Lekker dan!

“Mam, als jij dood bent, mag ik dan jouw hakkenschoenen?”

De eerste keer dat ze erover begonnen verslikte ik me dusdanig in een hap cornflakes dat de vraag bijna profetisch was.

Nadat ik stamelend ‘Euh, nou ja, best hoor,’ had geantwoord, was natuurlijk ’t hek van de dam. “Nou,” zei Annabel. “Dan wil ik jouw zilveren sjaal als je dood bent.” En omdat ik altijd mijn kinderen gelijk wil behandelen, vond ik dan ‘ook wel goed’. Leuk man, erfenisje spelen. “Gaan jullie maar rechten studeren,” mopperde ik. “Kunnen jullie later notaris worden en naar hartelust spullen verdelen.”

Zo ging het een tijdje door. Tussen neus en lippen door werd mijn gehele garderobe, mijn Blondservies en mijn brillencollectie verdeeld. “Als jij nou de kopjes neemt, dan mag ik de borden.” Niet alles ging even harmonieus. Soms moest er flink onderhandeld worden over wie nou dat leuke rokje mocht of wie die mooie ketting. Op een gegeven moment vroegen ze het niet eens meer aan mij. “Zal ik mijn testement even halen?” opperde ik.

Ik hoorde het een tijdje aan. Dacht dat het wel weer over ging. Niet dus. “Zeg,” zei ik uiteindelijk. “Ik ben dat ge-mamma-als-jij-dood-ben-mag-ik-dan…eigenlijk wel en beetje zat. Ik leef nog en dat ben nog lang niet van plan dood te gaan. Daarbij vind ik het redelijk irritant dat jullie onder mijn neus gewoon mijn spullen zitten te verdelen.”

Verwonderd keken de Kletsen me aan. “O maar mamma,” zei Lizzy serieus. “Als we er niet uitkomen, dan leggen we het gewoon bij jou in de kist hoor.”

Advertisements

Met mijn Zusters

Een puntmuts, zwarte High Heels en een cape. Ik was klaar voor het Heksenavondje.

“Als ze me nou in een kikker veranderen, willen jullie me dan kussen?” vroeg ik de meiden. “Ja hoor,” zei Annabel. “We kussen sowieso alle kikkers die we vangen.” Echt? Ja. O help. Ja, dat krijg je met een heks als moeder.

“Ik vind je een beetje eng,” zei Annabel. “Maar ook wel mooi.” “Waarom neem je de bezem niet mee,” vroeg Lizzy. De bezem. Dat was eigenlijk wel een goeie. In de tuin stond een echte heksenbezem, die zou wel indruk maken op mijn Zusters.

Helemaal in het zwart, gothic ogen en met een bezem in mijn fietstas, zo reed ik weg. “Je lijkt wel een soort schoorsteenveger,” zei Paul. “Pas op, daar komt de bezemwagen,” grapte de buurman. Ik stak mijn tong uit. “’t Is toch donker.”

Maar in de stad was het niet donker. Fietste ik hoor, in mijn lange zwarte jas en met een bezem als knalpijp. De opmerkingen waren niet van de lucht. “Hé,” riep iemand. “Is je bezem kapot?” “Vond je het te koud om te vliegen?” Eén van de lolbroeken kwam zelfs naast me fietsen en knoopte een heel gesprek met hem aan. Pas toen ik zei dat ik naar mijn wekelijkse breiavondje ging, haakte hij af.

Tot zover mijn immer goeie ideeën.

Het Heksensfeest was al in volle gang toen ik binnenkwam. Een voor een druppelden de Zusters binnen. Ik kreeg een glas koeienserum (18%) in mijn handen gedrukt. De tafel stond vol met heerlijke heksenhapjes en het rook naar pompoentaart, soep en geurkaarsen. Hoofdheks S. deelde spreuken uit. “De spreuk – hardop voorlezen graag – kiest jou,” zei S. “En die wijsheid kan je niet negeren.” De liefde bedrijven is net als touwtje springen, las ik. Je kunt het niet de hele dag doen.

Tjonge. Dat seksverhaal blijft me wel achtervolgen zeg.

We goten kaarsvet om onze toekomst te bepalen. Mijn ‘toekomst’ hield het midden tussen een koraalrif en een pennenset. “Misschien word je ’s werelds eerste onderwaterschijfster?” opperde een van de Zusters. Zij had makkelijk praten. Zij had net een fallus én een baarmoeder gegoten. Dan weet je genoeg.

Ik ga niet trouwen, zo wees een schoenentest uit (geen idee wat die inhield, de test speelde zich buiten mijn blikveld af, ik zat net aan het koeienserum met Zuster A.) En ik krijg geen kinderen meer (mooi, meteen even de wieg op marktplaats zetten). Eén van de zusters zong een mantra met ons (om mani padme hum) wat echt heel grappig was want zoiets had ik nog nooit gedaan.

Tegen middernacht vond ik het welletjes geweest. Ik was moe van de mantra’s, tureluurs van het toveren en katterig van het koeienserum. Ik pakte mijn bezem, zette het raam open en vloog naar huis.

Dit keer had ik geen last van vervelende opmerkingen.


Spinnensalade van Zuster A.

Het nieuwe bloggen

Bloggen is dood.

Aldus de nieuwsbrief van #aboutblank (weblogmagazine voor en door bloggers). Bloggen is dood. Ingehaald door Twitter en andere sociale media.

De Dutch Bloggies zullen niet meer worden uitgereikt, aldus de organisatie. (Ben ik even blij dat vorig jaar nog mocht meedoen en bij de laatste vijf in de categorie ‘beste weblog’ eindigde!). Nog één keer wordt er een prijs uitgereikt; die van blogger van het decennium. Zoiets blijft leuk om te volgen, vooral voor een Blog-o-sauriër zoals ik. Ik gok op Merel Roze. Maar Luna kan natuurlijk ook.

En toch, hier op vrouwonline is bloggen helemaal niet dood. Met veel plezier schrijven wij bloggers over ons leven en met nog meer plezier lezen we jullie reacties op onze stukjes. Ik hou van mijn Twitteraccount, dat is waar. Maar meestal heb aan 140 tekens niet genoeg om over mijn leven te schrijven. In 140 tekens kan ik bijvoorbeeld lang geen vijf pompoenen kwijt.

Bloggen is dood. Het zal wel. Als ik nog even doorblog, ben ik hartstikke retro! En dat is ook hip. En je blog linken aan Twitter, dat is toch ook behoorlijk 2010, dacht ik zo. “Het nieuwe bloggen,” noem ik dat. (Klinkt beter dan retrobloggen.) Als je tegenwoordig ergens ‘het nieuwe’ voor zet, dan is het tenslotte Heel Erg Anno Nu. Als afsluiter kies ik vandaag dan ook voor een Franse draai.

Bloggen is dood, leve de blogger!

NB En, wat vinden jullie? Is bloggen ingehaald door andere sociale media?
Is er sprake van een zekere blogmoeheid?

Heksen!

“Wat gaat u met die vijf pompoenen doen? Ik weet geeneens wat ik er met één zou moeten!”

Verbaasd draai ik me om. De vrouw achter me – ik schat haar een jaar of zestig – kijkt me vragend aan. Terwijl ik de laatste pompoen op de kassaband leg, denk ik na over haar vraag. Ik stel me voor hoe ik iemand eenzelfde soort vraag zou stellen. Bijvoorbeeld: “Wat gaat u met dat gezinspak condooms doen? Ik weet geeneens wat ik er met één zou moeten.”

Nu.

Aangezien de vrouw me de vraag zo eerlijk stelt, besluit ik dat ik haar ook eerlijk zal antwoorden. “Ik heb vrijdagavond een heksenavond,” leg ik uit. “En ik ga voor tien heksen Pittege Pompoensoep maken. Met vleermuisnageltjes.” De vrouw doet verschrikt een stapje achteruit. (Zou dat door de heksenavond komen of door de vleermuisnageltjes?) “Bent u een heks dan?” vraag ze. Ik denk aan Paul en mijn collega’s.
“Soms,” zeg ik eerlijk.

De vrouw staart naar de vijf pompoenen op de kassaband. Ze weet duidelijk niet wat ze moet zeggen. Ik leg haar niet uit dat de heksenavond een Poolse traditie is op zeventwintig november. En dat mijn vriendin S., die de avond organiseert, Pools is. Nee, natuurlijk leg ik dat niet uit. Wanneer je mensen zomaar dingen vraagt, kan je ook zomaar een eerlijk antwoord krijgen. En ja, daar kan dan best een eng verhaal achter zitten!

Precies de reden waarom ik iemand ook nooit naar een familiepak condooms zou vragen.

Esthers pittige pompoensoep met vleermuisnageltjes

1 biopompoen – uitgehold niet geschild, wel gewassen, in stukken –
2 liter bouillon
½ Spaanse peper – in stukjes –
Klein stukje gember – geschild en in stukjes –
2 tenen knoflook
2 middelgrote uien
Mosterd
Zout

Kook de pompoen ongeveer veertig minuten in de bouillon
Giet bouillon af tot gewenste dikte
Roerbak ui, knoflook, gember en peper (zorg ervoor dat de ui ietsjes aanbakt zodat je later in de soep leuke donkere ‘vleermuisnagels’ krijgt).
Pureer pompoen inclusief bouillon en de roergebakken groenten
Voeg een theelepel mosterd toe
Voeg zout toe naar smaak

Eet smakelijk

Fraai is dat!

Mijn nieuwe puzzelmat is alweer in beslag genomen!

PS Het is weer van hot-naar-haar-dag. Vandaar ‘slechts’ een foto. 033-010-020-033 wordt het vandaag. Dus zie je op een gegeven moment een gehaaste blondine met een ladder in haar panty voorbij komen, zwaai dan even. Grote kans dat ik ‘t ben.

Oeps… vergeten!

Misschien ligt het aan de chloorlucht, of aan de hoeveelheid water, maar in en rond het zwembad vergeet ik altijd van alles.

Ik kom zonder badpak aan of ga weg zonder badpak. En zonder handdoek. Ik laat kledingstukken liggen, vergeet borstels en raak mijn shampoo steevast kwijt. Ik vergeet zelfs regelmatig in welk kluisje ik mijn kleren heb gestopt zodat ik vaak ettelijke minuten mijn druipende kop breek over welk slotje ik nou moet kraken (om nog maar te zwijgen over de keren dat ik het sleuteltje kwijt was). Het is zelfs zó erg dat de badjuffen al mijn spullen al herkennen. Bellen ze me thuis op: “Je hebt je vest weer laten liggen, we leggen hem bij de kassa.” Genant.

Ook bij de kinderen heb ik er last van. Heb ik Annabel vorige week nog moeten afdrogen met mijn sjaal, stond ik gisteren weer eens zonder een bikini in de kleedkamer. Best knap als je bedenkt dat ik er – uit voorzorg – gemiddeld drie in de tas verstop.

“Dan moet je maar in je onderbroek zwemmen,” zei ik.
Reactie: “Nee hè? Alweer?”

Afijn, het kind weigerde om in haar onderbroek te gaan zwemmen. Ik ging naar boven, naar het zoekhok, om te kijken of ik bij de gevonden voorwerpen een zwembroekje kon lenen. Al grabbelend in de mand vond ik daar het bikinibroekje van Lizzy dat ik afgelopen zondag (kennelijk) had laten liggen. Kijk, dat was dan wel weer handig.

Terug in de kleedkamer trok ik Annabel het broekje van Lizzy aan, wat prompt van haar smalle kadettekes afzakte.

“Ik leg er aan de zijkant wel een knoop in,” zei ik.
“Hier, leen dit badpak van mijn dochter maar,” zei een andere moeder.

Aan het einde van de zwemles kwam Annabel trots met een schubje naar buiten. Weer een fase verder. Bijna afzwemmen! “Het badpak van het andere meisje heeft me geholpen,” zei ze. “Maar wil je alsjeblieft volgende week mijn bikini niet vergeten!?”

Hm. Natuurlijk niet.