Roze veren


Gisteravond ging ik een wijntje drinken bij wandelvriendin B.

“We kunnen ook wijndrinken tijdens het wandelen,” zei B. “Dat is megamultitasken.”
We bleven toch maar liever op de bank zitten. Niet in de laatste plaats omdat we dan met een half oog naar Hollands got talent konden kijken. (Wat een dom programma.)

Daarna heb ik heerlijk geslapen, mijn nieuwe roze veertjesoorbellen lagen naast me op het nachtkastje. De Kletsen deden ook leuk mee: ze werden pas om acht uur wakker en kwamen daarna heel gezellig kwetterend bij ons in bed. (Liz met de opmerking: “Wij hebben het op school over neuken gehad.” Ook goedemorgen.)

Paul is nu met de dametjes boodschappen doen en ik tik een blogje terwijl ik van mijn koffie geniet. Straks ga ik wat hapjes in elkaar fransen want we gaan eten bij vriendin C. (die hopelijk niet ziet dat ik gisteren stiekem toch onder de zonnebank ben geweest) dat vind ik leuk en daar heb ik zin in!

As we speak breekt de zon door. Voor even, vermoed ik, want de lucht is gevaarlijk grijs. Geeft niet, mijn lentebloemen kunnen wel wat regen gebruiken, worden ze lekker fris van. En verderop staan de prunussen alweer in bloei. ’t Zijn net enorme suikerspinnen, zo vol en roze. Tuffy zingt een mooi liedje en ik ga even stofzuigen.

Het is zaterdag. En het is zo’n zaterdag dag je denkt: het leven is toch af en toe wel Allah-Jezus mooi. In al zijn eenvoud.

Ik wens jullie een heerlijk weekend.

Advertisements

Off-white


Elk jaar rond deze tijd ga ik een paar keer onder de zonnebank.

Niet om poepiebruin te worden, maar gewoon om off-white te geraken. Sinds ik ooit een vriendje had dat vroeg waarom ik een witte panty droeg op rokjesdag (wat toen nog niet eens echt bestond) ,let ik daar extra op. En daarbij, als je bruin bent lijk je ook dunner. Straks wordt het weer mooi weer (ik beschouw deze dip als tijdelijk) en zit ik daar, wit en lillend.
Kortom, ik moest maar snel weer gaan!

Nou vertelde ik laatst aan vriendin C. dat ik onder de zonnebank ging en zij vond dat maar onzin. Je haar blonderen in de zomer was tot daar aan toe (“grijs is lelijk en net-niet-bruin ook”) maar die zonnebank daar moest ze niets van hebben.
“Dan heb je over tien jaar een gezicht als een oude leren tas!”
“Nee hoor, ik zet de gezichtsbruiner altijd uit.”
“Maar toch.”

C. zei dat ik me niet moest laten opjutten door het beeld dat iedereen bruin ‘moet’ zijn. Wit is veel gezonder, in zekere zin, wit is adellijk en bruin veroorzaakt huidkanker.
“Als we nou allemaal gewoon normaal doen en niet gaan liggen bakken dan vallen witte benen ook niet meer op.”
“Denk je?”
“Ja. En je gaat al snel te lang onder de zonnbank en dan heb je roze borsten, dat ziet er ook nog eens niet uit.”
“Ik hou van roze.”

In elk geval, C. wist het heel overtuigend te brengen waardoor ik ging twijfelen aan mijn zonnebankplan. Misschien had ze wel gelijk. De zonnebank is niet gezond, het kost geld en tijd, en waarom zou ik me laten meeslepen door een ‘ideaalbeeld’. Misschien moest ik mijn benen (en armen) dit jaar maar gewoon wit laten.

Die avond stond ik extra lang voor de spiegel. Als ik lang keek viel het best mee met dat witzijn, ik bedoel, ik was toch geen albino of zo. En ik heb mooie benen, wit of niet. Dus. Net op het moment dat ik mijn kleren weer wilde aantrekken kwam Liz binnenlopen.

“Goh,” zei ze. “Mam, je bent zo wit als een ei.”

Zou C. het merken als ik stiekem toch een paar keertjes zou gaan?

En jij bent een …


Het gaat goed met de balletlessen van Annabel.

Elke week zwiert ze rond in haar roze pakje, roze rokje en op roze schoentjes. Ze kent inmiddels de posities, weet wat ‘plié’ en ‘barre’ en ‘ronde’ betekenen en danst al kleine stukjes op de muziek van het Zwanenmeer en de Notenkraker.

Gisteren was het kijkles. De kindjes begonnen met een warming up, daarna oefenden ze de posities. Ze dansten als waterdruppels en Pinocchio. Ongeveer halverwege de les legde de juf uit dat ze een improvisatiespel gingen doen. “Want het is belangrijk dat de kinderen in een dans kunnen laten zien hoe ze zich voelen. Dat noemen we ‘vrije expressie‘”
Er werd een muziekje opgezet en alle kinderen mochten dansen zoals ze wilden. Hun dans moest laten zien wie of wat ze op dat moment graag zouden zijn of spelen. Ik herkende een dansende pop (Coppélia?), een stervende zwaan en een springerig elfje. Bij sommige moest ik wat beter kijken, een vogel misschien, een lappenpop. Eén meisjes stond heel stil en maakte zichzelf langzaam groter, ze was vast een boom, of een ontluikende bloem.

Annabel liep heupwiegend tussen de ballerina’s door. Met één hand losjes op haar heup schreed ze verleidelijke rondjes waarbij ze haar publiek uitdagend aankeek. Ze glimlachte, knipperde met haar lange wimpers en leunde nonchalant tegen de barre (alleen de peuk ontbrak). Ze blies op haar nagels.

“Zo Annabel,” zei de juf toen de muziek stopte. “Jij ben vast een fotomodel.”
“Nee joh,” snoof Annabel. “Ik ben een coole gast.”

Oeps… sorry!


Ik ben niet iemand die er zomaar van alles uitflapt.

Mij zul je niet zo snel horen zeggen dat ik een bepaalde opmerking niet leuk vind, dat ik je nieuwe vriend niet mag of dat ik vind dat je kind zich niet goed gedraagt. Ik ben meer van de mantel der liefde, van de splinter in het eigen oog. En van het ‘kijk eens in de spiegel’-principe.

Toch komt wat ik zeg niet altijd even goed over. Dat dit meer te maken heeft met onbenulligheid dan eerlijkheid blijkt wel uit het voorbeeld van gisteravond: tijdens het lenteklaar maken van de school joeg ik een collega/moeder de stuipen op het lijf door heel verongelijkt te zeggen dat ik vreselijk naar brand stonk. Dat kwam natuurlijk door het vuur op de Middeleeuwse boerderij, maar die moeder schrok zich een ongeluk omdat ze dacht dat mijn huis was afgebrand. Niet handig.

Ik heb ook wel eens tegen een accountmanager gezegd: “En hoelang duurt dat, schat je?” Als je het hardop zegt snap je wel waarom ik daarna hevig moest blozen. En wat te denken van de keer dat ik een grapje maakte over ‘rare Chinees’ tegen iemand die bleek met een Chinees getrouwd te zijn.

Het stomst wat ik ooit heb gezegd was eens tijdens Jazz hier in de stad. Het was onwijs druk en op de een of andere manier kwam ik allemaal mensen tegen waaraan ik echt geen behoefte had. Een ex, een duffe collega, iemand die ik niet mocht, die types. Later die avond – borreltje op – kwam ik een oude vriendin tegen met wie het destijds allemaal een beetje vreemd was gelopen.
“Gezellige drukte hè!” zei ze, toen we even stonden te kletsen.
“Nou,” zei ik. “Alleen kom ik op de een of andere manier alleen maar mensen tegen aan wie echt ik totaal geen behoefte heb.”

Daar bedoelde ik haar niet mee, echt niet. Maar ze liep wel boos weg. Oeps.

Wat is het stomste dat jij ooit per ongeluk gezegd heb?

De oermoesmoeder


“En als ik nou per ongeluk in mijn vinger snij?”
“Dan heb je pech want in de Middeleeuwen hadden ze nog geen pleisters.”

De leerlingen van groep 5A zijn druk. Het is 800 na Christus – de vroege Middeleeuwen – en de bewoners van de boerderij hebben honger. De leerlingen snijden groenten voor de soep, ze malen graan en ze kneden deeg. Op het erf wordt de kruidentuin bekeken en er worden stokken gesneden voor het broodbakken.

Een jongen vraagt of hij even bij het zwijn mag gaan kijken.
“Ja hoor,” zegt Vroeg-middeleeuwse boer ‘Dyonisius’, “maar pas op, hij is echt dol op kindervingertjes!” Hier en daar wordt wat onzeker gelachen.
Als we later rondom het vuur van de grote boerderij zitten vertelt boer Dyonisius een spannend verhaal. Over een roedel wolven en een kippendief. “Verhalen,” zegt Dyonisius, “waren erg belangrijk in de Middeleeuwen, mensen hadden geen televisie en zochten toch vermaak.”
De kinderen luisteren ademloos terwijl ze voorzichtig hun broodjes bakken boven de hete kolen. Alles ruikt naar brood, vuur en hout. Als het deeg gaar is krijgt iedereen van mij een klodder ‘oermoes’.
“He,” roept iemand, “Lizzy’s moeder is de oermoesmoeder!”
“Straks gaan we opruimen,” waarschuwt Dyonisius, “en iedereen helpt mee. Het was hard werken in de Middeleeuwen en iedereen moest helpen. Ook de kinderen.” Een beetje dreigend kijkt hij de kring rond.

“Nou,” zegt een meisje terwijl ze genietend nog een hapje van haar broodje met oermoes neemt. “Het was dan misschien wel zwaar in de Middeleeuwen, en kinderen moesten veel doen en zo, maar ze hadden wél lekkere broodjes!”

Buurman & Buurman


Ik had een beetje gemopperd tegen Paul.

De laatste tijd regen de weken zich aan een en het het leven begon aan te voelen als een estafette: als ik binnenkwam gaf ik snel het stokje aan Paul waarop hij er vandoor ging. Naar Finland, naar hockey, naar zijn werk. En ik holde naar school, naar een afspraak en naar een vriendin. De tijd glipte door mijn vingers, dat gevoel had ik.

“Dit weekend gaan we samen iets leuks doen. Samen.”
“Ja ja, maar eerst moet ik even klussen in de tuin.”
“Daarna gaan we gezellig samen iets doen.”
“Jaja.”

Afijn. Zaterdagochtend na de boodschappen nam mijn man de boor ter hand. Een voliere zou er komen, zodat Tuffy in de zomer naar buiten kon. Eerst was er nog sprake van dat Arnold zou komen helpen maar die bleek bij het klussen aan zijn veranda niet alleen zijn voorhoofd gescalpeerd te hebben maar ook in zijn hand gezaagd te hebben, dus dat bezoek bleef me bespaard.

“Auw. Gódver.”
Een dikke straal rood bloed liep langs de arm van mijn man. Snel rende hij de keuken in, hield zijn duim onder de kraan en greep naar een theedoek.
(“Schat, pak dan in elk geval een schóne.”)
“Ik ben uitgeschoten met de boor.”
“O. Ik ga even de verbanddoos halen.”
“Ik denk dat we naar het ziekenhuis moeten.”
“Oké, ik rij.”

Tien minuten later zaten we in de wachtkamer op de Eerste Hulp. Ik met mijn tas op schoot, Paul met zijn duim in een (schone) blauwe theedoek gewikkeld.
“Wat heb jij gedaan?” vroeg de jongen naast ons aan Paul.
“In mijn vinger geboord.”

Buiten was het stralend weer. Binnen was het druk en heel benauwd. Het duurde lang. Ik probeerde niet te zuchten maar ik deed het blijkbaar toch.
“Ach,” zei Paul. “Je moet het zo zijn, we doen nu in elk geval gezellig iets samen.”

Van het padje…


Van één van onze correspondenten

Een achtendertigjarige vrouw uit Amersfoort is gistermiddag flink de weg kwijt geweest. De vrouw, die bij vrienden en familie bekenstaat als ‘sportief maar ietwat naïef’, besloot gistermiddag na een afspraak in de buurt van Arhem een rondje te gaan wandelen over de naburige Veluwe ‘omdat het zulk lekker weer was.’

Navigatie
“Ze was naar de afspraak gereden met mijn auto,” verklaarde haar vriend P. later. “Omdat mijn auto een routeplanner heeft. Maar ja, als je lopend bent, dan heb je niet veel aan een routeplanner in de auto.”
Rond twee uur ’s middags parkeerde de vrouw ergens in de buurt van Arnhem waar zij – op hoge hakken nota bene – rustig de Zuidelijke Veluwe opwandelde. Ze verstuurde een paar sms’jes en genoot van het uitzicht. Toen de vrouw echter besloot om weer huiswaarts te keren bleek dat ze niet meer goed wist van welke kant ze was gekomen.

Zendmast

“Alle bomen zagen er hetzelfde uit,” luidde het commentaar van de vrouw toen men haar vroeg waarom ze niet beter had opgelet. “En ik heb geen telefoon die gps coördinaten geeft.” Na enige tijd te hebben rondgedoold belde de vrouw haar vriend P. die haar adviseerde rustig te blijven en naar de stand van de zon te kijken. Op dat moment zag de vrouw in de verte en een zendmast en aan de hand van de mast wist zij de geparkeerde auto uiteindelijk terug te vinden.

Onduidelijk
Toen de vrouw weer thuis was reageerde haar vriend met een emotioneel: “Daar is mijn schatje weer.”
Het was niet duidelijk of dit over de vrouw ging, of over de auto.