Wanneer ben je Digitaal Doorgeschoten?

Iets teveel achter de computer gezeten?
Muisarmpje?
Vergroeid met je iPhone?
Uitsluitend nog bereikbaar via Facebook?
Wanneer ben je nou eigenlijk Digitaal Doorgeschoten?

– Als je bij de kassa vraagt of je met iDeal kan betalen
– Als je denkt dat een ‘vitaminetablet’ en groene iPad is.
– Als je in plaats van de zuurkoolschotel je iPod in de oven zet.
– Als je wordfeud speelt tijdens je bevalling
– Als de hond Rom/Ram of Byte noemt.
– Als je vaker je mail checkt dan dat je ademt
– Als je al je vrienden begroet met ‘ Hi! What’s app?’
– Als je zegt dat je even de iPhone gaat uitlaten
– Als je bij de dokter vraagt of er niet gewoon een app is die je beter kan maken
– Als je je partner hebt leren kennen via de facebookpagina van een gezamenlijk kennis
– Als je in de coffeeshop vraagt hoeveel geheugen een ‘sticky’ heeft.
– Als je denkt dat een kind vanzelf in de slaapmodus gaat
– Als je aan de agent vraagt of hij de bekeuring even kan e-mailen
– Als je probeert te tongzoenen met je iPhone
– Als je in plaats van “President Lincoln” steeds “President Linkedin” verstaat.
– Als je in de dierentuin vraagt naar het hok met “Angry Birds”
– Als je een Apple in plaats van een Appel aan de muur hangt.
– Als je aan de postbode vraagt of je hem niet toevallig van Second Life kent.
– Als je denkt dat je het griepvirus van je computer hebt gekregen
– Als je je peuter op ‘het iPotje‘ zet.
– Als je partner je voor de keus stelt: de laptop eruit of ik eruit

Wie maakt het rijtje af?

Add
– Als je serieus op internet gaat zoeken naar dit soort dingen:

Mandarijntjes


De eerste chocolade- annex pepernotenkilo is een feit.

En dan te bedenken dat de chocoladeletters er nog aan komen, de marsepeinen biggetjes, het (overgebleven) Sint-Maartensnoep, de gluhwein en de banketletters! Om nog maar te zwijgen over kerstkransjes, kerstontbijtjes en chocoladekerstballen. Het was past eind oktober maar als ik zo doorging was ik in januari straks zelf een chocoladekerstbal/ marsepeinen biggetje. Dit vroeg om drastische maatregelen.

De redding kwam in de vorm van een kist mandarijnen. Ach ja! Die horen óók bij deze tijd van ’t jaar! Een hele kist ‘appeltjes van oranje’ voor nog geen vier euro! Ik liet mijn hand over de bolletjes glijden: zo te voelen was het fruit nu op z’n best: stevige schil, waarschijnlijk geen pitten, lekker sappig. Snel zette ik één van de kisten in mijn karretje, vanaf nu zou ik elk snaaimoment gezond én lekker te lijf gaan.

Ik had de boodschappen nog niet opgeruimd of ik zat op de bank met twee mandarijntjes. Ik voelde me gezond, gezegend en heel tevreden. Hoe blij kan je worden van een mandarijn? Afijn, ik was net begonnen met peuteren toen de Kletsen als snuffelend binnenstormden.

“Wat ruikt het hier lekker!” riep Annabel.
“Ja,” knikte Liz. “Het ruikt naar… Sinterklaas!”

Het ruikt naar Sinterklaas! Kijk, dat heb ik ze over een pepernoot nooit horen zeggen.
De Sint komt eraan, hulde aan de mandarijn.
(En hulde aan –1 kilo.)

Hóeveel zei je?!


Ik had wel eens gehoord dat Uggs in Nederland belachelijk duur waren.

Ik geloof zelfs dat ik er wel naar gekeken heb. Voor de kinderen. Ze schijnen enorm lekker te zitten en Annabel heeft nogal snel ‘last’ van haar voeten. Schoenen zitten te strak, te stug, ‘kan niet met mijn tenen wiebelen’, of ze zijn niet zacht genoeg. Maar de prijs van de Uggs kon ik me niet meer herinneren. Achteraf denk ik dat ik de prijs geblokt heb.

Nu denk ik natuurlijk niet elke vijf minuten aan veel te dure schoenen maar gisteren in de Albert Heyn had ik opeens een Uggsmoment. Ik zag een kindje met Uggs aan door de winkele stiefelen – lompe sloffen aan kleine beentjes – en opeens vond ik Uggs ontzettend schattig. En ze zagen eruit als pantoffels.
“Neem voor de kinderen ff Uggs mee”, sms-te ik Paul die op dat moment in een shopping mall in Amerika liep. Tenslotte, dat was me al honderd keer verteld, was in Amerika alles momenteel ‘spotgoedkoop’.

Een half uur later had ik drie gemiste oproepen en een sms.
“Kosten honderdvijftig doller per paar. Doen?”
“Wat?! Nee!” smst-te ik snel terug.
“Te laat. Al gekocht.”

Vanochtend haalden we Paul, zijn jetlag en twee paar Uggs van de trein. De kindjes vlogen hun vader om de nek terwijl ze steelse blikken op zijn tas wierpen. Wat zou pappa voor ze hebben meegebracht?
Een kwartier later liepen ze trots stappend op hun nieuwe schoenen door de kamer.
“Waarom heb je die nou eigenlijk gekocht,” vroeg ik hoofdschuddend. “Vond jij het niet belachelijk duur?”
“Jawel,” knikte Paul. “Maar jij had ge-smst dat ik ze mee moest nemen. Dus dan doe ik dat.”

En zo komt het dat mijn kinderen nu op belachelijk dure sloffen door het huis Uggen.

Uniek


Uniek is een mooi woord.

Uniek klínkt niet alleen lekker – een beetje Frans maar net niet té – het drukt ook nog eens een prachtige gedachte uit. Uniek. Enig in zijn soort, bijzonder, origineel.
Uniek rijmt op tuniek maar daar heeft het verder niets mee te maken. Alhoewel een tuniek natuurlijk wel weer uniek kan zijn. Dat is het leuke van uniek. Het is heel bijzonder maar toch ook gewoon. Ieder mens is immers uniek.

Vandaag ben ik op zoek naar unieke mensen voor een uniek blogje.

Ik zoek:

– Mijn oudste lezer
– Mijn jongste lezer
– De lezer die het verst weg woont (bezien vanuit 033)
– De lezer die het meest dichtbij woont
– Mijn langste lezer
– Mijn kortste lezer
– De lezer met de meest bijzondere baan
– De lezer met het origineelste verhaal over hoe hij of zij bij mijn blog terecht is gekomen
– De lezer met het origineelste verhaal over het effect van een bepaalde blog

Denk je dat jij het unicum bent waar ik naar zoek, laat het me dan weten.

En daarbij, we denken positief vandaag, ben ik opzoek naar alles wat jullie uniek maakt. Ben jij uniek omdat je drie tweelingen hebt gebaard, laat het weten, ben jij uniek omdat je binnen één jaar vijf verschillende banen (of partners) hebt gehad, ik hoor het graag. Als je eens goed in de spiegel kijkt dan weet ook jij waarom je ‘enig in je soort’ bent.

Vandaag zijn we allemaal uniek en van alle antwoorden ga ik binnenkort natuurlijk weer een leuk blogje knutselen.

Ik ben erg benieuwd naar jullie – unieke – reacties!

‘k Heb hele grote …


Eén van mijn taken als moeder is het zorgen voor een lekkere en gezonde avondmaaltijd.

(Een criticus zou nu kunnen opmerken dat dit niet alleen de taak van de moeder is maar een verantwoordelijkheid van beide ouders. Maar die criticus kent Paul niet. Zolang mijn man denkt dat kibbeling gezond is omdat het ‘vette vis’ is, neem ik in de keuken de honneurs waar.)

Vaak vind ik dat koken best een gedoe. Ik ben niet echt een Cordon Blue om het zo te zeggen en mijn fantasie is – waar het de kokkerellen betreft is – erg beperkt. En als het dan ook nog gezond, lekker én snel moet zijn dan denk ik al snel ‘doe mij maar een pizza’. Maar zo werkt het natuurlijk niet.

In de loop der tijd blogde ik regelmatig over eten. Over de keer dat we gingen gourmetten, over de pompoensoep, over de avond dat ik een pastinaak klaarmaakte en de periode dat we uit ‘eet je mooi’ kookten. Je kunt zeggen wat je wil maar ik probéér het tenminste wel: elke avond voor een feestje zorgen.

Natuurlijk heb ik ook wel eens geen inspiratie (en geen zin), dan maak ik me er vanaf met aardappels, groente, vlees. Zoals gisteren, toen ik een bloemkool kookte, een aardappeltje opzette en een gehaktbal draaide. Om mijn gebrek aan inspiratie te verdoezelen maakte ik er een tamelijk fantasieloos kaassausje bij.

“Zo,” zei ik tegen de kletsen terwijl ik de dampende pannen op tafel zetten. “Morgen heb ik meer tijd. Dan maak ik encilada’s, risotto of pompoenpannenkoekjes“. Ik maakte een muisje van bloemkool en aardappel en goot er kaassaus over.
“Lekker,” zei Annabel opgetogen. “Een worstbal.”

Binnen een kwartier waren de borden leeg. Annabel likte haar bord schoon, Liz schepte nogmaals op.

“Superlekker,” was het eindoordeel. “Eten we morgen weer bloemkool?”

De boekenwurm


“Pleuris!”

Van schrik laat ik een stapeltje schone sokken vallen. Hoor ik dat nou goed? Ligt mijn achtjarige dochter daar nou gewoon een potje te schelden op haar bed? Hoe ordinair!
Snel zet ik de televisie wat zachter en spits mijn oren. De pleuris krijgt geen vervolg. Hij breekt zogezegd niet uit.

“Zei je iets, schat?” informeer ik voorzichtig.
“Wat is ‘de pleuris’?”
“Pleuris is een longziekte. Wás een longziekte. Ik geloof niet dat het nu nog voorkomt.”
“O. Oké.”

Voorzichtig steek ik mijn hoofd om de hoek van Liz haar kamer en ik zie tot mijn geruststelling dat ze gewoon in haar bed ligt te lezen. Lampje aan, lekker warm onder haar dekbed. Wat herkenbaar en wat heerlijk. Ik zou er bijna naast gaan liggen.

“Nog vijf minuutjes,” zeg ik. “Dan ga je slapen hè?”
“Mmm,” mompelt Liz, duidelijk verdiept in haar boek.

Terug in mijn kamer leg ik alsnog de schone sokken in de kast. Ik wil net aan de onderbroeken beginnen als ik weer wat hoor.
“Wat is een sa-na-to-ri-um?
“Een sanatorium? Een soort ziekenhuis. Zeg, wat voor boek ben jij in hemelsnaam aan ’t lezen?”
Snel loop ik terug naar de kamer van mijn dochter. Op de boekenmarkt heeft ze laatst een stapel boeken gekocht en ik heb eigenlijk niet goed gekeken wat de boekenworm nou eigenlijk in huis gehaald heeft. Ze zal toch niet een of andere gare doktersroman aan het lezen zijn?! In gedachten zie ik een verpleegstertje met een te kort rokje aan op het bed van een aantrekkelijke jongeling zitten. Zij buigt zich voorover om zijn pols te voelen terwijl hij… o nee toch?!

Maar als ik het boek uit Liz’ handen trek en voorzichtig met mijn handen over de beduimelde kaft strijk wordt alles in een klap duidelijk. Ik onderdruk de neiging om aan de bladzijden te ruiken.

De Olijke Tweeling.
Eerste druk
1963

Ik kan een glimlach niet onderdrukken als Liz zucht: “De “Olijke Tweeling” is zo leuk!”

Viswijf


“Mam, als jij lacht heb je kieuwen.”

We zitten met z’n vieren op de bank en we kijken de herhaling van The Voice of Holland. Zojuist gebeurde er iets grappigs en kennelijk heeft Liz dat moment aangegrepen om een studie te maken van de zijkant van mijn (lachende) gezicht.
“Kíeuwen?”
“Ja, als je lacht, dan krijg je drie van die boogjes in je wang en dat lijken net kieuwen.”
“Nou ja!”

Van de zenuwen schiet ik prompt weer in de lach waarop ook Annabel zich met de discussie begint te bemoeien.
“Inderdaad, jij lijkt wel een haai, haaien hebben ook van die strepen op hun wangen.”
“Dat zijn rimpels,” grom ik.
“Nee het zijn kieuwen.”
“Goed, het zijn kieuwen. Mama gaat in elk geval nooit meer lachen.”
“We bedoelen het lief hoor,” zegt Annabel.

De rest van de avond doe ik mijn best om vooral niet meer te lachen.

Met de kieuwen in mijn achterhoofd (zal dat er gek uitzien!) besluit ik de volgende dag dat het tijd is voor een nieuwe gezichtscrème. Als ik Annabel naar balletles gebracht heb loop ik samen met Liz naar Douglas.
“Wat gaan we doen?”
“Gezichtscrème kopen.”
Ik vraag de verkoopster naar een goede verzorgende gezichtscrème – graag maximaal antirimpel en doe er ook maar meteen een oogcrème bij –, trek Liz bij het schap valse wimpers en heksennagels vandaan, en probeer niet te schrikken van het bedrag dat op de kassa verschijnt.
“Waar is die crème voor,” vraagt Liz, als ik mijn pinpas pak.
“Die crème is niet voor, die crème is tegen. Tegen rimpels.”
“Nee!” roept Liz, net iets te hard. “Ik wil niet dat je kieuwen weggaan.”
En bedankt, nu weet heel 033 dat ik kieuwen heb.

“Ik overweeg een botoxbehandeling.”
“Joh,” zegt Paul, terwijl hij met een half oog naar V.I. kijkt. “Wat maak je je druk, het zijn gewoon lachrimpels.”
“Die op kieuwen lijken,” zeg ik ongelukkig. “Eigenlijk zeggen mijn kinderen gewoon dat hun moeder een viswijf is.”
Paul zegt even niets, zapt naar Discovery waar – o ironie – toevallig een haai in beeld is en bekijkt me nog eens goed. Vervolgens geeft hij me een kus op een van mijn kieuwen.
“Je bent geen viswijf,” lacht hij. “Je bent hooguit een haaibaai.”

En terwijl hij lacht zie ik ze. Drie boogvormige strepen op zijn wangen.
Hij heeft ze ook.
Ha(ai)!

Updatebericht Feestpakketten en Weggeefboeken


Uit het Sinte Sinte husselpotje is de naam van Sbb gekomen. Sbb, mail je adres maar door, het feestpakket (wat is hij leuk geworden!) komt jouw kant op!

Liz en Bel hebben uit de reacties op “Welkom in Betlehem” de naam van Diana gekozen. Dit was haar reactie:

Voor het eerst dat ik reageer op een blog, spannend . Nu toch maar even van de gelegenheid gebruik maken om te slijmen (wie weet verhoogt het m’n kansen op een gesigneerd exemplaar van je boek); ik moet altijd zo ontzettend lachen om je blogs! M’n man ziet me dan dubbel liggen achter de computer en vraagt bezorgd om het wel goed gaat. Maar het is soms zo herkenbaar (en soms ook helemaal niet, maar wel heel goed voorstelbaar) en ik vind het ontzettend knap hoe jij de humor van zo’n situatie kan weergeven! Een toppertje van de afgelopen tijd, de hooivork ehhh berg.(heb zo moeten lachen, geweldig!)

Beide dames mogen hun adres doormailen naar es310873@gmail.com

En voor de rest: tot de volgende actie!

PS, Sanne, stuur me tzt je nieuwe adres nog maar even toe dan, boek is er echt niet voor de zomer! (Binnenkort meer over het onderwerp ‘boek’.)

Die zag ik niet aankomen!


Voor een projectje ‘biologie aan huis’ zou ons gezin worden uitgebreid met een vleesetende plant.

Ik liet de meiden beloven dat ze de vleesetende plant, de venusvliegenvanger zoals hij officieel heet, geen cornflakes of plakjes salami zouden gaan voeren en voor de zekerheid liet ik ze een filmpje zien van de venusvliegenvanger die een grote mug verschalkt. (Ik stond een beetje op achterstand wat betreft de feiten want ik had gegrapt dat ik die vleesetende plant op mijn heupen zou zetten – werkte vast beter dan een abtronic – waardoor de Kletsen het idee hadden dat we een soort zelfredzame kliko in huis haalden in plaats van een kwetsbare moerasplant.) Post it: ophouden met lollig doen waar het serieuze opvoedkwesties beteft. Dus.

Na het zien van het filmpje beloofden de meiden dat ze de plant uitsluitend mieren en spinnen uit de kelder zouden voeren – hetgeen ik van harte toejuichte – en samen met buurvrouw C. (& kids) reed ik naar het tuincentrum.
“Zo terug,” zei ik nog tegen Paul.

De kinderen moesten uiteraard even in de ballenbak wat C. en mij de tijd gaf om een kopje koffie te drinken. Terwijl ik daar zo lekker rustig zat keek ik eens goed om me heen. Daarginds stonden de kamerplanten, daar moest ik even heen. De venusvliegenvanger had ik inmiddels gevonden. (Verbeeldde ik me dat nou of keek hij echt verlekkerd naar het saucijzenbroodje van C.?) En misschien kon ik nog even bij de pompoenzaden kijken, mijn moeder had daarna gevraagd. En dan nog even bij de hamsters kijken en…

“Verrek. Ik zie een kameel!”
Verschrikt keek ik in de richting die buurvrouw C. aanwees. Inderdaad. Een kameel. En een ezel. Een paar kippen, een konijn.

Een levende kerststal. Die zag ik niet aankomen.
De kinderen wisten niet hoe snel ze uit de ballenbak moesten komen en renden tussen de herfstasters en tuinkruiden door naar de dieren. En daar ging het – tijdtechnisch -mis.
De ezel moest worden geaaid, de gans moest worden bestudeerd en de kameel moest op de foto. Liep ik daar met mijn vleesetende plant tussen de levensgrote Maria’s en Jozefs. (“Pas op, hij bijt!” stond er op het bordje bij de kameel. Ik hield mijn venusvliegenvanger omhoog en zei tegen de kameel: “Hij ook!”) Pas na drie kwartier kregen we de meiden bij de stal vandaan. De kameel keek mij en mijn vleesetende plant minachtend na.

“En dan nu snel naar de kassa,” zei ik.
Maar nee. Na de dieren kwam de kerstmarkt. Kerstmarkt?! Wel alle ontploffende flitspalen nog aan toe, ik zit nog met mijn hoofd in zomer. Ik raak al overstuur van een paar pepernoten bij de buurtsuper, laat staan van een kerstmarkt ter grote van een gemiddeld pretpark! Ik schrok me dood van al die glitter en glamour, daar hadden mijn vleesetende plant en ik toch helemaal niet op gerekend. Boorvrouw C. en ik werden er nogal melig van maar de kinderen vonden het prachtig. Zij werden onmiddellijk gegrepen door de Eftelingachtige sfeer van de lichtjesafdeling en bestuurden elk huisje en draaimolentje met zoveel aandacht dat het leek alsof ze ze persoonlijk ontworpen hadden.
“Zullen we thuis de kerstboom zetten?” vroeg Liz hoopvol.

Twee uur later stond ik eindelijk mijn plantje af te rekenen bij de kassa.
“Jezus,” zei ik. (Jezus vond ik wel toepasselijk, gezien de kerstmarkt) “We zijn gewoon twee uur binnen geweest!”
“Dan ga ik vooruit,” zei C. “Vorig jaar stond ik pas na drie uur weer buiten!”

Tuffy had ons er gemist en verwelkomde ons vrolijk fluitend. Aandacht, aandacht, trirpte hij, terwijl Paul de vleesetende plant bestudeerde.

“Grappig plantje,” zei Paul. “Eet hij ook parkietjes?”

Van harte schat!


Om negen uur werd er op het raam getikt.

De buren. En de buren van de buren. “Van harte!” riepen ze. “Van harte Paul, met je 41e.” Smak-smak, slobber. “Dank je, dank je,” knikte Paul. Hij nam een scheurkalender in ontvangst, een bon van de Eurofleur en een fles rosé.

“Ik breng de kinderen even naar bed,” riep Paul, terwijl hij om de visite heen zigzagde.

Ik liep naar de keuken om een paar schoteltjes te pakken. Op het aanrecht stonden de restjes babi pangang gezellig te kwebbelen met een half afgekloven mokkataart. Ik vroeg of de gasten wijn wilden. Of misschien liever koffie? En passant zwaaide ik Pauls ouders uit. “Doei Paul!” riepen ze naar boven. “Doei!” riep Paul terug.

Ik had ’s middags slingers opgehangen. Paul vindt daar niet zoveel aan, maar ik vind het leuk. Het staat zo gezellig. Zo lekker jarig. Ik hou van jarig. Ik had lekkere taart gehaald en wijn koud gezet. Paul had de hele dag gewerkt, hij was net na de eerste taartronde thuisgekomen. Hij had een biertje gedronken en was met een vermoeide blik in zijn ogen op de bank gaan zitten. Volgens mij was hij blij dat hij even de kinderen op bed ‘mocht’ leggen.

Maar moe of niet, feest werd er gevierd. Het was een gezellige verjaardagsavond met deze en gene. Na de taart kwam de wijn en we hadden reuze plezier. Lachen, lol. Ik weet niet eens meer waarom. Verjaardagen in de buurt zijn altijd leuk, lekker makkelijk, geen bob nodig, babyfoons op een rijtje. Naar huis wanneer je wilt, geen gedoe.

Een geslaagde avond dus. Een fijne verjaardag.

Hoe Paul het vond?
Geen idee. Hij is niet meer naar beneden gekomen.