Win-win-winkelen

Twijfelend sta ik voor de spiegel.

Ik draag een zwart rokje. Daarop een zwart jasje. Het rokje is vrij kort, met een soort banen van leer en zwarte stretchstof. Het zit heerlijk. En het staat heel mooi, dat zie ik zelf ook wel. Toch twijfel ik.

“Wat vind jij?” vraag ik aan vriendin F. “Moet je dat nog vragen?” zegt F. “’t Is dat ik niet op vrouwen val…”

Ik draai nog een rondje. Het rokje zit strak en soepel tegelijk. Toch is niet echt een Estherkledingstuk.”Dat is juist zo leuk!” meent F. Meestal zijn mijn rokjes iets langer en vooral wijder. “Model Bridget Jones,” zegt Paul altijd. En dan bedoelt hij: saai. grijs. plooitjes. Dit rokje is niet saai. Dit rokje is feest! En leer! En been!

Hónderdzestig euro. Ik vind het nogal wat. Voor een rokje. “Ik neem het zwarte jasje alvast mee,” zeg ik. “Over het rokje denk ik nog even na.” In de volgende winkel hangt een jurkje dat ik meteen ‘Simply Es’ vindt. Het zit als gegoten en kost de helft van het rokje. Ik koop er een legging en een sjaal bij.

“Zo,” zeg ik. “Als we weer naar buiten lopen. Nu heb ik een jasje, een jurkje, een legging, een sjaal én nog veertig euro over. Dát noem ik nog eens win-winkelen.” F. knikt. “Dat jurkje is ook wel heel erg leuk,” geeft ze toe. En dan: “Ik zag een leuk grand café, zullen we daar lunchen?” “Goed idee,” zeg ik. “En ik betaal. ‘k Heb tenslotte flink bespaard vandaag!”

Een aangeschoten theemuts die met d’r neus in een boek zit!

Folderpakketten zijn hier momenteel erg populair. De brievenbus hoeft maar te klepperen of de meiden stuiven de gang in.

Speelgoed, snoepgoed, hebbedingetjes, alles wordt uitgeknipt en opgeplakt. “Dit wilde ik altijd al hebben,” zucht Lizzy. “Oooo, die is mooi!” roept Annabel. “Wanneer mogen we onze schoenen weer zetten? Dan kunnen we het lijstje erin doen.”

Op maandag is het feest. Want dan komen de meeste folders. Blokker, Intertoys, Bart Smit en Jamin. Een feest op papier, verpakt in millieuvriendelijk plastik. “Heb jij de Xenos al uit? Mag ik dan de Hema?”

De grond is bedekt met kleurige foto’s en snippers. (Help me herinneren: op vijf december vraag ik een NEE/NEE sticker!) Er is een stapeltje ‘te knippen’, een stapeltje ‘dit mag weg’ en een heel klein stapeltje zonder duidelijke bestemming. “Dat zijn die voor mamma,” hoor ik Lizzy zeggen. Annabel overhandigt me drie folders. “Mam, voor jou,” zegt ze. “Je Sinterklaasfolders.”

In mijn hand hou ik drie folders.

Eentje van de V&D met een Blondtheemuts voorop
Eentje van de boekhandel
En een hele grote glimmende folder van de Gall & Gall.

Goed. Nu weten jullie dus hoe de Kletsen over mij denken.

Vingeroefening

Vroeger was ik de braafste van de klas.

Nou ja, ik kletste wel veel (zelden zat ik aan het einde van het jaar nog naast het vriendinnetje waarvoor ik had gekozen) maar verder was ik behoorlijk braaf. Ik maakte mijn huiswerk, leerde mijn proefwerken – later tentames – en was niet bang voor onverwachte overhoringen.

Mijn financiële diploma’s haalde ik middels zelfstudie. Ik vond het tempo van cursussen te laag en aangezien ik beschikte over een gezonde dosis zelfdiscipline, koos ik een meer ‘volwassen’ vorm van onderwijs. Ging prima. Ik kon kletsen wat ik wilde (na elk hoofdstuk ‘mocht’ ik een vriendin bellen) en niemand zeurde.

Anno 2010 zit ik echter weer in de klas. Samen met mijn ‘collega-schrijvers in spe’ volg ik de cursus ‘ literair debuteren. (Inderdaad, ik schreef er al vaker over.) Naast ‘close-reading’ van de ingezonden verhalen, krijgen we regelmatig schrijfopdrachten. Die vervolgens ‘klassikaal’ worden besproken.

Eén van die opdrachten luidde: schrijf een seksscène: alles mag: solo, duo, trio, tussen erotiek en porno maar wel realistisch. Ja. Ga daar maar even voor zitten. Ik overwoog een verhaal in het donker, met enorme dekbedden over onzichtbare lijven en misschien – heel wild – een sigaret na afloop. Vriendin B. schudde haar hoofd. “Hoeveel condooms je ook gebruikt, je kunt geen veilig seksverhaal schrijven. Dus kan je er maar beter zorgen dat het van het papier áfspat.”

Afijn. Ik ging aan de slag en warempel, het werd wat! Ik schrok er zelf van! Ik mailde het door en hoopte dat de lezers zouden snappen dat het niet autobiografisch was. Medecursist D. was ondertussen ook begonnen met schrijven. Gisteravond liet via Twitter weten dat hij met veel plezier aan zijn eigen verhaal bezig was. Waarop ik terugtweette: “Dat had je vrijdag al moeten inleveren!”
Hij: “We kunnen niet allemaal de braafste van de klas zijn.”

De braafste van de klas?!
Achterin de dertig en nog steeds de braafste van de klas?
Echt?! Ik brááf?

Wacht maar tot hij mijn verhaal leest!

De intocht

Ik merkte het op de boot al.

Annabel was onrustiger dan Lizzy. Had ik niet verwacht. Normaal is de kleine Klets niet zo stressgevoelig. Maar nu, met de rode mijter en de zwarte toeten naast haar, droop de spanning er vanaf. Lizzy daarentegen vond het allemaal wel ‘cool’. “Sinterklaas is jarig, zet ‘m op de pot,” waagde ze zelfs zachtjes te zingen. “Joh!” riep Annabel geschrokken. “Dat hóórt-ie!”

Na een dag op het water waren we allemaal kapot. (Oke, de scheepsbitter had ons ook wat rozig gemaakt.) Thuis werd de schoen gezet. “En denk erom,” zei ik, toen ik de meiden naar bed bracht “niet vóór zessen naar beneden. Als je een Piet betrapt komt-ie nooit meer terug!” “Ze zullen wel lekker slapen, na zo’n hele dag op ’t water,” zei ik tegen Paul.

Dat bleek slechts voor de helft waar. Lizzy sliep uitstekend. Annabel daarentegen werd om één uur, om drie uur én om vijf uur wakker. Steeds met dezelfde vraag: “Mag ik al in mijn schoen kijken?” Om zes uur maakte ze Lizzy wakker en stoof naar beneden. Nadat ze haar cadeautje had uitgepakt kroop ze bij in bed. “Mag ik ’t Sinterklaasjournaal kijken?” vroeg ze.

Lizzy heb ik er verder niet meer over gehoord. Misschien wordt ze er écht te groot voor. Ze had tenslotte ook al opgemerkt dat ‘het net leek of de baard van Sinterklaas met een elastiekje vastzat.” Het vermoeden, het onbewuste weten, maakt dat ze veel minder gespannen is dan haar zusje. Grappig, hoe kinderen ineens totaal anders kunnen reageren dan je verwacht.

Evengoed werd er flink gezongen door beide meiden. Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht, Zie de maan schijnt door de bomen en O kom er eens kijken passeerden de revue. En ineens was Lizzy stil. “Eigenlijk zit ik hier best voor lul zo te zingen in de openhaard,” merkte ze droog op. Waarop Annabel zei: “Lizzy! Je mag geen ‘lul’ zeggen en zéker niet zo dicht bij de openhaard!”

Hoezo illustratief!?





NB Iedereen die vindt dat hij/zij op netwerkgebied iets met mij te maken heeft/zou kunnen hebben, mag mij ‘linkedinnen’. Op deze manier kan ik niet alleen jullie terugvinden maar kunnen jullie elkaa rook vinden.

Taalfrummels

“Oké, dan spreek ik je later.”
“Ja. Tot later.”
“Krokodil hè?”

Ik zeg vaak ‘krokodil’ als ik wegga. Als je even doordenkt begrijp je wel waarom. Als ik ergens te vroeg ben – wat regelmatig voorkomt – dan zeg ik: ‘Ik vang de worm!”.

Sommige mensen kijken me dan raar aan.

Als ik mijn PC afsluit, ‘noem ik het een dag’. Vroeger zei ik nog wel eens dat iets ‘niet mijn kopje thee’ was. Dat doe ik nu niet meer. Dat is te bekend. Wel zeg ik regelmatig “I’m the law!” als iemand niet doet dat ik wil.

Als een van de kinderen moet doorlopen roep ik: “Ketchup!” En als er eentje aanstellerig ‘bang’ is: “Tok tok!” We gebruiken voor veel dingen het woord ‘frutten’ maar volgens mij bestaat dat eigenlijk helemaal niet. Net als ‘tuffen’, dat schijnt behoorlijk 033 te zijn.

Vaak zijn het afgeleiden van uitdrukkingen. Zelfbedachte zinnetjes. Of woorden letterlijk vertaald uit het Engels. Samentrekkingen, mondegreens of gewoon familiegezegden. (“Het spookt,” zei mijn moeder als het weer slecht was. En ik ga “te veld,” als er iets gehaald moest worden.)

Ik vind ze leuk, die taalfrummeltjes. Ze horen bij mij en bij mijn gezin. Soms zijn ze irritant maar dat hoort dan ook weer bij mij. Ik ben best irritant.

Afijn, je voelt ‘m aankomen: wie kent het verschijnsel taalfrummel? En welke frummels gebruik jij?

Hoor ’t graag.
Krokodil!

Mamma! Hier zit je met een vreemde meneer in bad!

En met de dagboeken kwamen de foto’s.

Lizzy had op zolder haar babyboeken gevonden en nu moest de hele zwik mee naar beneden. Terwijl ik thee haalde (en vooruit, een schaaltje pepernoten) zat Lizzy al met het eerste boek op schoot. “Mámma!” schreeuwde ze, zo hard dat ik het schaaltje pepernoten bijna liet vallen. “Hier zit je met een vreemde meneer in bad!”

Het was op dat moment dat ik me herinnerde dat ik inderdaad een aantal van mijn eigen ‘oude’ fotoboeken in die doos had gepropt toen deze achter het schot ging. En als ik het heb over ‘mijn eigen oude’ fotoboeken, dan heb ik het over uitgelaten vakantiefoto’s, drank- annex kroegfoto’s, exenfoto’s en – inderdaad – jacuzzi-met-champagnefoto’s.

“Wie is die man?” vroeg Lizzy streng. “Eh,” mompelde ik, “dat is een ex.” Briljant. Nu wilde de Klets natuurlijk weten wat een ‘ex’ was. Voorzichtig legde ik uit dat mamma vóór ze pappa leerde kennen een ander ‘vriendje’ had, maar dat ze pappa uiteindelijk véél leuker vond. “Woonde jij met dat vriendje in één huis?” “Ja.” “En ging jij ook met hem sexen?” Párdon??!!

’s Avonds vertelde ik het verhaal aan wandelvriendin B. Toen we uitgelachen waren zei B. dat ze haar oude fotoboeken – althans degene van de exenperiodes – niet bewaard had. “Ik vond het raar om ze te bewaren,” zei ze. “Voor mezelf. Maar ook voor mijn man en mijn kinderen.” B. heeft al haar vriendjes aan de papierversnipperaar gevoerd.

Dat zette me aan het denken. Ik heb nooit overwogen mijn oude foto’s weg te doen. Is het raar om die te bewaren? Oké, exen hoeven niet op de schoorsteenmantel, maar zo’n fotoalbum, dat is toch leuk? Tja, en dan zit je een keer met een vreemde meneer aan de sangria op Gran Canaria. Of in een groot bubbelbad.

Paul heeft geen interesse in mijn oude fotoboeken. Waarom zou hij. Mijn dochter van zeven weet nu dat ik een ex heb. En dat ik daarmee in bad heb gezeten. (Op de vraag of ik ermee gesext heb, heb ik maar geen antwoord geven.) Ik denk verder niet dat ze er wakker van ligt. En daarbij, die fotoboeken vertellen toch de waarheid? De waarheid over mijn leven en over het leven in het algemeen.

Want in het sprookje over die éne prins die jou – jong en naïef – uit je ouderlijk kasteel weghaalt en waarmee je vervolgens heel lang en gelukkig leeft, gelooft natuurlijk niemand meer.

Toch?
Of hebben jullie netjes alle compromitterende foto’s uit de albums gehaald?

Zolder opruimen

Tussen de studieboeken, knutsels van de kinderen en verkreukelde Donald Ducks, vond ik mijn oude dagboeken.

Drie dozen vol. Bijgehouden vanaf mijn tiende (“Hoi, ik ben Esther, ik zit in de zesde klas, mijn vriendinnen zijn….”) tot mijn dertigste. De reden dat ik stopte: ik begon mijn weblog. (Alhoewel ik wel weer aparte zwangerschapsdagboeken heb.)

De leukste teksten komen uit de dagboeken die ik bijhield toen ik net uit huis ging. Quotes als: “Mijn hart voelt als een ijsklomp. Mijn voeten ook.” en “Alleen-slapen is ook zo wat.” getuigen van een boeiend liefdesleven. Opmerkingen als: “Nu ga ik even het antwoordapparaat van Y. en die van F. bellen,” van een uitgebreide vriendenclub.

Ik ging veel stappen in die tijd. Daarover schreef ik bijvoorbeeld: “Vanavond waren B. en E. bij me. E. had bij mij gegeten. B. en ik waren nog brak van het feest in de Melkweg van gisteren en E. was ook uitgeweest dus die was ook brak. Samengevat waren we alledrie brak.” Gevolgd door: “We besloten om thuis te blijven. Zonde. Mijn haar zat eigenlijk te mooi om thuis te blijven.”

Soms lees ik over mensen die ik me niet herinner. (“Alex kwam bij me eten.” Alex? Who the fuck is Alex?) Of ik gebruik bijnamen voor mensen van wie ik de echte naam niet meer weet. (Een jongen komt steeds terug als ‘Havermout,’ een meisje als ‘SK’.) Ik doe uitgebreid verslag van gesprekken met vriendinnen en ruzies met en om vriendjes. (“B. zei dat ik spirituele langetermijndoelen moest bedenken. Ik wist niet helemaal precies at ze daarmee bedoelde maar het klonk wel heel goed.”)

Ergens schrijf ik: “Jezus, dat ik dit ópschrijf!” En dan denk ik nu: inderdaad.

Af en toe schaam ik me gewoon voor mijn negentienjarige ik.

Ik kwam mijn neef tegen die was gebeld door de Paus, die had gezegd dat hij dronken moest worden,.” Dat was het niveau van toen. “Om half drie stortte ik in. Toen werkte zelfs de automatische piloot niet meer. En: “Ik kwam een paar bekenden tegen en bleef per ongeluk tot half vier ‘s nachts op het terras zitten.”

En terwijl ik – met af en toe het schaamrood op mijn kaken – mijn dagboeken van ruim vijftien jaar geleden teruglees, vraag ik me af: hoe zou ik mijn weblog teruglezen, over ruim vijftien jaar?

Sinterklaas en Jezus

Nog 28 dagen tot pakjesavond

Nog 7 dagen tot de aankomst van de stoomboot

Nog 4 dagen tot het Sinterklaasjournaal begint.

Ik weet niet hoe het bij jullie is maar hier gaan ze alweer los. ‘t Is pepernoten troef, zeg maar. Twee dagen geleden hebben ze hun vader zover gekregen dat hij de ‘Sinterklaasdoos’ naar boven haalde en sindsdien loopt Annabel in een roze pietenpakje en heeft Liz een mijter op. Op de schoorsteenmantel staat een kalender die aftelt tot vijf december en de cd ‘Het geheim van de Sint’ schalt onafgebroken door de kamer.

Ik herinner me nog goed hoe ik afgelopen zomer een keer met Lizzy over het schoolplein liep. Zonder dat daar aanleiding voor was begon ze opeens over ‘schoenzetten’. “Zeg eens eerlijk,” zei ze. “Doen jij en pappa dat?” Ik mompelde iets dat het midden hield tussen ‘ja’ en ‘natuurlijk niet’. De Klets nam daar genoegen mee. Ik geloof niet dat haar geloof nog lang standhoudt, dacht ik toen.

Evengoed is van een wankelend geloof is nu weinig meer te merken. Laatst had ik hier een vriendinnetje van Liz. We zaten net aan de thee toen Annabel opeens zei: “Misschien is Sinterklaas wel doodgegaan ondertussen.” Verontwaardiging alom. “Natuurlijk niet,” snoof Lizzy. “Sinterklaas gaat nooit dood.” Vriendinnetje knikte. “Anders was hij niet al zo oud geworden.” Annabel zweeg. Ik moet het nog maar zien, zeiden haar ogen.

Ikzelf hoorde het van een vriendinnetje. Ik was toen – net als Lizzy nu – en jaar of zeven. De eerste keer zeiden mijn ouders dat het vriendinnetje onzin praatte. De tweede keer gaven ze het toe. Ik kan me niet herinneren dat ik het heel erg vond. Paul daarentegen voelde zich flink belazerd, zei hij. Er schijnen zelfs kinderen te zijn die op deze manier een heus jeugdtrauma oplopen.

Terwijl ik dit stukje tik wordt Annabel door Lizzy in de zak gestopt. “O, ik kan niet wachten tot volgende week,” zucht Lizzy. Ik glimlach bij de gedachte aan flauwe grappen van het Sinterklaasjournaal die ons dit jaar weer te wachten staan. Misschien kan ik het nog een jaartje rekken, schiet het door me heen. Maak ik er een soort mythe van. Zoals het zoontje van een vriendin zo mooi zei: “Sinterklaas is toch net zoiets als Jezus, sommige geloven het en anderen niet?