Livin’ on the edge!


“Proost,” zei ik . “Op jullie grote dochter.”

Liz en haar vriendinnetje C. zaten samen op de bank. Het partijtje van C. – een topmodellenfeestje – was erg geslaagd geweest en de dames waren nog lang niet moe. Annabel zat er ook bij, ze deed een spelletje met R. het ‘kleine’ broertje van C.

De ouders van C. hadden Liz als laatste weggebracht en waren daarna gebleven voor een wijntje. Reuze gezellig en voor we het wisten was het al half tien. De kindjes hadden het nog steeds naar hun zin en wij ook. Er kwam een kaasje op tafel en een zak chips. Er was veel te bepraten, ik schonk nog eens bij.

“O jee,” bedacht ik me tussen twee hapjes toast door, “straks vinden C. haar ouders mij een heel slechte moeder omdat mijn kind van zes nog rond hupst om tien uur, terwijl ik lekker zit te pimpelen.” Maar ongeveer tegelijkertijd kwam het besef dat hun eigen zoontje (van zes) er ook bij zat. En dat ze zelf ook best lekker zaten te pimpelen.

“Je moet je niet zo druk maken over wat andere mensen van je denken,” zei Paul toen ik ‘m vanochtend over het voorval vertelde. “En dan hadden ze je een rare moeder gevonden, so what?! Doe gewoon je ding en vraag je niet voortdurend af wat een ander er van vindt.”

“Je hebt gelijk,” zei ik. “Weet je wat, ik schrijf er een stukje op mijn weblog over. Uit therapeutisch oogpunt.”

O jee, als dat maar goed gaat!


Ik kan wel ongeveer inschatten hoe Liz als puber zal zijn.

Grote bek, tikkie onzeker, geen puistjes. Net haar moeder, maar dan met veel langere wimpers (wat ben ik jalóers op die zonneluifels van haar!). Ke$ha (“scew you, dr Drew and your stupid camera crew”) wordt hier tegenwoordig afgewisseld met Kinderen voor Kinderen (“Help, help, help, ik krijg tieten!); een veelzeggende mix met betrekking tot de fase waarin de prepuber zich bevindt.

Wat Annabel betreft vind ik het moeilijker om in te schatten hoe die als puber zal zijn. Misschien ook nog niet nodig, de Klets is tenslotte nog maar zes, maar toch. “Ken uw vijand en ken uzelf,” zei een rare Chinees eens, en wat mij betreft geldt dat ook voor de pubertijd.
Zo zat de kleine Klets gisteren in een van haar favoriete topmodelboeken te werken. Ze had flink met zwart zitten krassen en het model zag er nogal spookachtig uit.
“Wat doe je?”
“Ik maak een Gothic. Mooi he?”
“Een Gothic? Die vind ik meestal een beetje eng.”
“Ja, ik vind ze ook eng. Het zijn een soort heksen. Maar ze zijn ook mooi.”

Zelf heb ik nooit een Gothicfase gehad. Ik heb beenwarmers gedragen, felle kleuren, pastels. Ik had een gebleekte kuif, een permanentje, een strakke strechtspijkerbroek met hoge suede laarzen, maar Gothics, daar heb ik nooit wat mee gehad.
“Ach joh,” zei Paul, toen ik hem de ‘kleur’plaat van Annabel liet zien. “Dat zegt toch niets? Morgen trekt ze weer gewoon d’r Oililybroek met die felle kleurtjes aan.”
De volgende ochtend trok Annabel inderdaad haar Oililybroek aan. En ze vroeg me niet om een zwart oogpotlood. Ik was het hele Gothicincident alweer bijna vergeten toen ze opeens over haar verjaardag begon.
“Ik krijg toch oorbellen voor mijn verjaardag?”
“Ja, als jij dat wilt.”
“Mag ik ook in plaats daarvan een navelpiercing?”

Klein mannetje, grote wijsheid


Mijn buurjongetje is nog klein
.

Hij moet nog drie worden, het kereltje, maar hij is al heel wijs. Loopt de hele dag door de straat met een emmer op zijn hoofd. En wee je gebeente als je dan ‘emmer’ zegt, tegen het hoofddeksel, want dat is natuurlijk een “héllum”. Ja, ja, buurjongetje heeft een visie. Dat is duidelijk.

Heel de dag is buurjongetje druk. Crosst rond op zijn loopfiets, verkent de buurt. Hij scheurt zijn zus achterna, loopt even bij ons binnen en sjeest dan weer heel snel naar zijn vader of moeder. Als je nog geen drie bent, dan is de wereld best heel groot. Dan moet je af en toe steun zoeken. Buurjongetje snapt dat soort dingen.

Buurjongetje kan nog niet zo heel goed praten. Meestal versta ik hem niet zo goed want hij brabbelt aan een stuk door maar echt articuleren is er nog niet bij. Hoeft ook niet, ik begrijp hem meestal wel. En op zijn leeftijd hoef je nog helemaal niets te zeggen als je dat niet wilt. Als je de lol van het leven maar inziet.

En lol hééft hij. Vanmorgen nog, toen hij breed glimlachend de deur uitkwam, samen met zijn moeder.
“Hoi buurjongetje,” zei ik en ik lachte terug. Daarna wisselde ik een paar woorden met zijn moeder. Buurjongetje stond er zwijgend – maar glimlachend – naast.
Ik wilde alweer weglopen toen buurjongetje op mijn rokje wees en op mijn benen.
“Bloot.” Constateerde hij. “Koud!”

Zoals ik al zei, mijn buurjongetje is al heel wijs. Ook al is hij nog geen drie.
Verkeerd gekozen rokjesdag, dat hij had goed gezien. Koud ook. Had hij ook goed gezien.

Ik zeg: de nieuwe Martin Bril is gevonden.

Dus daar komt dat kruis vandaan!


Dat van die paaseitjes was niet zo ingewikkeld: die zocht je in de tuin, die at je op en klaar. Maar de rest?!

“Jezus? Dat was toch met Kerstmis?”
Afijn, atheïst of niet, ’t was tijd om het Christelijke verhaal achter Pasen even aan Bel uit te leggen. Liz nam het voortouw: “Eerst heb je Palmpasen, intocht van Jezus, blablabla, kruisiging, blabla, wederopstanding.” Zo. De Grote Klets had duidelijk goed opgelet tijden de spaarzame catechismuslessen.

“Goh,” zei Annabel, “dus dáár komt dat kruis vandaan!” Ze nam nog een hapje van haar ei en leek nog eens goed na te denken over dat was ze zojuist had gehoord.
“Ik geloof niet in Jezus,” zei ze tenslotte. “Maar ik vind het ook niet erg om Pasen te vieren ter ere van hem. Kan ik lekker paaseieren zoeken.”
“Precies,” zei ik. “En zo hoort het ook. Eigenlijk zijn we weer terug bij af. Pasen was oorspronkelijk een lentefeest dat niets met Jezus te maken had. Maar het is wel leuk als je de verhalen achter de feestdagen kent. Dat je weet wie Jezus was. En hoe het met God zit.”
Annabel knikte instemmend. Dat vond zij ook. En nu alles weer duidelijk was richtte ze haar aandacht weer op haar ei. “Dan weet ik dat ook weer,” mompelde met volle mond.

Maar dat ze het toch nog niet helemaal precies wist, bleek even later toen ze een grote zakdoek om haar hoofd bond om Roodkapje te gaan spelen. “Goh,” zei ze, terwijl ze zichzelf met hoofdoek en al in de spiegel bekeek, “nu lijk ik net zo iemand die echt in God gelooft!”

Vogelopvang (in de breedste zin van het woord)


De nieuwe volière was nog niet klaar of hij werd gekraakt.

Gisterochtend stond buurvrouw C. voor de deur met een bolletje verendons. Waarschijnlijk opgejaagd door een kat, bang en bibberig, geen nest te bekennen.
“Volgens mij is het een duif,” zei C.
“Hij heeft wel een grote snavel,” peinsde ik. “Voor een duif.”

Tuffy keek een beetje kwaad toen we met verenbol en al naar ‘zijn’ voliere liepen. “Heb ik eigenlijk een eigen camping,” leek hij te denken. “Zit er alweer zo’n koekoeksjong in.”
“Zou het een jonge koekoek zijn?” opperde ik. “Die zijn nogal groot.”

We zetten de vogel buiten in het nachthokje van de volière en probeerden hem iets te laten eten. Hij weigerde. Zat rillend in het hokje en keek een beetje vies naar het eivoer dat ik hem wilde voorschotelen.
“Hij eet niet,” constateerde C.
“Misschien wil hij een wurm.”
“Ga jij graven?”:

Uiteindelijk belden we toch maar de vogelopvang. Internet had ons doen inzien dat het inderdaad een jonge duif betrof en bij jonge duiven moet je eten in hun krop duwen, een kunst op zich. De vogelopvang vond het beter dat we de duif kwamen brengen dus zaten we even later – met de duif in een doos – in de auto.

Bij de vogelopvang vroeg Annabel of we de duif konden ruilen.
“Dan nemen we er eentje, die in de volière kan blijven.”
“Ja,” grinnikte C. “Een vogel die winterhard is.”

Met een lege doos togen we even later weer naar huis. De volière was weer leeg. Althans, leeg, het duurde niet lang of er zaten alweer andere vreemde vogels in. Nou ja, de camping was nu toch nog een beetje te koud voor Tuffy.

Evengoed zit hij nog steeds een beetje bozig op zijn stok.

Tussenin


Momenteel bevind ik me in een relatief evenwicht.

Zoiets als doodtij. Interglaciaal. Oog van de orkaan. Interbellum. In between. (Tussen twee haakjes). Buiten de zone, in de luwte.

Dat komt zo; mijn boek ligt bij de uitgever, die is het aan het editen. Misschien moet ik nog dingen herschrijven, misschien niet. Nu even niet, in elk geval. Ik weet niet precies wanneer ik het weer terugkrijg.

En de cover is in de maak. En die wordt zóóó leuk! Ga ik lekker nog niets over zeggen, hou ik nog even geheim.

Ook worden er lijntjes uitgezet voor promotie. Er zijn foto’s gemaakt en stukjes geschreven. Geen idee of er ‘daar’ nog wat mee gedaan wordt, zoiets is altijd even afwachten. Het zou leuk zijn als Vrouwonline er iets mee doet, maar ja, ze zijn daar natuurlijk druk druk druk.

In elk geval, ik kan even niets doen. Behalve bloggen en misschien een beetje meedenken (met de cover). En dat is best gek. Dat anderen nu druk zijn met mijn boek en ik niet. Heel raar voelt dat.

Maar ook wel lekker. Kan ik eindelijk ‘s avonds weer eens een uurtje TV kijken.

Het mysterie


Vorige week bracht mijn moeder kikkerdril mee.

De kikkerdril (of: ‘de oogjes’ zoals Liz ze vroeger noemde – klik -) was keurig verdeeld in twee porties; één klont voor de klas van Annabel, eentje voor de klas van Liz. Ik zou deze week de beide drillen overhevelen naar een grotere glazen bakken met waterplanten en schoon water.

Bij Liz in de klas was het klusje zo geklaard – gietertje, plantje, potje – maar bij Annabel stuitte ik op een probleem: de kikkerdril bleek verdwenen!
“Ik heb het bakje in het lokaal van groep vijf gezet,” zei de juf van Annabel, “in afwachting van een grotere bak stonden ze daar koeler.”
Maar in het lokaal van groep vijf was geen eitje te bekennen. Hoe we ook zochten – op de planken, achter het digibord, in de kastjes van de kindertjes – we vonden niets. Nog geen druppeltje slootwater.
“Misschien zijn ze uitgekomen en naar de vijver gesprongen?” opperde een wijs jongetje met een bril.
“Of iemand heeft ze door de WC gespoeld,” zei een ander.

De juf van groep vijf wist het ook niet.
“Ze hebben hier wel gestaan,” zei ze. “En er waren wel een paar docenten die zeiden dat ze ook kikkerdril in hun klas wilden.”
Dat laatste klonk nogal suggestief.
“Denk je?…”
“Ik sluit het niet uit!”

Dat zou lekker worden. Was mijn kikkerdril gewoon gejat?! Kijk, ik weet dat ze op school nog wel eens aan de haal gaan met elkaars kerstbomen en dat er voortdurend strijd is over lege verfpotten (groep zes heeft ‘t gedaan, werkelijk, die vreten verf!), maar dat er ook al geen respect meer is voor levende have?! Straks werd er nog een kind uit een klas gehaald onder het motto: “Die vind ik zo leuk, die wil ik in mijn klas!”

De lessen waren inmiddels begonnen dus kon ik op dat moment niets meer doen. Ik kon niet zomaar alle klassen binnenstampen, een klaszoeking eisen en hysterisch over kikkerdril gaan gillen. Dan zouden ze me meteen opsluiten op de PAAZ-afdeling. (Fonetisch wel toepasselijk)

Afijn. Ik heb het maar opgelost door de kikkerdril uit de klas van Liz te halveren. Stond ik daar vanochtend om half negen met mijn handen in de slijmerige derrie te graaien. Alsnog ik het snot van de Grote Vriendelijke Reus uit elkaar stond te trekken: yuk! Alles voor kindjes, ze waren in elk geval in groep drie blij dat zij nu ook echte kikkerdril hadden.

Maar het laatste woord is er nog niet over gezegd, o nee! Ik ga dit tot de bodem uitzoeken. Met mij valt niet te sollen, met mijn beschermelingen ook niet.

Een beetje mijn kikkerdril jatten. Tssk. Wat denken ze wel!?