Samen spelen

Vanmorgen op het schoolplein.

Meisje één: “Kom je vanmiddag bij me spelen?”
Meisje twee: “Nee, de oppas brengt me uit school naar tennis.”
Meisje één: “O. Daarna dan?”
Meisje twee: “Daarna moet ik naar pianoles.”

Meisje één: “Morgen dan?”
Meisje twee: “Dan moet ik naar de B.S.O.”
Meisje één: “Vrijdag? Dan zijn we vrij!”
Meisje twee: “Ik ga logeren. Mijn ouders zijn het weekend weg.”
Meisje één: “O. Jammer zeg.”
Meisje twee: “Ja.”

Zeg nou eens eerlijk, dit is toch gewoon zíelig!

Zo moeder, zo …

Diploma A en B zijn onderverdeeld in fasen.
Wanneer een kind start met zwemles, krijgt hij of zij een grote gekleurde vis. Zeven schubben ontbreken. Wanneer een fase met succes wordt afgerond, mag het kind een ‘schubje’ uitzoeken. Het is elke les weer spannend wie er dóór mag naar de volgende groep.

De lessen zijn verspreid over de verschillende baden. Elke fase heeft zijn eigen bad. Annabel zwemt momenteel in het ‘dolfijnbad’. Hetzelfde bad waarin ik sinds jaar en dag op maandagavond mijn aquarobiclesjes volg. Sinds de Kleine Klets dát weet, heeft vraagt ze met enige regelmaat op dinsdag of ik ‘al een schubje’ heb gekregen. Ik speel het spelletje altijd mee en schud een beetje droevig mijn hoofd.

Ieder kind doorloopt de fasen in zijn of haar eigen tempo.
Waar Lizzy met een goed jaar voor zowel A als B kon afzwemmen, spettert Annabel na driekwart jaar nog steeds vrolijk rond in fase twéé. Ze heeft inmiddels niet zo’n zin meer in de zwemles maar echt problemen heeft ze er niet mee. “Ze lijkt het wel best te vinden zo,” zei ik onlangs nog tegen Paul. “Maar dáárvoor zit natuurlijk niet elke week in die chloorlucht!”

Gistermiddag, net terug van zwemles, ontspon zich een gesprek op de bank. Ik stond te koken en hoorde Lizzy vragen of Annabel het niet vervelend vond dat ze nog steeds in fase twee zat. “Nee hoor,” zei Annabel. “Want meer dan je best kan je niet doen.” Ik dacht eigenlijk dat de dames al waren overgestapt op een ander onderwerp toen ik toch weer het woord ‘zwemles’ hoorde. Ik liep de kamer binnen en zag Annabel zich naar Lizzy buigen. “Ach, weet je,” hoorde ik haar samenzweerderig fluisteren: “Mámma zit ook al héél lang in fase twee.”

Goeie actie!

Het was een actie van Kellogg’s.

“Knip de bon uit,” stond er op het pak. “En stuur deze – samen met een aan jezelf geadresseerde envelop – naar onderstaand adres.” De opbrengst: twee bioscoopkaartjes. Gratis en voor niets. Ik, de personificatie van marketinggedrag, sloeg natuurlijk direct aan het knippen.

De eerste keer dat ik de bonnen opstuurde ging er iets fout. De volgende dag had ik al post. “Wat raar,” dacht ik. “Zo snel.” Maar zo raar was dat niet. In de door mijzelf geschreven envelop zaten: – de twee uitgeknipte bonnen en – een gevouwen envelop gericht aan kellogg’s. Geweldig. Ik was weer terug bij af.

De tweede keer dat ik de boel verstuurde hoorde ik niets meer. “Lekkere actie,” dacht ik. “Die is natuurlijk inmiddels afgelopen en dan laten ze gewoon niets meer van zich horen.” Alle films die ik had willen zien waren onderhand alweer de bioscoop uit. Maar ik had te snel geoordeeld; vorige week vielen de coupons in bus.

Het nadeel was alleen dat de kaartjes maar een week geldig waren. Ik piekerde me suf wanneer ik de bios zou bezoeken. Ik had nogal een drukke week. Uiteindelijk kwam de oplossing in de vorm van vriendin F. Vriendin F. zou ’s zondags komen en vriendin F. bood zich spontaan aan.

Goed. Ik reserveerde de film (middagvoorstelling, we moesten namelijk ook nog uiteten) en vroeg Paul de kaartjes te halen terwijl ik met Lizzy naar een kledingbeurs ging. Zo gezegd zo gedaan. Zaterdag kwam en ging. Paul haalde de kaartjes (samen met Annabel) en ik kocht ‘nieuwe’ kleren voor Lizzy.

Zondag, einde van de ochtend, ontdekte ik de fout: ik was helemaal vergeten tegen Paul te zeggen dat ik twee coupons had liggen. Ik had hem de coupons mee moeten geven natuurlijk. Nu wist hij nergens van. Hij had gewoon de kaartjes voor me opgehaald. En betaald.

Gratis af te halen: twee bioscoopkaartjes. Alleen vandaag geldig.

Oeps

Paul maakt de post van gisteren open.

“Wat raar,” zegt hij. “Ik heb een bekeuring voor te hard rijden.”
“O,” zeg ik. “Dat is toch niet zo raar?!”
“Jawel,” zegt Paul. “Ik ben geflitst in Arnhem. En daar ben ik helemaal niet geweest.”

Ik roer aandacht in mijn cappuccino.

“Maar ik wel.”

avond – Utrecht

Sappig, mals, vol smaak, ouderwets met een botersaus en wit tijgerbrood om te soppen. Net zoals vroeger, alleen staat bij avond de pan niet op tafel.

We hebben het hier over de heerlijke tournedos die avond na avond in Utrechts nieuwste aanwinst wordt geserveerd. Zo sappig en lekker als de tournedos is helaas de rest van de gerechten niet. Van de menukaart, die regelmatig wisselt (behalve…. jawel de tournedos), is de parelhoen droog en taai en weet ook de schelvis ons niet te bekoren. Jammer, want de bediening is geweldig, daar ligt het zeker niet aan.

Waarom dan toch naar avond? Omdat er voorheen een scoutingbureau zat voor mooie mensen en dat kan niet anders dan een positief effect op het restaurant en haar crowd hebben. Omdat je het gevoel hebt alsof je in de lounge van een hip hotel bent beland waar je de hele avond wijntjes en Gin Tonics wil drinken en dat ook kan. Omdat je er vanaf vier uur (in de weekenden vanaf drie uur) uitgebreid kan borrelen. Omdat de sfeer ontspannen is en de jonge dertigers die er zitten dat kunnen waarderen. Zeker omdat op deze locatie (Janskerkhof) vooral studentikoze uitgaansplekken zijn. En vanwege die tournedos dus…

avond
Janskerkhof 23
3512 BN Utrecht
030 – 2300430
www.avond.nu

Open voor diner: Ma | Di | Wo | Do | Vr | Za | Zo

Door: www.specialbite.com

Pasen nadert

Tijd voor de Grote Discussie.

Want wat is er waar aan het verhaal ‘dat Jezus gestorven is aan het kruis.’ “En waarom gaan wij nooit naar de kerk?” De Kletsen zitten op een Katholieke school, dus behalve kuikentjes en krokusbolletjes komen er wel eens wederopstandingen een brandende braamstruiken voorbij.

“In den beginne,” zeg ik dan altijd tegen de Kletsen “was de aarde woest en ledig.” (Want dat vind ik zo’n mooie zin!) “De rest van de verhalen over God en Jezus moeten jullie met een korreltje zout nemen. Verhalen zijn namelijk meestal ‘ongeveer’ waar, maar bijna nooit helemaal.” (Hiermee geef ik vast een kleine aanzet tot het ontmaskeren van Sinterklaas.) Ik vertel dat Jezus wél echt heeft bestaan maar dat de verhalen over hem een beetje overdreven zijn.

De Jezusvraag wordt meestal gevolgd door de Godvraag: “ Bestaat God en heeft Hij de wereld gemaakt?” Dat vind ik altijd een lastige. Ik heb persoonlijk niets met religie. En God, tja, God is in mijn ogen een soort oerkracht die in elke vezel van ons lijf huist. God is een aforisme. Schepper en geschapene tegelijk. Maar goed. Om dit soort meta-geklets nou voor de voeten van mijn kinderen te gooien…

Dus eindig ik meestal met de stelling dat God de Natuur is. “Want de Natuur kan alles maken en ook alles weer kapotmaken.” (Ze weten van Haïti, dat maakt mijn verhaal heel geloofwaardig.) “Als je goed om je heen kijkt, zie en voel je de Natuur overal. In de bloesem, in de bloemen en in de mensen.” (Doet het altijd heel goed in de lente, dit verhaal.)

De kletsen zijn er tevreden mee. Mijn uitleg haalt de scherpe randjes van het Paasverhaal af en geeft de kinderen alle ruimte. En dat is ook wat ik wil. Historische figuren hebben hun stempel op de tijd gedrukt maar dat wil niet zeggen dat we ze ook direct moeten gelóven. En dat Annabel inmiddels haar eigen draai aan het verhaal heeft gegeven blijkt wel uit haar overtuiging: “Nou, ik geloof wel in God hoor. Maar niet in Jezus.

Eindelijk lente!

Vandaag wordt het twintig graden!

Twintig graden, goh, twíntig graden! Dan denk ik aan terrasjes, klapstoeltjes in de tuin en openstaande terrasdeuren. Dan begin ik voorzichtig aan koude biertjes en gekoelde witte wijn te denken. Dan ga ik wérkelijk geloven dat de sneeuw niet meer terugkomt en dat de zon binnenkort hoog aan de hemel staat.

De kletsen hebben er zin ‘an. Uren brengen ze door op het schoolplein, op skates, en met stoepkrijt. Ineens hoor ik overal kinderstemmen. Voor mijn huis, in de orangerie, op straat, op het plein. Ze dansen om de uitbottende bomen. En natúúrlijk slaan ze een beetje door. Daar zijn het kinderen voor. Zonder jas, oké, maar ze willen op hun slippers. Annabel wil haar zomerjurk aan en Lizzy een korte broek.

Afijn, iedereen heeft de lente in zijn kop. Van de groenteboer tot de accountmanager. We fleuren op bij de gedachte aan roze bloesems en Rokjesdag. “Je mag zonder jas,” heb ik tegen de kinderen gezegd. “Maar voor de rest moet alles bedekt zijn.” Ze gingen zich tóch verkleden en ergens op zolder vonden ze mijn oude laarzen terug. “Mogen we zo naar buiten?” Ach, zoals ik al zei, iedereen heeft de lente in zijn kop.*

* Let vooral op de ‘stoere’ blik van Annabel!

Broodje (niet-)Aap

Vorig jaar kreeg Paul een scheurkalender 2010.

Eén met broodje aap verhalen. Voor elke dag een broodje. Ik borg de kalender op in de kelder en vergat hem. Onlangs, bij het opgraven van de paasspullen, vond ik de kalender terug. Je snapt, we hadden in te halen.

Nooit gedacht dat die scheurkalender zó vermakelijk zou zijn! Niet alleen zijn al die broodjes aap (Waargebeurd? Ja of Nee?) heerlijk om te lezen, ik lees er ook mijn hele jeugd (c.q. schooltijd) in terug!

– Bailey’s en tonic (de combinatie) drinken is dodelijk (niet waar).
– Een stuiver lost op in Coca Cola (niet waar).
– Een mens slikt per jaar acht spinnen in (niet waar).
– Geestelijk gehandicapte ontvoert pinguïn uit dierentuin (niet waar)
– Na een vakantie in Afrika blijft meisje met een bultje zitten dat steeds groter wordt. Uiteindelijk barst het gezwel open en komen er honderden spinnetjes uit (niet waar)
– Amerikaanse truckchauffeur vliegt op 3000 m hoogte in een tuinstoel waaraan hij heliumgevulde weerballonnen heeft vastgebonden (waar)

En dan al die schoolverhalen!

Leerling is slecht in taal, moet een opstel schrijven over ‘Lef’, levert een leeg blaadje in met alleen de zin: “Dít is lef!” en krijgt een tien. In Venlo woonde een vrouw die ‘Mien Billekes-Jeuken’ heette. En heb je al gehoord van dat meisje? Ze zat een paar klassen hoger dan wij en ze ging op vakantie naar Spanje. Ze had onbeschermde sex en kreeg een kaartje mee van haar vakantieliefde. Dat mocht ze pas thuis lezen. Op dat kaartje stond: “Gefeliciteerd, je hebt nu aids.” En ze had het echt!

Ik heb ze allemaal gehoord en ja, ik geloofde ze allemaal. Ze waren bij mij op school gebeurd, het was een vriendin van een vriendin etcetera. Geweldig om allemaal terug te lezen, wat ben ik eigenlijk altijd goedgelovig geweest! Het mooiste broodje aap verhaal (die kende ik nog niet) is dat van de kies en de tomatenplant.

Een vrouw op leeftijd laat haar kiezen trekken en krijgt een kunstgebit. Na een tijdje begint haar kaak pijnlijk aan te voelen en gaat ze terug naar de tandarts. Aan de buitenkant is niets te zien dus maakt de tandarts een foto. Wat blijkt; in het gat waar de kies gezeten heeft is een tomatenzaadje gaan ontkiemen. De wortels zijn de kaak ingegroeid en zitten tot aan de halswervel.

Onzin natuurlijk maar wát een gaaf verhaal. Ik zie het helemaal voor me.

Terug naar de realiteit.
Sommige verhalen blijken ook gewoon wél waar te zijn, aldus de kalender. Helaas, voeg ik daaraan toe. Want er is écht een keer een peuter levend begraven door zijn vriendjes (ze speelden begrafenisje) en in de gebruiksaanwijzing van een buggy stond echt: “Kind verwijderend voor opvouwen”. De realiteit is soms zo bizar dat hij de fantasie naar de kroon steekt.

Dat blijkt ook uit mijn persoonlijke broodje niet-Aap verhaal over mijn vriendin S. en haar huisdier.

Bij S. thuis hadden ze een grasparkiet. Die vloog altijd los. De vader van S. was een (nogal onhandige) huisman en op een dag zoog hij de parkiet op. Geschrokken rukte hij de stofzuiger open en scheurde de stofzak. De parkiet kwam er levend maar volkomen kaal uit. Geen veertje meer op zijn kont. De parkiet heeft nog jaren geleefd maar hij heeft nooit meer kunnen vliegen.

Echt waar, echt gebeurd, ‘k heb de kale parkiet zelf gezien. En ik ben er van overtuigd dat iedereen wel zo’n verhaal heeft, leuk, bijzonder en tóch echt gebeurd.

Heb je er een, zo’n broodje niet-Aapverhaal? Uit je eigen familie of zelf meegemaakt? Doe ons een groot plezier, vertel het ons!

Beste mensen van de Politie

Ik hou van bevestiging.

Dat had ik als kind al. Ik wilde altijd weten ‘of het voor een cijfer’ was. Scoorde beter naarmate proefwerkweek dichterbij kwam en presteerde het best onder druk.

Spreekbeurten en werkstukken waren mijn favoriet. Een op een aandacht van de docent(en) en voor het oog van de klas mijn beste beentje voorzetten.

(Al deed ik natuurlijk altijd alsof het me allemaal niets kon schelen.)

Nog steeds hou ik van controle. Het is niet voor niets dat ik (deels) freelancer ben en graag met deadlines werk. Het is geen toeval dat ik een weblog schrijf en reacties van lezers uitlok; ik ben zesendertig maar wil nog steeds graag horen dat ik het ‘goed’ doe.

Ik koop altijd netjes een kaartje in de trein. En baal dan als ik niet gecontroleerd word, enkel en alleen omdat ik zo graag wil laten zien dat ik het allemaal volgens het boekje doe. Zo ben ik. Zo zal ik altijd zijn. Sterker nog, ik heb het nodig. Die bevestiging.

En dus, BESTE MENSEN VAN DE POLITIE, als ik dan weer eens om drie uur ’s nachts ZO NUCHTER ALS EEN AAP naar huis BOB, dan WIL IK GRAAG OOK eens een complimentje. Want dat ik niet met twee wielen op de stoep mag parkeren, DAT weet ik nou onderhand wel.

DUS DE EERSTVOLGENDE KEER dat ik in mijn groene peugeotje kaarsrecht over de A1 naar huis rijd,

LAAT MIJ DAN OOK EENS BLAZEN!