ander buren?” stelde Paul voor. Ik zag hem vergenoegd in zijn handen wrijven. En toen wist ik het zeker.

Hij deed het expres.

Held van de dag

Het was een ondiep meertje.

Annabel had er al doorheen gelopen, in haar badpak. Lizzy had nog geen zin. Die lag lui te zijn, naast me, op een soort strandstoel. Verderop speelde een meisje van een jaar of tien ‘hulpverlenertje’ met haar broertje. Om de beurt moesten ze elkaar redden.

Annabel stond met haar rug naar het water toen het meisje begon te schreeuwen. Dit keer lag ze gestrekt in het midden van het meertje. Buik op de grond (onzichtbaar door het troebele water), trappelend met haar voeten. “Help, help,” riep ze speels. “Ik verdrink.”

Annabel draaide zich geschrokken om, zag het meisje en beende ze weg. Ze plaste door het water tot ze naast het schreeuwende en spetterende kind stond. Het water kwam nauwelijks tot haar knieën. Annabel tikte het meisje op de schouder. “Zeg,” zei ze rustig. “Je kunt hier stáán hoor.”

Ik had geen lintjes bij me. Dus gaf ik haar een Fristi.

Aantrekkingskracht

Ik had het kunnen weten.

Dat ik het beter niet kon doen. Maar ik was ‘m nou eenmaal
aan het lezen. En ik wilde in bad.

Het kwam uiteraard niet door mijn onvolprezen onhandigheid,
maar door de aantrekkingskracht van het water.

Het boek bleek niet waterproof.
(Wat eigenlijk vreemd is.)

Kan ik ‘m van iemand lenen, ik moest nog vijftig pagina’s.