Doe mij maar koffie

“Nou, ik ben wél aan de beurt zeg!”

Mopperend kom ik het kantoor binnen. Mijn broer kijkt me verbaasd aan. “Koffie, Es?” Terwijl ik knik, vit ik door: “Gisteren al dat gezeur met die auto, en nu is mijn telefoon weer kapot.” “Je nieuwe?” Ik knik weer. “Ja, die glóednieuwe ja.”

Mijn broer geeft me een kop koffie en neemt de dode telefoon van me over. “Het schermpje licht wel even op,” zegt hij. “Maar hij gaat meteen weer uit.” Ik neem een slokje koffie. “Ja,” zeg ik. “En nou moet ik weer terug naar die Hork van de telecomwinkel.”

“Kan het zijn,” zegt mijn broer bedenkelijk. “Dat de batterij leeg is?” “Batterij?” herhaal ik onnozel. “Ja,” zegt mijn broer. “Heb je hem al eens opgeladen sinds je hem gekocht hebt?” “Euh. Opgeladen?” Ik voel mijn wangen rood worden wanneer ik de oplader uit de doos vis.

Het einde van het verhaal mag u vandaag zelf bedenken.

Advertisements

Een slepend verhaal

Daar stond ik dan.

Voor het stoplicht op een drukke weg. Met een afgeslagen motor. Ik startte opnieuw, de auto gaf nog een laatste rochel en gaf er toen definitief de brui aan. Flatline. Gelukkig liep de weg omlaag. Voorzichtig liet ik de auto uitrollen en stuurde de berm in. Daar had ik tijd om na te denken.

Ik stond tegenover het politiebureau. Ergens hoopte ik dat er een stuk of wat agenten te hulp zouden snellen, maar nee. Al die tijd dat ik daar stond kwam er niemand. Geen van de primaten kwam kijken waarom er een groen peugeotje in het gras stond. Tot zover ‘meer blauw op straat’.

Geen lid van de ANWB. Ik kon mijn ‘zielig meisjesblik’ opzetten, maar dan? Ik wist niet veel van auto’s, maar dit klonk niet als een lekke band. Ik overwoog om zelf onder de motorkap kijken, maar de waarheid was, ik wist niet eens hoe dat ding open ging. Een sleepdienst dan? Dat ging flink geld kosten.

En dus gedroeg ik me weer eens buitengewoon ongeëmancipeerd en belde Paul. Die kwam, zag en sleepte me weg. (Een geheel nieuwe ervaring om achter het stuur te zitten van een gesleepte auto.) Ik hoopte alsnog dat er een agent naar buiten zou komen om te vragen ‘of ik pech had’, zodat ik kon zeggen: “Nee hoor, dit spaart benzine.”

Toen de auto bij de garage stond, stapte ik in bij Paul. (“Maak die kabel maar vast aan je riem, dan sleep ik je naar huis.”) “Waar ging je eigenlijk heen,” vroeg Paul toen we bijna thuis waren. Ik zuchtte en legde uit dat ik op weg was naar de sportschool. Paul keek me van opzij aan, lachte, en zei toen: “Jij doet ook álles om niet te hoeven sporten hè?”

Een heerlijk herfstig weekend

“Het is zo mooi buiten,” zegt Lizzy.

“Het is zo lekker binnen,” zegt Annabel. Overdag spelen de kinderen op het schoolplein (en zit ik met een boek in de tuin). ’s Avonds doen we een spelletje. Met de kaarsjes aan. We bakken een hazelnootcake en eten pompoensoep. Met de herfst in ons buik gaan we slapen.

’s Ochtends vroeg open ik de tuindeuren. De lucht ruikt fris en kruidig. “We gaan lekker lunchen op een terrasje,” zeg ik tegen de meiden. ” We zoeken gekleurde blaadjes. Ik moet denken aan vroeger. Op school maakten we kunstwerken van ecoline en herfstbladeren. Met een zeefje en een oude tandenborstel

De herfst is mooi in al zijn facetten. De nerven zijn droog en karakteristiek. .“Ik zie een echte kabouterpaddestoel,” roept Lizzy. Ze wijst op een prachtige vliegezwam. Een streep goudkleurig licht valt door het bladerdek. Annabel maakt ‘sneeuw’ van losse blaadjes. “Ik vind de herfst super,” roept Lizzy. “Ik ook,” knikt Annabel. Ze kijkt langs me heen het bos in.

“Mamma,” zegt ze dan. “Denk je dat de kastanjes al tam zijn?”

Langs de weg

En daar lag ik, gewoon bij het vuil.

Frutas Esther.

Ik vraag me nu toch af wat voor fruit ik was. Vast een heel rijp en sappig soort. Een zoete, vlezige vrucht. Het kunnen ook toffe peren zijn geweest. (Volgens Paul betrof het hier mogelijk een doos klessebessen.) Ach ja, wie zal het zeggen.

De voorstelling

De kletsen waren totaal níet moe.

De sportdag ten spijt, ‘s avonds werd ik gewoon weer getrakteerd op een voorstelling. Van onder een deken (gespannen tussen een kist en de vensterbank) verscheen steeds een hand, met daarin een poppetje dat een verhaal vertelde. Af en toe kwam Lizzy onder deken uit om te vertellen dat we naar een volgend ‘level’ gingen.

Annabel, zowel Bel-esprit als spreekstalmeester, zei: “Mijn collega gaat nu verder.” Lizzy’s stem klonk vanonder de deken. Ik zat gniffelend in mijn stoel en hoorde het ruzieachtige gefluister aan. Het hoofd van Annabel verscheen. “Ze mogen je niet zien,” siste Lizzy. “Ik kan er niet bij, kan ik het helpen dat ik klein ben,” mopperde Annabel.

Tijdens de grande finale moest de zaal ‘heel erg stil’ zijn. De gordijnen waren dicht (om de deken en de kist heen) en er klonk allerhande gerommel. Ik zat rustig te wachten toen er plots een harde pok, gevolgd door een flinke ‘auw’ klonk. “Wat is er” vroeg Lizzy verschrikt. Waarop ik de Bel-esprit hoorde fluisteren: “Man, ik stoot me kop!”

Nieuwe telefoon

Ik heb een nieuwe telefoon.

Ik moest wel. De vorige, een samsung Ladyphone, was na een hartstilstand in een coma geraakt en vervolgens overleden. Van de KPN mocht ik een nieuwe uitzoeken. Geholpen door de grootste hork óóit. Toen ik opmerkte dat E. Vuijsters op het contract toch echt géén man was, merkt hij droog op: “Ja, nu je het zegt.” Wat een lul.

Afijn, veel informatie kreeg ik niet van de hork, dus heb ik maar een gezellig Nokiaatje uitgezocht. Blijkt een onding! Springt constant op toetsenbordvergrendeling en het scherm kantelt alle kanten op. Ik word er helemaal dronken van! Per ongeluk de muziek aan gezet, die kreeg ik niet meer uit. “Ik flikker hem uit het raam!” riep ik gestresst.

Uiteindelijk heeft mijn broer het apparaat onder handen genomen. Ik kan er nu in ieder geval mee bellen. En het scherm blijft in normale positie. Maar ik heb nog steeds ruzie met het toetsenbord. ‘t Apparaat heeft net zo’n waardeloze instelling als de hork die hem aan me heeft verkocht. En het állervervelendst; hij heeft andere beltonen dan mijn oude telefoon. Dat wordt dus ergernis de komende tijd. Over al die mensen die hun telefoon maar niet opnemen.

Om later te zien dat ik zelf een paar gemiste oproepen heb.