Ik Facebook!


Ik heb een hele leuke uitgever.

Niet alleen denkt hij met me mee, hij geeft me ook huiswerkopdrachten. Zo moest ik deze week de film Barton Fink kijken (in verband met het thema), foto’s laten maken (voor een interview) en een facebookaccount aanmaken.

Dat laatste is natuurlijk deels voor de PR straks (maar stiekem vind ik het ook ‘gewoon’ erg leuk) en we hopen op een heleboel vind-ik-leukjes straks. Dus bij deze: ik facebook, wie wil kan me uitnodigen. Voorlopig zet ik er korte berichtjes, foto’s en gezellige filmpjes op. (Bijvoorbeeld van Tuffy en/of van nagellakkende Kletsen.) Straks wordt het meer boekwerk en misschien een beetje promotie. En bijkomend voordeel: ik kan ook eens wat van jullie zien!

En als ik niets op zet, dan ben ik druk. Met (her)schrijven of met een van mijn andere huiswerkopdrachten.

Tot op Facebook! (Vind ik leuk!)

Advertisements

Even klagen…


Wat kunnen kinderen toch vervelend zijn. Vooral de mijne.

Hoe váák ik ’t ze nou al wel niet gezegd heb, hoe váák heb ik ze wel niet heb gewaarschuwd, werkelijk ontelbare keren. Je zou denken dat ze het nu toch zo onderhand wel scherp zouden hebben.

En waarschijnlijk wéten ze ’t ook wel, maar ik zweer je, doen ze er het er gewoon om. Om mij te pesten, omdat ze weten dat ik ’t niet uit komt. We hadden het er laatst nog over, ‘als je het maar uit je hoofd laat’, zei ik direct toen ze er een grapje over maakten. Ik gaf ze mijn allerstrengste blik, maar kennelijk maakt die ook geen indruk meer.

Echt, op zo’n dag als vandaag vraag ik me – als moeder – gewoon af wat ik toch fout doe. Wat heb ik verkeerd gedaan als opvoeder? Ben ik te makkelijk geweest? Communiceer ik niet goed? Zijn mijn kinderen doof? Afijn, wat het ook is, ík zit weer met de gebakken peren.

Want er ligt er weer gestrekt een op de bank. Met véértig graden koorts nota bene! Ondanks mijn waarschuwingen: “Wat je ook doet, je wordt NIET,wat zeg ik NOOIT, ziek op dinsdag want die dag komt pappa en mamma echt helemaal niet goed uit.” En dan gewoon tóch de hele nacht braken.

Zucht. Ze leren het nooit.

Een dagje bij de vogelopvang


Een dagje Vogelopvang Soest, wat een bijzondere plek! Lizzy en Annabel hebben er niet lang voor nodig om te zich aan te bieden als vrijwilliger. Helaas moet je daar officieel zestien voor zijn maar de meiden mogen wel een keertje komen oefenen. Joepie! De hele dag tussen de veren (en soms vachten). We beginnen vandaag alvast met een paar jonge eendjes. Ah… jij bent lekker zacht! Mamma vindt hem ook leuk!

Jou neem ik mee naar huis!

Hier is de rest van de familie. Vroege vogels zijn jullie, een nestje in februari!


Wij logeren hier, ons baasje haalt ons over een week weer op!

Kijk, ik heb een nieuw vriendje!


He, dat kietelt!

Twee duifjes. Net uit het ei!

“Nee. Dit is geen vogel volgens mij.”

Pas op, ik bijt!

Als we weggaan stoppen Lizzy en Annabel nog snel twintig euro in de donatiepot. Hebben ze zelf verdiend met het geven van ‘shows’ voor het goede doel. De vogelopvang is er blij mee. “Kunnen we weer wat lekkers kopen voor de beestjes,” zeggen ze.

Waterworld


De carnavalsvakantie is alweer ten einde.

De kindjes hebben ervan genoten – en mamma ook – . Ze hebben gelogeerd bij opa en oma die ze meenamen naar, jawel, de kunstijsbaan. Lizzy schaatste wel tien kilometer (de held, ik doe ’t haar niet na!) en de kleine Bel was goed voor ruim één kilometer op haar wankele roze schaatsjes.

En oma heeft een lekkere grote douche, dus toen ze weer thuis waren hebben ze heerlijk gepoedeld. Lekker warm worden en het zweet van je afspoelen. En wat is er lekkerder dan na het douchen, in je pyjama, op de bank televisie kijken? Geen wonder dat ze die nacht sliepen als roosjes.

De volgende dag, weer thuis, nam ik ze mee naar het zwembad. De hele dag spetterden we in de verschillende baden (oa het bubbelbad buiten). We dreven door stroompjes, oefenden de duiken en de meiden gingen ongeveer honderd keer van de glijbaan. Met rode ogen van ’t chloor zaten we in de auto terug naar huis. Altijd fijn, zo’n dagje zwembad.

Voordat ze moesten gaan slapen kregen ze nog een kopje thee. En toen ze daar zo op de bank zaten kwamen ze tot een plotseling inzicht.
“Wat kan je eigenlijk veel met water,” zei Liz. “Als het hard is kan je er op schaatsen, als het warm is kan je erin zwemmen. Echt cool!”
“Ja,” knikte Annabel. “En als je een zakje bij doet heb je thee. En je kunt ermee douchen, je tandenpoetsen en wassen.”
“Sneeuw is toch ook water? Dan kun je er ook mee spelen.”
“Waterijsjes van maken.”
“Op varen!”
“Ik hou heel veel van water.”
“Ik vind water superleuk!”
En ter plekke, na het schaatsen, zwemmen en theedrinken, besloten de dames de ze water het allerleukste vonden van de hele wereld. Water was hun leukste speelgoed en hun beste vriend.

Ik overwoog op dat moment om de kinderen vertellen dat water niet altijd leuk is, getuige de watersnoodrampen, de overstromingen in Bangladesh, de droogte in Sahel de sneeuw lawines en tsunami’s. Maar ik zei niets.

Ik heb nog een lekker kopje thee ingeschonken en beaamd dat water onze grote vriend is.

Soms moeten kinderen gewoon onbekommerd ergens van kunnen genieten.

2012


Gisteravond heb ik de film 2012 gekeken, een film waarin de voorspelling van de Maya’s bewaarheid wordt en waar de wereld as we know it ophoudt te bestaan.

Qua verhaal is 2012 geen fantastische film – om te beginnen hebben de wetenschappers zich verrekend, het einde van de wereld, als het komt, zou pas in 2220 plaatsvinden – maar de beelden vond ik geweldig. Ik ben altijd wel in voor een goeie ramp, filmtechnisch. Ik smul van films als Deep Impact, Vulcano, I am Legend en The Day after tomorrow. In dat opzicht vind ik het echt jammer dat De zwerm van Frans Schatzing nog niet verfilmd is. In dat boek vindt een tweede Storregaverschuiving plaats waardoor heel europa door een grote tsunami wordt weggevaagd. Heerlijk!

Na het kijken van zo’n film volgt altijd de eeuwige discussie over ‘wat als het echt zou zijn’. Ik bedoel, het kan zomaar gebeuren, in feite is het al eeuwen erg rustig op de aardbol. Er komt een dag dat het carnaval echt is afgelopen, dunkt me. Zo zijn er zijn aanwijzingen dat het aardmagnetisch veld op het moment bezig is om te draaien. Dat omwisselen van die polen kan enkele leuke gevolgen hebben: vrijkomen van straling door wegvallen elektromagnetisch veld, klimaatverandering en verandering van evenwicht. Daarvan zullen we met z’n alleen beslist van uiit balans raken.

Maar het is heel goed mogelijk dat we zo’n polenwisseling niet meer meemaken omdat we voor die tijd al zijn getroffen door een meteoor, weggevaagd zijn door een tsunami vanwege het instorten van de grote vulkaan op La Palma of bevroren zijn na uitbarsting van de vulkaan onder Yellowstonepark. Om waar wat te noemen.

Afijn. Het was dus weer een gezellige avond. Wijntje erbij, lekker griezelen en blij zijn dat het nog niet écht zo ver is. (Mijn God, je zal afscheid moeten nemen van je kinderen terwijl je weet dat er een meteoor op je afkomt.) Meestal droom ik na zo’n avond bijzonder heftig. Ik zit in een neerstortend vliegtuig, ik word meegezogen door een draaikolk of ik raak verdwaald in een sneeuwstorm. Maar afgelopen nacht sliep ik ongewoon rustig. Ik werd wakker en bedacht dat als zoiets dan moest gebeuren, dan maar terwijl we allemaal sliepen.

En jij, wat is jouw worst-case-scenario?

O jee


In mijn ijver om ruimte in mijn hoofd te creëren heb ik niet alleen mijn huis, mijn auto en mijn kledingkast opgeruimd (oke, technisch gesproken heeft Paul mijn auto a.k.a. “De rijdende vuilnisbak” onder handen genomen), ook mijn computer moest eraan geloven.

Daarin ben ik ietwat doorgeschoten: ik heb per ongeluk een hoofddirectory (met daarin ongeveer al mijn worddocumenten) verwijderd, waarna ik op ‘prullenbak legen’ heb gedrukt.

Alle worddocumenten, dat zijn dus ook alle zesendertig versies die er onderhand zijn van mijn boek. Alleen de laatste versie is bewaard gebleven, daarvan had ik een back-up gemaakt. (Ik ben natuurlijk niet helemaal control-alt-delete!)

Mijn computer is nu een stuk sneller en ik ook. Minder ballast. Minder twijfel. Wat er niet is hoef je ook niet te (door)zoeken. Duidelijkheid in de wirwar van woorden.

Ik zie het als een teken van boven.

Een klein schepje suiker …


Of het nou kwam door Omi’s uitvaart van vorige week of door een plotseling opkomende nostalgie, geen idee, maar opeens stonden we bij het graf van míjn opa en oma (van mijn vaders kant).

Het was even zoeken geweest, ik was er een tijdje niet geweest – negen jaar om precies te zijn – dus ik moest eerst even mijn vader bellen waar zijn ouders ook alweer ongeveer lagen. (“Ik wilde even bij opa langs maar waar woont hij ook alweer?”)
Echter toen ik voor het graf stond herinnerde ik me alles weer, van mijn oma’s leuke lachjes tot geur van wierrook in de kerk (ik was toen tien en vond het behoorlijk stinken). Er stonden verse bloemen op het graf, mijn vader was er de afgelopen week nog geweest. Mooi graf hadden ze eigenlijk. En wat was het hier heerlijk rustig. (“Dat jij hier niet vaker komt,” zei Paul, “Jij houdt zo van de stilte.”)

De Kletsen – nog nooit op een begraafplaats geweest – vonden het behoorlijk indrukwekkend (“liggen al die mensen er écht onder?”) en Annabel raakte een beetje in de war van al die grootouders (“Maar jouw oma is toch gecremeerd? Hoezo ligt ze hier dan ineens?” “Dat was mijn andere oma lieverd.”). Maar ze vonden het ook wel mooi, heel anders dan de as die ze wel eens bij mensen in potjes hebben gezien, (“Is dat ook een urn?” “Nee, lieverd dat is een asbak.”) “Je ligt hier wel lekker rustig,” zei Liz.

De kinderen en ik willen gecremeerd. Paul wil wel begraven op de begraafplaats vlak bij ons huis. Zoals we daar liepen was het heel normaal dit soort gesprekken te voeren. We liepen langs een grafje van een doodgeboren kindje en daar schrokken we allemaal wel van. “Ik ben blij dat ik niet doodgeboren was,” zei Liz. “Anders ik wel,” zei ik.

En zo probeer ik de kinderen langzaam vertrouwd te maken met dood, die zo bij het leven hoort. Niet leuk, maar nog minder leuk als je ervoor wegloopt. Trouwens, je kunt er niet eens voor weglopen, lees dit prachtige gedicht van De tuinman en de dood maar eens hier.

Na afloop van ons bezoek aan het graf van mijn grootouders dronken we warme chocomel met slagroom in een gezellig restaurant. Een klein schepje suiker maakt het bittere weer zoet, zong Mary Poppins en we waren nog niet binnen of het begon, dwars door de zonnestralen heen, te hagelen.
“Kijk,” zei Liz terwijl ze naar buiten wees. “Wij hebben geluk!”

Ik gaf de Klets een kus op haar hoofd en zei: “Je hebt geen idee hoeveel geluk wij hebben.”