Buitenkansje mensen, buitenkansje!


Vijftien juni is het zover!

Dan ligt “Je kan er maar beter om lachen” in de winkel en zit ik, nagelbijtend, met gekruiste vingers en ingehouden adem (wat helemaal niet zo gemakkelijk is allemaal tegelijk) af te wachten wat Nederland van mij vindt.

Misschien vindt Nederland mij leuk.

Misschien vindt Nederland mij stom.

Misschien – in het ergste geval – vindt Nederland wel helemaal niets van mij en gaat mijn boek rechtstreeks naar de stoffige kelders van Bol.com. Zo droomde ik vannacht dat ik het eerste exemplaar van “Je kan er maar beter om lachen” uitgereikt zou krijgen in de Amstelkerk (die héél toevallig ook in mijn boek voorkomt) en dat er nog helemaal geen boek was! Stond ik daar voor gek, ik kreeg nog net geen rotte tomaten naar mijn hoofd.

Vijftien juni begint een belangrijke datum te worden. Een psychologische grens die de tijd verdeelt in de periode vóór mijn boek en ná mijn boek. In een artikel in het literatuurnummer van Opzij word ik, met naam en toenaam genoemd als ‘debutante die autobiografische elementen in haar roman verwerkt’. Goed, het is maar één zinnetje en ze hebben mijn naam fout gespeld, maar hè, je kan er maar beter om lachen!

En over “Je kan er maar beter om lachen” gesproken, vanaf vandaag is er een heuse voorintekenlijst! Eentje die gepaard gaat met een leuke actie, speciaal voor jullie als dank voor alle hulp:

Wie vóór vijftien juni één (of meerdere) exemplaren van “Je kan er maar beter om lachen” bestelt, betaalt slechts € 14,00 in plaats van € 17,95. Het boek wordt gesigneerd (en eventueel met opdracht) gratis toegezonden. Buitenkansje mensen, buitenkansje! (KLIK hier om te bestellen)

En ook na vijftien juni kunnen jullie leuke acties verwachten. Ik zal hier en daar opduiken (tijdschriften/radio) en natuurlijk hou ik jullie van alles op de hoogte. Evengoed kan ik jullie hulp ook dan nog goed gebruiken. Willen we met z’n allen doorbreken, dan moeten we de aandacht trekken (Matthijs? Hallo?) en ik hoop dan ook dat jullie me straks nog steeds willen helpen hypen. Bijvoorbeeld door mensen op mijn boek te wijzen, het cadeau te geven en het misschien zelfs te bestellen als de boekhandel het niet heeft liggen.

En misschien vindt Nederland mij dan leuk.

Of misschien vindt Nederland mij wel stom.

Maar dan víndt Nederland in elk geval iets.

Klik hier voor de actie en om “Je kan er maar beter om lachen” te bestellen.
NB Bestellen vanuit het buitenland kan ook, alleen dan worden er wel portokosten gerekend.

Advertisements

Een klein wonder


Ergens vloog een jonge merel tegen een raam.

De man die het zag het gebeuren liep snel naar buiten, pakte het spartelende beestje op en zette het in een boom. Daar viel de vogel echter meteen weer uit. Hij bleef suf op de grond zitten.
“Die moet je naar Soest brengen,” zei de buurvrouw.

Nou is ‘Soest’ hier in de buurt jargon voor ‘de vogelopvang’ maar dat wist de man niet. Hij reed naar Soest en toen hij daar – onder het plaatsnaambord ‘Soest’ – geen bak ‘breng hier uw jonge merels’ zag staan wist hij even niet meer wat hij moest doen. Hij reed naar de dierenwinkel maar die was dicht. Hij vond een tweede dierenwinkel, maar ook die was dicht. Toen reed de man (terug?) naar Amersfoort en kwam daar terecht bij Pets Place.

Daar trof hij mij en de Kletsen. “Ik weet het nu ook niet meer,” zei hij terwijl hij het kleine doosje met daarin de jonge merel op zijn hand liet balanceren. De verkoopster en ik bekeken de vogel, zo op het eerste gezicht leek hij niets te mankeren, alleen een beetje in shock, dachten we.
“Ik neem hem wel mee,” zei ik. “Ik zet hem een dagje in de volière, als hij niet opknapt breng ik hem alsnog naar de vogelopvang.”
“Dat is fijn,” zei de man en hij gaf mij het doosje met de jonge merel.

Thuis zette ik de vogel in de volière. Ik gaf hem wat voer en wat water en liet hem met rust. Al snel knapte hij op, hij hipte wat rond, maar echt vliegen zat er nog niet in. Het beest leek last te hebben van een lamme vleugel, of een verstoord evenwicht, waardoor hij af en toe omviel, maar pijn leek hij niet te hebben.
“Misschien is hij zo geboren,” zei ik tegen Paul. “Morgen brengen we hem toch maar naar de vogelopvang. Zo’n niet-vliegende vogel heeft natuurlijk geen overlevingskans.”

Maar het lot besliste anders. Toen ik met een kopje koffie in mijn hand de tuin inliep zag ik dat er twee volwassen merels op ons grasveld zaten. Een mannetje en een vrouwtje. Ze hipten om de volière heen en kwamen steeds dichterbij het gaas.
Ik bleef kijken, vanaf een afstandje en mijn grote verbazing zag ik dat de merels hapjes begonnen te verzamelen en deze dóór het gaas heen aan de jonge merel voerden
“Verrek joh,” riep Paul die net naar buiten kwam. “Het zijn z’n pappa en mamma!”

En inderdaad. De twee merels vlogen af en aan met hapjes die ze aan de baby in de volière voerden, nu eens via de voorkant van het gaas, dan weer via de achterkant. Terwijl wij gewoon in de tuin zaten, de barbecue aanstaken en de hangmatten ophingen. De jonge merel kwetterde wanneer hij zijn ouders zag, flapperde met zijn vleugeltjes en knapte zienderogen op. Maar hij bleef omvallen als hij te enthousiast werd.

En zo waren wij dit Pinksterweekend getuige van een klein wonder; een stel ouders dat hun kind terugvond. Helaas kan de jonge nog steeds niet vliegen – ik vrees dat de ouders een gehandicapt kind hebben – maar wie weet komt het toch nog goed en heeft het tijd nodig. Zolang de ouders het jong voeren – en het diertje veilig zit voor de katten – heb ik echter het hart niet het vogeltje weg te brengen.

Het miljoen gaat naar….


En… we hebben een winnaar!

Erna Paars gaat er vandoor met het miljoen. Ik moest wel lachen vanochtend hoor, om de Kletsen, ze namen hun taak van ‘de winnaar kiezen’ echt heel serieus. Ze hebben alle reacties gelezen en kozen uiteindelijk Erna vanwege haar leuke verhaal (‘en’, zei Annabel eerlijk ‘een klein beetje vanwege het schattige paarse poesje dat hij haar naam stond’).

Als ikzelf had gekozen had ik het lot aan Saskia gegeven, ik zat echt met tranen in mijn ogen toen ik haar reactie las. Wat ontzettend jammer dat het jou niet is gegeven om een kind te krijgen en wat ontroerend dat je dan nog zoiets moois over de kinderen van een ander kan zeggen (‘het is fijn te realiseren dat ze jou als moeder hebben uitgekozen’). Wat een bijzondere lezers heb ik toch.

Verder heb ik wederom genoten van alle reacties, het is zo leuk om te lezen welke specifieke blogs mensen zich (soms jaren later) nog herinneren en in welke situaties mijn naam nog wel eens genoemd wordt. Lezeressen die bij het horen van weer zo’n rare (kinder)naam aan mij denken… oei. Lezeressen die al helemaal hebben bedacht waar en wanneer ze mijn boek gaan lezen (eentje stopt hem in haar kraamtas want ook om een bevalling ‘kan maar beter lachen’ (briljant!). Lezeressen die ‘fan’ zijn van mijn broer, Paul of mijn buurvrouw. Het blijft leuk om te lezen hoe verschillend mensen op een stukje tekst kunnen reageren.

Goed, Erna krijgt het lot en of ‘we’ wat winnen zal de toekomst ons moeten leren. Een ding is zeker: 15 juni komt mijn boek uit en we gaan er met z’n alleen een feestje van maken. Met of zonder miljoen!

Nostradam-ES


Ik had vannacht een hele malle droom.

Ik droomde dat ik een staatslot had verloot onder mijn lezers en dat op dat staatslot een flinke prijs was gevallen. Een miljoen om precies te zijn. De droom was redelijk gedetailleerd: het was een lot met het eindcijfer drie en de trekking was in ergens in juni, dat weet ik omdat ik – in mijn droom – dacht: “O, dat is rond de tijd dat mijn boek uitkomt.”

Afijn. Ik heb mezelf nog nooit eerder betrapt op het hebben van een voorspellende gave (anders had deze pagina wel ‘Jomanda’s Blog’ geheten ) alhoewel ik moet zeggen dat een behoorlijk sterk voorgevoel had over het feit dat we het Songfestival niet zouden gaan winnen. En laatst zat ik ook al aardig goed toen ik zei het – met dertig graden – best wel eens warm kon worden tijdens de avondvierdaagse. Dat zegt wat, dunkt me.

Afijn, dus ik vanmorgen naar de lokale sigarenboer om een staatslot te halen voor de trekking van tien juni. Eindcijfer drie. Eerst dacht ik nog: “Ik hou ‘m lekker zelf!” Maar ja, dan zou die droom waarschijnlijk zijn voorspellende waarde verliezen, het was tenslotte duidelijk een lezeres die de prijs won. Dus nu heb ik slims bedacht: ik verloot een lot onder mijn lezers en als er een prijs valt dan delen we. Of we geven er een leuk feestje van, de details bespreken we nog wel (droom was hier niet duidelijk over, dus ik beschouw de actie verder als ‘vormvrij’)

Kortom er valt wat te winnen! En daarvoor heb ik een leuke actie bedacht!

Ik blog inmiddels bijna tien jaar (in 2013 officieel). Misschien lees je nog geen tien jaar mee, misschien ook wel. Misschien lees je ook al langer mee, al sinds de papieren Viva (dan gaan we al richting de vijftien jaar). Ik merk vaak dat jullie een goed geheugen hebben en daarom deze actievraag: beschrijf welk blogje/ welke column op de een of andere manier het sterkst is blijven hangen en waarom. Misschien best veel gevraagd om met deze temperaturen zo in je geheugen te gaan graven maar hè, we hebben het hier wél over een miljoen he!

Uit de reacties laat ik de Kletsen willekeurig een naam ‘trekken’ en die persoon wint mijn staatslot. Ik ben benieuwd. Naar jullie reacties, naar wie wint en natuurlijk naar de trekking op tien juni.

’t Zou toch wat zijn zeg?!

Een nieuwe vriend


Ik stond net voor het stoplicht toen ik hem zag.

Op mijn voorruit, ter hoogte van de rechterruitenwisser, steggelend met een paar vliegenlijkjes. Hij leek een beetje op een krekel: felgroen, zo’n twee centimeter lang en met enorme voelsprieten. Het licht sprong op groen en op het moment dat ik gas gaf, zag ik zijn voelsprieten naar achter zwiepen. Als de naar achter wapperende sjaal van een snelle motorrijder.

“Goh,” zei ik tegen het insect. “Dat is ook niet zo handig hè? Om op mijn voorruit te gaan zitten?! Heb je soms zelfmoordneigingen? Of ben je gewoon per ongeluk uit de boom voor mijn huis komen waaien?”
Vaag was ik me ervan bewust dat het best raar was om in gesprek te raken met een insect dat op een voorruit zat, maar mijn radio deed het niet en je moet toch wat.
“Hou je vast,” riep ik toen ik nog wat gas bijgaf. “We mogen hier vijftig!” De voelsprieten vlogen nog wat strakker naar achter en ik zag de pootjes van het beest wiebelen. Maar hij bleef zitten waar hij zat.

Tegen de tijd dat ik het derde kruispunt passeerde had ik echt een leuke band met de krekel (of wat het dan ook was) opgebouwd. Ik had hem verteld dat ik naar mijn werk ging maar dat we eerst samen de post gingen halen. Ik beloofde hem dat ik niet te hard zou rijden en dat ik hem bij het postkantoor in de struiken zou zetten. Hij leek erg opgelucht toen hij dat hoorde, voor zover een insect opgelucht kan zijn dan.

Straat na straat bleef het beest op mijn voorruit geplakt zitten terwijl ik uit alle macht probeerde om niet per ongeluk mijn ruitenwissers aan te zetten. Een moord vóór negen uur ’s ochtends, dat kon natuurlijk niet.
Uiteindelijk parkeerde ik mijn auto naast een paar struiken, stapte uit en liet het beestje op mijn hand stappen.
“Kom maar vriendje,” zei ik.
Hij knikte me vriendelijk toe toen hij zijn pootjes naar me uitstrekte. Hij wilde er ook niet echt meer vanaf, van mijn hand, dus blies ik hem maar even de struiken in (alsof ik een kusje van mijn hand af blies).

“Wat ben jij schattig!” zei de man die naast me uit zijn auto stapte.

Hand in hand


Vanmorgen met Liz op controle geweest en alles is goed! (*gejuich*)

Ongelooflijk eigenlijk, hoe snel zo’n wond heelt. Als je toch nagaat dat er een snee van ruim zeventien centimeter in haar bovenarm zat, zo diep dat de spier was ingesneden, dat ze moest worden opgehaald door een ambulance en dat ons huis eruit zag alsof er een moord was gepleegd, dan is het toch een wonder dat zo’n kind – amper drie weken later – alweer gewoon op haar handen kan lopen?!

Niet dat ze nu helemaal geen pijn meer heeft, nee, de wond is gevoelig, er zit nog wat vocht onder de huid en natuurlijk trekken de littekens (ze heeft ook een paar kleinere wondjes op haar onderarm en haar hand) maar alles zit weer mooi aan elkaar en de dame heeft geen problemen met het bewegen van haar vingers en het aanspannen van de biceps. Terwijl het toch pas negentien dagen geleden is dat ze met haar arm door het glas ging en met negenendertig hechtingen de OK uitkwam.

Ik vond het die dag moeilijk te geloven dat we ‘geluk’ gehad hadden (zoals de chirurg zei), maar achteraf ben ik het toch wel met hem eens. Kijk ons nu eens: alles is al bijna weer gewoon en niemand van ons hoeft iets te laten. Dat alleen is al een wonder. We lopen de avondvierdaagse met heel veel plezier, hand in hand, en we zwaaien met handen en (beide!) armen.

Ook Lizzy.

Stukkie lopen!


We waren de straat nog niet uit of Annabel vroeg: “Pappa, mag ik op je rug?”

Ik keek Paul veelbetekenend aan. Dit was precies de reden waarom ik Annabel níet had willen opgeven voor de Avondvierdaagse. “Ik weiger vijf kilometer te lopen met moppersmurf aan mijn hand,” had ik gezegd. Annabel wordt namelijk al moe als ze de trap op moet. Als we naar de buren gaan, wil ze ’t liefst met de auto.

Maar goed, Paul zag het wel zitten dus nu lopen we met z’n vieren, kon hij de Kleine Klets mooi begeleiden. Ging ik wel stevig stappen met Liz. En daar liepen we dus, ik met een rugzakje op mijn rug, de kletsen met een jasje om hun middel geknoopt (het zou zomaar kunnen gaan regenen) en Paul op zijn nieuwe hardloopschoenen.
“Hoeveel kilo is het ook alweer?” vroeg Annabel twee minuten nadat we gestart waren.
Vijf kilo,” zei Paul opgewekt. “En tel er dan nog maar wat meters bij op.”
Maar Annabel luisterde niet meer. In de wirwar van benen en gekleurde shirtjes had ze een vriendinnetje ontdekt en luid kwebbelend vloog ze het meisje in de armen. Voorzichtig stopte ik het zakje dropjes terug in de rugzak, misschien kon ik nog even wachten met het inzetten van grof geschut.

We halverwege toen zich om ons heen een hele schare vriendjes van de Kletsen verzameld. Voornamelijk vriendinnen van Liz, maar dat maakte de kleine Klets niet uit. Ze liep er tussen alsof ze één van de Pink Ladies was en zong even hard mee met ‘we zijn er bijna’. Ze nam een slokje uit het flesje van de een, ze kauwde op een dropje van de ander. Ze voerde het hoogste woord.

Paul en ik vonden het ondertussen behoorlijk warm. En een eind ook, die vijf kilometer. “Pfoe,” zei Paul, “ik voel mijn benen!”
“Ik ook.”

Eindelijk hadden we het eindpunt in zicht. Ik dacht aan dingen als een koude douche, een biertje, een zuchtje wind. Liz klaagde een beetje over haar arm. Door de warmte kreeg ze wat last van het litteken.
“Hé, hé,” zuchtte Paul. “Blij dat we er zijn.”
“Nou!”

“Wat?!” riep Annabel “Nu al?!”