Kletsengeklets

Maandagochtend. Regen. Dat vraagt om iets vrolijks.

Ik vond dit weekend mijn uitsprakenboekje terug. En omdat ik niets beters te doen had, heb ik ze allemaal overgetypt. Hieronder de leukste Kletsenquotes.

Ik doe Annabel in bad.
Lizzy (2,5): “Mamma, waar is die wasknijper?”
Ik: “Wasknijper?”
Lizzy: “Die Annabel aanhad toen ze werd geboren.”
(Navelklemmetje)

Lizzy (2,5) : “Mamma! Annabel liet een hik!”

Lizzy (2,5) tegen een vriendinnetje: “Blijf eens van Annabel af. Straks gaat ze kapot.”

Lizzy: “Mamma, Annabel moet heel nodig spugen!”

Paul: “Ga je mee boodschappen doen?”
Lizzy (2,5): “Nee.”
Paul: “Ach kom, dat is een leuk uitje.”
Lizzy: “Maar daar moet ik zo van húilen!”
Paul: “Wat? Van boodschappen doen?”
Lizzy: “Nee, van uitjes!”

Ik: “Lizzy, de box is géén klimtoestel.”
Lizzy: “Nee. De box is géén klimfototoestel.”

Lizzy (3) “Mamma, mag ik slapen met mijn blootje aan?’

Lizzy (3) over boomstronken in het bos: “Zijn de bomen gestolen?”

Lizzy (3): “Ze hebben geen ruzie meer. Ze zijn weer blij op elkaar.”

Paul speelt een spelletje op de computer en roept: “Shít!”
Lizzy: “Wacht, ik kom kijken!”
– Werpt een blik op de computer –
Lizzy: “O ja. Dat is inderdaad shit.”

Lizzy toont haar biceps: “Kijk! Ik heb héle grote schuimballen!”

Lizzy: “Mamma, weet je waarom Annabel nog niet kan zitten?”
Ik: “Nou?”
Lizzy: “Ze heeft nog te kleine billen.”

Lizzy over een klussende man: “Dat is een bouwwerker. Die zaagt alles wat los is open met zijn schroevendraaier.”

Paul moppert op Annabel: “Blijf toch eens liggen!”
Lizzy: “Ach, ze is nog maar een báby hoor!”

Lizzy (3,5) geeft beer te eten.
Ik: “Wat krijgt beer? Honingpap?”
Lizzy: “Nee. Opvoeding.”

Lizzy: “Mamma, we hebben dit huis toch gekocht?”
Ik: “Ja.”
Lizzy: “Kon het huis dan op de toonbank?”

Lizzy (3,5) neemt afscheid. Ze gaat logeren bij oma.
Paul: “Zal je pappa niet heel erg missen als je bij oma bent?”
Lizzy: “Nee hoor. Ik stuur je wel een mailtje.”

Lizzy: “Mam, weet je waar Duitseland ligt?”
Ik: “Nou?”
Lizzy: “In Amerika.”
Ik: “O? Sinds wanneer?”
Lizzy: “Nou, dat is al een tijdje zo hoor.”

Lizzy: “Ik ben K3.”
Ik: “Alle drie?”
Lizzy: “Nee. Die andere twee zijn boodschappen doen.”

Lizzy: “Ik moet even mijn kat uitlaten.”
Ik: “Welke kat?”
Lizzy: “Die in de tuin zit te broeden.’

Lizzy: “Ik ben het meisje van de treinen.”
Paul: “O, ben je conducteur?”
Lizzy: “Nee, die zit ín de treinen. Ik zorg voor ze. Als ze van de rails afraken, zich pijn doen of verdrietig zijn, dan knuffel ik ze.”

Lizzy (4): “Pluk was doodgevallen.”
Ik: “O jee.”
Lizzy; “Nou ja. Gelukkig was hij daarna weer levendgevallen.”

Ik: “Ik ben natuurlijk niet zo slim.”
Lizzy: “Nee. Inderdaad.”
Ik: “Nou, je moet zeggen: “Je bent wél slim mamma!””
Lizzy: “Ik mag toch zeker wel mijn eigen zinnetjes zeggen?”

Esther (pakt lippenstift af van Annabel): “Dat is voor mamma’s!”
Annabel (2,5) “Nee. Is voor ikkes!”

Ik tegen Annabel: “Hou eens je snavel.”
Annabel: “Ik heeft geen snavel.”
Ik: “Wat heb je dan? Een slurf?”
Annabel: Nee. Ik heeft ook geen slurf.”
Ik: “Nee hè? Want wie heeft een slurf?”
Annabel: “Pappa.”

Lizzy (5) heeft een pop onder haar jurk.
“Ik krijg een kind.”
Ik: “Ik zie het. Hij zit wel hoog!”
Lizzy: “Ja. Hij krijgt al borstvoeding.”

Annabel (3): “Mag ik mijn koekje in jouw thee duikelen?”

Annabel (3) tijdens drukke bbq: “Grote mensen, stil eens!”

Annabel moet in bad om haar voeten te wassen. Ze wil er niet meer uit.
Ik: “Joh, je voeten zijn hartstikke schoon!”
Annabel: “Nee hoor, van binnen zijn ze nog vies.”

Ik zeg aan de telefoon: “Hoi!”
Annabel: “Waarom zei je ‘hoi’?”
Ik: “Omdat ik ging ophangen.”
Annabel: “Dan moet je ‘doei’ zeggen.”

Lizzy: “Chico de poes is dood.”
Annabel: “Nee hoor. Ze hebben hem alleen maar laten uitslapen.”

Lizzy (6): “Jij bent mijn verzorger. Ik ben maar een kind.”

Paul: “We gaan een spelletje doen nádat ik voetbal heb gekeken.”
Annabel (4,5) na twee minuten: “Wat kijk jij langzaam.”

Annabel: “Ik kan niet slapen. Mijn ogen vallen steeds open.”

Annabel: “Dit zijn de stouteriken. En dit zijn de lieveriken.”

Lizzy: “Wat gebeurt er als je in de winkel niet betaalt?”
Ik: “Dan krijg je de politie op je dak.”
Annabel: “Thuis op het dak? Of op de auto?”

Annabel over de volle maan: “Joh! Die valt zo omlaag!”

Ik: “Annabel, hoe heet het werelddeel waarin we wonen?”
Annabel: “Nou, daar heb ik nooit zo over nagedacht.”
Lizzy: “Ik weet het. Europa.”
Ik: “Heel goed. En weet je nog een werelddeel?”
– stilte –
Ik: “Ach kom, jullie weten toch nog wel een werelddeel?! Het begint met een ‘A’ en Berend Botje ging er naar toe.”
Lizzy: “Zuid-Laren?”

Annabel is ziek en moet steeds spugen. Opeens laat ze een wind en blijkt ook diarree te hebben.
Annabel: “Mámma! Het spuug komt nu ook al uit mijn billen!”

Lizzy tegen Annabel: “Vroeger, toen ik zo klein was als jij…”
– Ziet de boze blik van Annabel –
“Eh. Toen ik zo groot was als… euh… toen ik zoals jij was….”

Annabel: “Die muis is dik. Misschien dat hij kleine muisjes gaat leggen.”

Annabel twijfelt of de bloem nou is uitgebloeid of verrot is.
Annabel: “Hij is een beetje uitgerot.”

Mijn favoriet is “Ze hebben de kat laten uitslapen.” Welke vind jij de leukste?

Enneh… Voor wie wat wil toevoegen aan Kletsengeklets: de reactiedeur staat open!

Op de 97e verjaardag van Omi

“We moeten eens met z’n allen gaan stappen,” zei een nicht uit Antwerpen.
“Goed idee,” zei een neef uit Wenen.
Zeeland wilde ook mee.

“Laten we elkaar even mailen. Ik heb mijn mobiel niet bij me.”

“Jij zit toch op facebook? Dan kan ik je wel vinden.”
“Ik zit wel op facebook maar ik doe er niets mee.”
“Maar dan kan ik je wél via facebook mailen.”
“Nee, mijn e-mailadres is veranderd.”

“Zit jíj op facebook?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Ze twittert wel,” zei Paul behulpzaam.
“Wij twitteren ook,” riepen twee nichten. “Dan kunnen we een DM sturen.”
“Maar dan moeten we elkaars followers worden. Hoe doen we dat?”

“Elkaar toevoegen op Hyves?”
“Heb geen Hyves.”
“Ik heb wel Hyves, maar ik ben mijn inlogcodes kwijt.”
“Linkedn?”
“Sorry, alleen zakelijk.”

We keken elkaar aan. Dit ging niet werken zo.

Plotseling viel mijn oog op een kladblokje naast de telefoon.
Binnen vijf minuten hadden we alle gegevens uitgewisseld.

Viespeuken

“Mamáááá! Ed is in de wc gevallen!”

Ed is de knuffelkangaroe van Annabel. Twee turven hoog, grijs van kleur en één van de vele ‘levende’ speelgoeddingen in de wereld van de Kletsen. “Zullen we doen dat deze leeft,” zegt Lizzy vaak tegen Annabel. “Ja,” zegt Annabel dan. “Die is écht.” En wat leeft, dat heeft behoeften. Zo hebben we regelmatig meeetende barbies, slapende pony’s en poepende teddy’s.

En ja, dat ‘verzorgen’ gaat nog wel eens mis. Zo vallen er met enige regelmatig knuffels in bad of, in de WC. Poppen hebben meestal roze of groene snoeten omdat ze met hun kop in de bieten of de spinazie geduwd worden en als ik ‘s avonds in bed kruip lig ik opeens bovenop een ‘slapend’ playmobilpopje. Het gaat opvallend vaak mis tijdens het ontbijt. Tegen de tijd dat ik kom afruimen zit My Little Pony weer in een bak cornflakes of ligt Ed vastgeplakt aan een cracker met pasta.

Ik probeer het te verbieden, maar ze zorgen voor hun kroost met een fanatisme dat zijn weerga niet kent. En ergens vind ik het ook wel erg lief. En schattig. Al die vriendjes. Ze praten met ze, spelen met ze en zijn vreselijk gelukkig met hun ‘kinderen’. Met Ed en Pilo. Met Dotje, Para, Saartje en Loes. Met Zeeslang, Kikkerslang, Stank, Viegeltje en Slapjanus. Misschien zijn ze er wel net zo gelukkig mee als ik ben met mijn kinderen.

En eerlijk is eerlijk,, die houd ik óók niet altijd schoon.

Het medaillon

Het is alweer ruim een jaar geleden dat mijn oma overleed.

“Mag ik haar medaillon,” had ik destijds gevraagd. “Dat zilveren, met die Franse versiering.” Dat medaillon, dat was heel erg oma. Vroeger maakte ze het altijd voor ons open, zodat mijn broertje en ik erin konden kijken. Open en dicht. Het maakte een heel bijzonder geluid. Iets tussen klik, krak en plok in. “Alsof je een stukje chocolade van een reep afbreekt,” zeiden mijn broer en ik.

Mijn moeder en mijn tante wisten eigenlijk niet zo goed wat ik bedoelde. Medaillon? Had ze een medaillon dan? Blijkbaar was het medaillon vooral fascinerend geweest voor de kleinkinderen. En nu wist niemand meer waar het was gebleven.

Een paar dagen geleden kwam het medaillon, tot mijn grote vreugde, boven water. Mijn moeder had het gevonden. Het had in een doosje gezeten. En dat doosje zat in een laatje van een kistje. Dat kistje stond in een kast en die kast was een troep. Zo gaat dat.

“Het is een vies ding hoor,” zei mijn moeder. “Maar als je nog wilt, dan mag je het hebben.” En vies was het. Bijna zwart. Plakkerig van het vuil en met een kapot kettinkje. Ik maakte een badje van sodawater met aluminium en poetste met zilverpoets. Ik verving het kettinkje.

Vóór ik het omhing deed ik er twee foto’s in. De haarlok van mijn moeder – die er al in had gezeten – stopte ik achter Lizzy’s foto.

De Kletsen vinden het medaillon fascinerend. Steeds weer moet het open en dicht. Net als vroeger. “Het maakt zo’n grappig geluid als je dicht klikt,” zei Lizzy vanochtend. “Ja hè,” knikte ik. “Net of je een stukje chocolade van een reep afbreekt.” De Kletsen knikten instemmend. Precies. Zo klonk het.

Oma, mijn moeder, ik en mijn dochters. Vier generaties samen in één zilveren medaillon.

Mooi hè?

Hij stappen, ik wallen

Als Paul uit is, kan ik niet slapen.

Lig ik de eerste helft van de nacht wakker omdat hij nog niet thuis is, kan ik daarna niet slapen omdat hij dat wél is.

Zo staat hij na een borrel ‘s nachts altijd minstens een kwartier aan de deur te morrelen. (Ik zweer je, in een volgend leven trouw ik met een inbreker, die hoor je tenminste niet binnenkomen.) Daarbij probeert hij dan altijd zó overdreven zachtjes te doen elk geluid tot de macht googol uitvergroot wordt. En als hij dan eenmaal boven is, moet ík altijd plassen omdat hij de kraan zo lang laat stromen.

Vervolgens kruipt er iets bij me in bed dat zich nog het best laat omschrijven als een ontplofte bierbom met shoarma fall-out. En die biohazard gaat dan heerlijk haast me liggen terwijl het snurkenderwijs decibellen produceert waarop een gemiddelde kettingzaag jaloers kan zijn. ’t Zijn meestal niet míjn beste nachten zeg maar.

En de nacht van vrijdag op zaterdag was hierop geen uitzondering.

Zaterdag was Paul ‘ziekjes’. Uhuh. Hij beperkte de activiteit van die dag tot boodschappen doen en Mario spelen op de bank (‘ik moet leveltjes halen voor de kinderen’). Ik liet hem maar, zo vaak gaat hij nou ook weer niet uit. Het had er flink ingehakt. Het stappen. De gebruikelijke keelpijn na een nachtje gifstoffen ging niet over. Ook zaterdagnacht zaagde hij de sterren van de hemel. Om één uur pakte ik mijn dekbed en vertrok naar de bank. Aju.

Zondag was de keelpijn nog niet over. Lamlendigheid alom. ’s Nachts ging het snurken door. Ik ging weer op de bank liggen. Waarom ik hem niet stuur? Omdat ik geen kanon heb om hem wakker te schieten. Om vier uur ’s nachts ging de wekker. Paul stond op want hij moest een vliegtuig halen. Ik zwaaide hem uit en sleepte mijn dekbed weer mee naar boven. Het was tegen vijven dat ik in slaap sukkelde.

“Dus Paul zit in Noorwegen,” constateerde mijn hulp vanochtend. Ze nam een slok van haar koffie en richtte haar blik op de wallen onder mijn ogen. “Ja,” knikte ik. “En dat is heel goed. Kan ik even bijkomen.”

“Van zíjn weekend stappen.”

Rapunzel

Ik was zesentwintig toen ik (een groot deel van) mijn wilde haren verloor. Letterlijk.

Een periode van samenwonen was voorbij, ik ging mijn huis verbouwen en, nou ja, mijn lange haar afknippen leek me wel passend. Dat stond ook in de tijdschriften. “Je lange haar afknippen is een daad van verzet; je bent niet langer ‘iemands kleine meisje’.” Heerlijk, die Cosmo-wijsheid!

Afijn. Tien jaar lang (inderdaad, ik ben (nog elf dagen) zesendertig) droeg ik mijn haar net boven mijn schouders. Met een uitschieter naar iets langer (na de bevallingen) en flink korter (in de zomer). De kleur varieerde van rossig (geen succes; ‘Hé Es, zijn je luizen ongesteld?’) tot hoogblond. Lekker ordi.

En toen was er het moment waarop ik tegen de kapper zei: “Graag in model knippen maar niet teveel van de lengte af.” Ik had ’s ochtends meer tijd, dus ik kon af en toe wat föhnen. En warempel ik vond dat langere haar eigenlijk best wel leuk! Een tijdje zag niemand iets. Tot een maand of wat geleden. Toen begon het op te vallen.

En nu ben ik aan het ‘sparen’. Voor lange lokken. Net als Lizzy. (Af en toe maken we er een wedstrijdje van. Dan pakken we het meetlint.) En hoe langer het wordt, hoe mooier ik het vind. Maar ik word ook onzeker. Ben ik niet ‘te oud’ voor zo’n barbiekapsel? Staat het me wel? Keer op keer vraag ik de mening van vriendinnen. En natuurlijk van Paul. Die laatste is nou niet bepaald een ‘harenman’. Hij houdt nogal van ‘stoer’ en dat is dit natuurlijk niet.

Vanmorgen vroeg ik het weer. “Schat, wat vind je nou eigenlijk van mijn haar? Is het niet niet te lang?” “Nee hoor,” zei hij, terwijl hij zijn blik strak op de krant gericht hield. “Je kijkt niet eens,” mopperde ik. “En je zegt maar wat.” Voor straf besloot ik geen koffie voor hem te pakken. “Je haar is hartstikke mooi,” grinnikte hij.

“Het enige dat te lang is, zijn je tenen.”

De (mini)column die ik tijdens de workshop schreef

De paraplu kijkt me afwachtend aan.

Zal ze vandaag wel, of zal ze niet. Ik besluit de gok niet te nemen en steek hem onder mijn arm. Dan wandel ik de deur uit.

Vroeger hadden we in Nederland een gematigd zeeklimaat. Toen was alles duidelijk. Tegenwoordig moeten we het doen met een meteorologische smeltkroes. Zon in de winter, castellanuswolken in de zomer en veel te veel neerslag.

Al Gore weet het het komt. Geert Wilders ook. De buitenlanders hebben het gedaan. En een beetje gelijk heeft hij natuurlijk wel. Onze Geert. Zo zag ik deze week al de eerste Spaanse pepernoten in de winkel liggen. Op welke castellanuswolk waren díe hierheen gevlogen?!

Pepernoten. In augustus!

Geen wonder dat ons klimaat in de war is.