Weten we dat ook weer…

Annabel komt de kamer binnen.

“Ik krijg de nieuwe pot met vitamines niet open,” zegt ze. In haar hand heeft ze de plastic pot met kindervitamines.

“O,” zegt Lizzy. “Daar zit een veiligheidssluiting op. Kom maar hier.” Vanachter mijn krant sla ik het een-tweetje geïnteresseerd gade.

Lizzy pakt de pot aan van Annabel, drukt op de deksel, draait een slag en voilá. Open. “Hoe doe je dat?” vraagt Annabel.
“Eerst drukken en dan draaien.” Zegt Lizzy. “Snap je?”

Annabel knikt en vist twee ‘vitamientjes’ uit het potje. Daarna draait ze de deksel erop waarna ze gaat proberen deze er weer af te krijgen. Drukken en draaien. Verrek, zie ik haar denken, het werkt. Ze loopt ze terug naar de keuken en zet de pot keurig terug in het kastje. “Ik snap het hoor,” roept ze naar haar zus.

Afijn. Tot zover de kindveilige sluiting.

Advertisements

Tutti Frutti XVII

Een mooie herfstdag, gouden blaadjes en een blikkerig zonnetje.

Het is er weer tijd voor!

“Het is nogal hersendodend werk.”

“En dan ben ik zeker weer de kwaaie peer!”

“Ik heb mijn kinderen nooit te kort geschoten.”

“En dan loopt het kaarsje langzaam leeg.”

“Geluk zit in een klein hoekje.”

“Daar ben ik op voorbaat al tegen.”

“Die opa heeft een heel leven achter de rug, maar ik heb nog een heel leven voor de buik.”

“Wat hoor ik daar uit mijn ooghoeken?”

“Die kan daar wel een pootje breken!”

“Dat was echt een maatje te ver!”

“Ik zorg wel dat ik hem de mond snoei.”

“Laat haar maar in haar eigen soep gaarkoken.”

“Daar is het laatste woord nog niet over gevallen!”

Dank allemaal voor de leuke inzendingen!
Je kunt mij ook volgen op Twitter, daar slinger ik met enige regelmaat een leuke Tutti het net op.

Ze heeft het nogal zwaar thuis…

Annabel heeft een nieuwe jas.

Dat zit zo, tijdens een kledingbeurs heb ik voor de Kleine Klets een lange bruinfluwelen (Annabel: “fuluwelen”) manteljas van Jottum gekocht. Jottum is zo’n merk waarvan ik, wanneer ik de prijs zie, ook meteen ‘Jottum!’ ga roepen. Tweehonderdvijftig euro voor een kinderjas, hoe verzin je het!

Op die beurs hing de manteljas voor twintig euro in de rekken. Ik heb een knoopje verzet en het ding is weer als nieuw. Annabel is er verliefd op. Ze lijkt een beetje op een figuurtje uit Ot en Sien. Of uit Aap Noot Mies. En nu is Lizzy jaloers. Zij wil ook zo graag een ‘jurkjas’ van fluweel. “Dat wil ik al heel lang hoor. Al voor dat Annabel hem kreeg.”

Dus ging opzoek naar een tweede manteljasje. Dit keer voor de Grote Klets. Na lang zoeken vond ik er een op marktplaats. (Wederom van Jottum, ze zijn duur maar wel goed.) Blauw fluweel. Niet zo mooi geprijsd als die van Annabel maar toch, voor een nieuwe jas, acceptabel. Zestig euro. “O ja,” zuchtte Lizzy toen ze de jas op de foto zag. “Die is mooi zwierig.”

Afijn. Ik boekte het geld over en zei tegen mijn dochter dat de jas zou worden toegestuurd. “Volgende week krijg je hem,” zei ik, de marge wat ruim nemend om teleurstelling te voorkomen. Lizzy, die inmiddels heeft geleerd dat de dingen niet sneller gaan als je gaat zeuren, zuchtte diep.

“Nou ja,” zei ze. “Dan heb ik tenminste nog wat om naar uit te kijken.”

* En als de jas binnen is volgt er natuurlijk een fotosessie van de meiden in hun nieuwe jasjes.

Weekend XL

Eigenlijk was ik nogal nijdig toen ik wegging.

Had ik eindelijk de moed gevonden om aan te kondigen dat ik zomaar een weekend wegging, reageerde er niemand. Nou niemand. Ze reageerden wel maar niet zoals ik verwacht had (Tranen! Tuiten! Moord! Brand! Dat werk).

“Leuk!” riep Lizzy. “Dan hebben wij Marioweekend, hè, pappa?”
“Wanneer ga je?” vroeg Annabel.

De grens tussen opluchting en belediging is erg dun, bedacht ik.

Eenmaal in de trein naar Amsterdam haalde ik mijn laptop tevoorschijn. Terwijl ik driftig zat te tikken viel me opeens op dat de mevrouw naast me steeds probeerde mee te lezen. Ik overwoog een heel sadistisch stuk over een treinmoord te gaan schrijven. Eens kijken hoelang het zou duren voordat ze opstond.
De deadline die ik maandag had weerhield me.
Maar dat was dan ook de enige reden.

“Die gebruiken we hier niet meer in 020,” zei de buschauffeur. Hij knikte naar mijn strippenkaart.
“Hoezo?” vroeg ik dom.
“Omdat we alleen nog maar met OV-chipkaart werken.” Achter me hoorde ik mensen zuchten. ‘Help,’ hoorde ik hen denken ‘daar heb je weer zo’n provinciaal’.
“En nu?”
“Kaartje kopen,” zei de chauffeur. “En niet vergeten uit te checken.”
Ik kocht een kaartje.
En vergat uit te checken.

Na het winkelen wilde vriendin F. met mee uiteten nemen naar Graves. Dat wilde ze vorige keer al doen, maar toen was het restaurant gesloten. “Dat zal ons op zaterdag niet overkomen,” zei ze.
“Sorry,” zei de meneer aan de telefoon. “We nemen geen reserveringen meer aan.”
Het bleek dat de souschef in het kelderluik was gevallen en zijn knie geblesseerd had. De chef-kok stond daardoor alleen in de keuken.
“Wat een kutsmoes,” zei ik. “Zeg dan gewoon dat je vol zit.”
(Al googled naar de URL van Graves kwam ik er achter dat Graves ook een vrij nare ziekte is, dus misschien is het maar beter dat we er niet gegeten hebben!)

We belden wel tien restaurants.
Niemand had plek. In het begin waren we nog kritisch (‘die met dat oranje interieur bellen we niet’) maar na verloop van tijd werden we aardig wanhopig waardoor we ook restaurants met oranje interieurs gingen bellen. Zelfs die zaten vol. Hoezo gaat het slecht met de economie?
“Ik ga even de Gouden Gids halen,” zei F. “Dan bellen we verder.”
“Zullen we ondertussen even een pizza bestellen?” vroeg ik. “Ik krijg nogal honger.”

Eindelijk vonden we een restaurant dat nog plek had. Nou ja, plek, zeg maar gerust een zee van ruimte! Het restaurant was gewoon léég! Geen idee waarom. Misschien lag het te afgelegen. Of te dicht bij Artis. Of ze waren een keer in het nieuws geweest omdat ze gemalen vissenogen door de tapenade prakten. Als dat het geval was dan hadden wij dat bericht gemist. De tapenade smaakte prima.
Hoe dan ook, wij hadden een leuke avond. En in tegenstelling tot andere avonden waren we niemand tot last.

De volgende dag gingen we naar de film. We waren moe en een beetje duf. Een film leek ons uitstekend om even bij te komen. We kozen een Franse film (crime d’amour) die in Tuschinsky draaide en daarna kocht ik een sjaal bij Claudia Sträter omdat het me op dat moment zo fijn leek om een sjaal van Claudia Sträter te hebben. En ik had gelijk. Het was fijn.

Einde van de middag gingen we wat drinken in het restaurant boven Metz. Dat vonden we wel toepasselijk want we hadden die dag daarvoor beiden de bundel ‘Van je familie moet je het hebben’ van David Sedaris gekocht en daarin vertelt Aaf Brandt Corstius (die de inleiding schreef) dat ze een keer met David Sedaris is gaan lunchen bij Metz.

Het Metz-meisje kwam vragen wat we wilden drinken en F. zei: “Kunnen we ook high tea-en met koffie?” Tevreden knikte ik. Dat zou David Sedaris ook gezegd kunnen hebben. (Het meisje zei dat we alleen konden high tea-en met thee hetgeen wij erg flauw vonden.)
De koffie was lekker, het taartje was vies. Maar ik at het toch op.

Tevreden zat ik zondagavond weer in de trein terug naar huis. Met een lege portemonnee, een lege laptop en een lege telefoon. Ondanks dit gebrek aan communicatiemiddelen stonden Paul en de Kletsen me op te wachten op het station.

Stiekem hadden ze me toch wel gemist, zeiden ze.
Lizzy pikte direct mijn sjaal van Claudia Sträter in.

Broekjesdag


Op 12 april jl. schreef ik een bericht over (mijn eervolle vermelding in een column over) Rokjesdag.

Heden schrijf ik hierop het vervolg: Broekjesdag. Want dáár heeft Martin Bril het nooit over gehad: wanneer is het moment dat we de blote benen opbergen? Dat de treggings, jeggings en beggings* uit de kast komen?

Vandaag draag ik een spijkerrokje. Met mijn nieuwe laarzen en mét blote benen (niet nieuw). En eerlijk is eerlijk, dat is bést koud. Mooi (net als Martin houd ik erg van blote benen) maar ook fris. Wat zeg ik? Dik kippevel all over! Wat mij betreft is dan ook de tijd rijp voor (het invoeren van een) Broekjesdag. Een vaste dag in het jaar waarop alle vrouwen weten: stop maar met scheren en smeren, de maillots gaan aan.

Terwijl ik dit stukje tik, veilig achter mijn laptop, roffelt de regen alweer op de ramen. Buiten zie ik de takken van de oude den heen en weer zwiepen. Ik ril bij de gedachte aan de naderende herfst.

Broekjesdag
. Wat mij betreft is het vandaag.
Wie stemt voor?


*Begging; soort legging die ook als boodschappentas kan dienen. Niet te vol laden, dan zakt hij af.

Nou, zeg op! Wat ga je doen dan?

Bungeejumpen?
Duiken?
Parachutespringen?
Motorrijden?

Wat voor daredevil denken jullie dat ik ben?
Ik ben geen held, dat weten we nu toch onderhand wel?! Ik raak al overstuur van een verkeersdrempel.

Of, helemaal eng: een derde kind! Hou op zeg.

Een reis maken had gekund. Die expo in Shanghai lijkt me wel wat. En dan met vriendinnen. Of met mijn moeder. Leuk! Mijn ogen laseren. Dat is óók een goed idee! Dat zou ik best willen. Nooit meer brillen en lenzen. Altijd een scherpe blik.

Trouwen? Nee. In dit leven niet. (Het is iets waar Paul achter staat, dus trouwen is het niet.)

Een ballonvaart is leuk. Maar dat heb ik al eens gedaan. Ik was zeventien en op een mooie junidag werd ik, midden in een weiland, ‘Barones van Baarn tot Loenen aan de Vecht ‘gedoopt’’ Een geweldige ervaring! Weten jullie dat ook weer.

Zoals de meeste van jullie al raadden: het heeft iets te maken met schrijven. Ik ga géén workshop in het buitenland volgen (zo exotisch is het niet) en niet in retraite. Nee, ik heb me opgegeven voor de prestigieuze cursus literair debuteren, gegeven door ‘mijn’ literair agent Paul Sebes in Amsterdam.

En dat betekent acht weken lang op en neer naar de hoofdstad. Huiswerk maken, teksten bespreken en intensief werken aan de nieuwe versie van ‘Stukjes tekst’ (dat inmiddels ‘Je kan er maar beter om lachen’ heet). (O ja, had ik al verteld dat ik de thriller het raam heb uitgesmeten?) En om jullie een beeld te geven: Danielle Hermans, Joost Vandecasteele en Ivo Victoria gingen me in deze cursus voor.

Ik heb er alle vertrouwen in. Dat boek komt er.

Ik ga iets ontzettend leuks doen!

Net besloten!
Jij bent de eerste die het hoort!

Ik vind het reuze spannend, misschien wel een beetje eng zelfs. Het is een hoop gedoe (en een hoop geld) maar ik heb er zo veel zin in, ik kan gewoon niet wachten. De kans doet zich nú voor en ik moet hem grijpen. Ik heb ‘ja’ gezegd en ik kan niet meer terug. Paul staat achter me, dat is goed om te weten. Hij vindt dat ik het verdiend heb. Dat vind ik natuurlijk zelf ook, maar spannend is het wel!

En ik ben zo benieuwd of het me brengt waar ik wil zijn.

NB En nu mag jij natuurlijk raden….