Ik kwam, zag en zette mijn handtekening!


“Waarom gaan we met de fiets?”
“Het is te ver lopen. Deze schoenen knellen.”
“Waarom doe je ze dan aan?”
“Ze staan mooi.”
“Je gaat signéren hoor, niet tapdansen. Mensen letten op je handen. Niet op je voeten.”

Werkelijk!
Buurvrouw C. had makkelijk praten. Zij stond niet stijf van de zenuwen. Zij hoefde zich niet druk te maken over het feit dat er misschien wel niemand zou komen!
Stel je voor zeg, dat ik daar in die boekhandel zat, aan een lullig tafeltje, en geen één boek verkocht?! Dan mocht ik er maar beter een beetje knap en zelfverzekerd bijzitten. Mét mooie schoenen dus.

Evengoed was ik natuurlijk superblij hoor, dat buurvrouw C. zo aardig was om mij tijdens mijn allereerste signeersessie gezelschap te houden. De eigenaar van de boekhandel had niet voor niets gezegd dat de aanloop meestal niet zo groot was. “Dus zorg maar dat je in elk geval wat mensen mééneemt. Om het gezellig te maken.”

Aan De Boekhandel lag het in elk geval niet, zag ik. Er was een tafel vrijgemaakt, er stonden ‘citroengele’ zonnebloemen, er was koffie, thee en limonade. Er was zelfs een schaal met cakejes en aardbeien! Kijk, dat waren de betere signeersessies. (Niet dat ik er ervaring mee had, maar ik hoorde laatst dat Bart Chabot ergens kwaad was weggelopen omdat hij aan een tafeltje achteraf gezet was, met alleen een pen en een glas water.)

“Hoi!” hoorde ik, toen ik plaatsnam achter een grote stapel van mijn eigen boeken, “zou je mijn boek willen signeren?” Wauw, wat klonk dat gaaf!

Al snel zaten we gezellig met een paar mensen een kopje thee te drinken terwijl ik hier en daar wat krabbels uitdeelde (verjaardagen, zus-en-zo, fijne vakantie, dat werk). Er kwamen een paar webloglezers voorbij, een toevallige geïnteresseerde, een oude bekende, de stapel slonk gestaag.

Anderhalf uur heb ik er uiteindelijk gezeten. Ergens halverwege schopte ik mijn schoenen uit. Ze knelden écht! Een oude vriendin kwam langs, de juf van Annabel. Paul en de kletsen signeerden ook een boek (ik: “Liz, waarom kras je je naam door?!” Liz (geërgerd): “Dat is mijn hándtekening mam!”) en toen het tijd was om te gaan trok ik snel mijn schoenen weer aan.

“Dat ging lekker!” zei de mevrouw van de boekhandel.
“Ze gaat er van naast haar schoenen lopen,” zei de Uitgever. Hij wees naar mijn blote voeten.
“Ze knéllen!” mopperde ik.

“Volgende keer geen ongemakkelijke schoenen meer aan,” zei buurvrouw C. streng. “Want zoals je gemerkt hebt, is het nérgens voor nodig.”

Better safe than sorry


Zoals inmiddels bekend kan Paul wel eens een beetje doorslaan.

Zo had hij binnen no-time twee glaszetters geregeld (voor het plaatsten van een compleet nieuwe voorpui) toen Lizzy in mei met haar arm door het raam ging. De kinderen werd verboden om nog bij de tuindeuren in de buurt te komen (‘houd minstens vier meter afstand’) en het viel me eigenlijk nog mee dat het glas er überhaupt nog inzat de volgende dag.

Niet dat ik het een slecht idee vond, dat het glas werd vervangen, helemaal niet, maar Paul hè, die moet je altijd even in de gaten houden. (Voor je het weet heeft hij de boel dichtgemetseld en betegeld met marmer.) Ik was dan ook blij dat ik erbij was toen er uiteindelijk een aannemer kwam.
“Dus u wilt nieuwe tuindeuren met veiligheidsglas,” noteerde de aannemer. “En u wilt ook veiligheidsglas in de voordeur?”
Paul knikte.
“De voordeur?” vroeg ik verbaasd. “Hoezo dat?”
“Daar kunnen ze ook doorheen,” zei Paul.
Theoretisch had hij natuurlijk gelijk, maar het glas bij de voordeur zat vrij hoog, ik zag daar nog niet zo snel iemand doorheen gaan. Maar goed, waar hij gelukkig van werd. Veiligheidsglas in de voordeur. En de tussendeur naar de keuken, hoorde ik later. Ook goed. Kon ik tenminste weer gewoon weer met hardgekookte eieren smijten zonder het gevaar te lopen dat ik een ruit brak.

Gistermiddag ontvingen we de offerte. Vervangen van de tuindeuren, nieuwe ramen woonkamer, voordeur, tussendeur. En nieuwe ramen in de schuur. De schuur?!
Afijn. Ik naar Paul.
“Waarom staan er schuurramen op?”
“Kunnen ze ook doorheen.”
“Paul!”
“Nou, als ze er een handstand tegenaan doen, dan gaan ze er doorheen hoor.”
“Er staat een tuintafel voor.”
“Toch link.”

Goed, het moge duidelijk zijn. De schuurramen worden ook vervangen en straks is ons hele huis één veilige zone, qua glas dan. De uitdrukking ‘scherven brengen geluk’ is aan Paul niet langer besteed (alhoewel ik daarover ook zo mijn twijfels heb sinds de dag dat Liz door de tuindeuren ging, maar dat terzijde) en we kunnen heerlijk hockeyballen tegen de schuurramen slaan. “Niet kapot te krijgen!” zei de aannemer immers.

Goed natuurlijk hoor, daar niet van. Beter bezorgd dan nalatig en als het kalf door het raam is, vervangt met de pui. Zoiets.

Evengoed ben ik blij dat ik vorig jaar mijn ogen heb laten laseren. Anders had mijn bril straks óók nog veiligheidsglas gekregen.

Toe aan vakantie


Ik vind het een verdrietige dag vandaag.

Om te beginnen lag er vanochtend een jonge koolmees dood in de tuin. Pootjes omhoog, oogjes dicht. Het beestje woog minder dan een postzegel en was nauwelijks groter dan een hommel. En ik weet dat de dood bij het leven hoort, en dat slechts een paar van de meesjes hun ‘jeugd’ overleven, maar toch. Het was een verdrietig gezicht.

Ook van het weer word ik momenteel niet vrolijk. Elke keer als ik denk: ‘ha, nu gaat de zomer echt beginnen,’ dan kom ik er weer bedrogen uit. Noem me een pessimist maar ik heb inmiddels vijf paraplu’s in de hal staan. En ze worden allemaal gebruikt. Mijn broer zit ergens in Griekenland, waar het wel mooi weer is, dus ik zit op mijn werk ook nog eens grotendeels alleen te kniezen terwijl ik ondertussen het ene na het andere nare verhaal te horen krijg. Lekker gezellig.

En dan mijn kleine Annabelletje. Die heeft het ook zwaar. Ze heeft veel meegemaakt het afgelopen (half) jaar en dat is haar niet in haar koude kleren gaan zitten. ’s Avonds is ze angstig en ze slaapt onrustig. Er maalt van alles door haar koppie en ze is bang en verdrietig. Het is niet leuk, om een kind zo te zien worstelen met zichzelf. Helemaal niet leuk. Ergens midden in de nacht kwam ze bij mij liggen, dat had Liz natuurlijk weer door dus die moest er ook bij, en nu heb ik een soort hernia van het scheefliggen. Ook niet fijn.

Kortom, ik denk dat we aan vakantie toe zijn. Even lekker geen druk van school, beetje bijslapen en hopelijk nog wat mooie dagen. Over ruim een week is het bij ons alweer gebeurd, dan is het schooljaar 2011/2012 ten einde. Ik kijk er wel naar uit.

Maar voor het zover is heb ik nog wel wat dingen te doen. Liz heeft nog hockeytraining, Annabel heeft een paar uitvoeringen van ballet. Ik moet een cadeautje voor de juffen scoren en wat dingen op school afronden.

En ik moet een kleine koolmees begraven in mijn achtertuin. Snik.

In badpak?!


Ik liep de douche uit, richting het zwembad.

Eén van de dames – helemaal achterin – gebaarde naar me. Ze keek wat verschrikt, maar hé, zo kijken mensen wel vaker als ik in de buurt ben. Ik wierp snel een blik om me heen, maar zag niet direct gevaar. Voor de zekerheid tilde ik mijn voeten wat hoger op om te voorkomen dat ik over iets zou struikelen. Een opblaasbaar dolfijntje, een lid van mijn aquarobicsklasje, zoiets.

De vrouw bleef echter gebaren. Wat wilde ze? Vorige week hadden we over haar nieuwe baan gepraat, misschien wilde ze me dringend spreken over een irritante collega? Ik ben heel goed met irritante collega’s. Ik ben er zelf één.
“Nee!” riep de vrouw toen ik in het water sprong. Verschrikt keek ik naar het deel van mijn lijf dat nu onder water stond. Had ik per ongeluk mijn schoenen aangehouden? Was ik vergeten mijn badpak aan te trekken?

“Nu heb je natte handen,” mopperde de vrouw terwijl ze naar me toe zwom.
“Ja?” Was dat erg? Natte handen? Strafbaar? Nee toch?!
“Ik wilde dat je mijn boek zou signeren, het zit in mijn tas!”
“Aha!”

Snel hees ik mezelf weer op de kant, droogde mijn handen en legde de handdoek over mijn benen. Daarna schreef ik een klein verhaaltje in het boek dat voor me lag. Zo leuk, dat signeren! “We hoeven nu toch niet samen op de foto hè?” grapte ik toen ik het boek teruggaf. Snel sprong ik weer in het water. Het was best koud op de kant.

Afijn. U ziet het. Esther Vuijsters, debuterend auteur en fanatiek zwemster. Nooit te beroerd om te signeren, zelfs niet in het zwembad. Elke oefening is welkom, want komende zaterdag onderga ik van twee tot drie uur des middags mijn eerste ‘officiële’ signeersessie (bij De Algemene Boekhandel in Amersfoort).

“Hou je dan wel je kleren aan?” vroeg Paul toen ik hem over het voorval in het zwembad vertelde.
“Jij bent grappig,” snoof ik.

Alhoewel, Rosita Steenbeek kwam afgelopen zaterdag op haar mountainbike en in fietskleding de boekhandel binnen. Ze signeerde met haar fietshelm nog op haar hoofd. En het schijnt dat signeersessies – zeker van debutanten – erg slecht bezocht worden.

Toch maar in badpak dan? Alles voor de boekverkoop, tenslotte.
Nieuwsgierig geworden? Kom dan aanstaande zaterdag tussen twee en drie maar even langs hier.

En als extraatje, (o, dit is echt schaamteloos) boorvrouw C. houdt me gezelschap.

Waarom?


En daar stond ik dan, onder de grote linde op de hoek van de straat.

Ik zuchtte terwijl ik naar de lucht keek. Het regende al de hele dag en ik had niet te illusie dat we droog zouden overkomen. Ik droeg een spijkerbroek. En gympies. Ik heb geen regenpak, dus werd het een nat pak. Simpel.

“Neem dan een paraplu mee,” had Paul nog gezegd, maar ik kon toch onmogelijk helemaal naar het kampeerterrein van de turnvereniging gaan fietsen, en terug, met bagage, tien kinderen en een paraplu!? Dan kon ik beter meteen een paar bedden in het ziekenhuis reserveren. En mijn eigen begrafenis regelen.

Moeder B. kwam aangefietst en samen peddelden we tegen de berg op. Zij had wel een regenbroek maar later zou blijken dat die niet bepaald waterdicht was. Na ongeveer tien minuten fietsen wees ik moeder B. op een mascaravlek onder haar linkeroog. “En het is nog wel watervaste!” mopperde ze. Ikzelf had die dag niet eens de moeite genomen om me op te maken.

Na een half uur kwamen we aan op het kampeerterrein. Overal lagen plassen en het zwarte zand was niet meer dan modder. Een paar verkleumde kindertjes stonden in de grote tent te helpen met afwassen. Eén wit snoetje glimlachte breed toen ze mij zag. De Grote Klets rende naar me toe en gaf me een dikke knuffel.

“In het zwembad zeiden kinderen die ik niet kende dat ze mijn litteken eng vonden. En we zaten met bazige meisjes in de tent.” Geen woord over de regen, terwijl ik alleen maar kon denken: “Hoe kom ik zo snel mogelijk uit deze bagger, terug op mijn zachte bank?” Ze hadden het leuk gehad. Het eten was vies. “Dat hoort,” zei ik, “op kamp.”

Moeder B. en ik moesten wachten. In al onze nattigheid moesten we wachten omdat degene die de bagage zou komen halen (met de auto) niet kwam opdagen. Vergeten. (Er waren natuurlijk ook maar zesendertig mailtjes over gestuurd.) Een half uur lang stonden we te wachten op de ouder (ik laat even in het midden of het een man of een vrouw was, het is niet relevant voor het verhaal, maar u begrijpt waarschijnlijk wel dat het een man was). De kinderen hadden er niet zo’n last van. Ze speelden een balspel.

De weg terug naar huis was nog natter dan de weg heen. We fietsen naar de turnhal, bergje op, bergje af. En daarna fietsen we naar huis, dit keer met alle bagage. Het bleef maar regenen. Waarom had ik mezelf eigenlijk opgegeven als fietsouder? WAAROM? Alsof ik nog niet genoeg doe. Waarom moest dat kamp nou precies aan de andere kant van die ENE berg zitten die 033 rijk is? Waarom was het zo’n kutzomer? En waarom had ik in godsnaam geen regenpak?!

“Hé!” riep Paul toen we al lekkend binnenkwamen. “Hé, hoe was het!”
“Leuk!” antwoordde Liz enthousiast.
“Waarom stel jij van die stómme vragen?! “ gromde ik.

Taalkundig Tutti Frutti


Ik geef toe, ik ben de laatste tijd niet bepaald alert geweest, ik heb een heleboel tutti’s gelezen (en gehoord) maar ik heb er maar weinig opgeslagen. (Nou eentje dan, stond gisteren op facebook: “Dat kost handen vol klauwen!”)

Gelukkig heb ik héél alerte lezeressen en één van hen mailde me onderstaande lijst toe. Die wil ik jullie natuurlijk niet onthouden. “Allemaal waar gezegd, hopelijk vind je het om te lachen!” Aldus de attente lezeres.

Ze wordt afgebakerd van iedereen.
Ze willen me een hak nageven.
Je draait er geen doekjes omheen.
Ik ga uiterst mijn best doen.
Dat heb ik niet onder stoelen of banken geschoven.
De hele natie hield z’n adem vast.
Waar gewerkt wordt, vallen spaanders.
Ik ben zo moe als een hoentje…
Ik was echt van de kaart geslagen. (Peking Express)
Ik heb de boezem in eigen zak gestoken. (hello goodbye)
Dan rollen de tranen me over de ogen. (Goudmijn)
Helaas kunnen wij ons graantje er niet uit slaan.
We zijn net onkruid; ze kunnen ons gewoon niet wegroeien.. (Peking Express)
Ik heb mijn biezen getrokken en ik ben weggegaan.
Kaartjes komen retour afzender weer terug….(familiediner)
Ik heb dingen gezien die eigenlijk niet door de mand kunnen. (familiediner)
Het is tot aan de puntjes toe verzorgd.
Ik heb haar heel wat pijn veroorzaakt. (fam. diner)
Ik wil een nieuwe start met je beginnen.
Door stress en mij is het allemaal een beetje opgeërgerd.
Ze kwam de verkeerde timing omhoog.
Als puber was ik heel erg aan het schoppen tegen alles in.

Heb jij nog een leuke tutti in de aanbieding? We lezen ‘m graag.

En over lezen gepsproken, ik heb sinds kort een heus gastenboek (klik hier). Wie het leuk vindt kan daar een berichtje achterlaten.

Heel gewoon gebleven


Er is me al een paar keer gevraagd hoe Paul met alle (media)aandacht omgaat. Of hij nu door het leven gaat als ‘de man van’, of dat hij zich fulltime in de kelder heeft teruggetrokken.

Nou, ik kan jullie zeggen, het valt allemaal reuze mee. Paul reageert opvallend volwassen op zijn plotselinge ‘beroemdheid’ en hij staat me met raad en daad terzijde.
Zo is is hij de afgelopen week (is de boekpresenatie alweer een week geleden joh?!) eigenlijk heel gewoon gebleven. (Al heeft hij wel even geïnformeerd naar de verkoopcijfers en heeft hij al een paar keer gevraagd of hij zijn baan al kon opzeggen.)
Maar verder kijkt hij gewoon nog steeds elke avond voetbal.
Eet hij gewoon nog bijna elke avond een paar pinda’s.
En is nog altijd even leuk.

Paul is niet zo moeilijk. Hij heeft geen commentaar op het feit dat ik tegenwoordig bij Jan en Alleman in bed lig, hij heeft hij mijn boek niet van te voren niet gelezen (hij vond het leuk het te lezen als het ‘af’ was) en hij is over het algemeen degene die de leukste acties verzint. Zo heeft hij zijn hockeyvriendjes ingezet als een soort promoteam waardoor mijn boek tegenwoordig op Veronica-achtige wijze (‘komt naar je toe deze zomer!’) overal aan de man/vrouw gebracht wordt. Met alle gevolgen van dien. Ook heeft hij (de redactie van) Voetbal International gemaild dat ze mijn boek moeten gaan promoten – voor alle vrouwen – zodat mannen rustig voetbal kunnen kijken. (Eigenbelang?!)

Kortom, mijn man leeft ontzettend met me mee. Hij is blij voor me. Hij is foto’s gaan maken van de etalages waar mijn boek te zien is, hij luistert geduldig wanneer ik leuke mailtjes en grappige reacties voorlees en hij vindt dat hij ‘best wel’ sympathiek overkomt in mijn boek. (“Alleen lig ik wel vaak ’s ochtends lang in bed, dat doe ik normaal nooit.”) Nee, ik heb niets over Paul te klagen.

Nou ja, niets te klagen. Er is natuurlijk altijd wel wát te klagen. Want soms is Paul iets té ‘gewoon’ gebleven. En soms leeft hij zich net iets téveel in. Zo was ik gisteravond nét halverwege een verhaal over een interview toen hij me onderbrak en vroeg: “Mag ik een wind?”
Ik schudde geërgerd mijn hoofd, maar hij kwam natuurlijk toch. Die wind. Een langgerekt klagelijk geluid, alsof je een ballon laat leeglopen terwijl je het tuutje helemaal uitrekt.
“Bah,'” gromde ik. “Lekker weer dit.”
Boos draaide ik mijn rug naar hem toe. Gesprek afgelopen, ik ging wel iemand mailen. Of iets op mijn weblog zetten. Een vernietigend stukje over het feit dat ik met een schetenkussen samenwoonde. Zoiets.

“Ach schatje,” grinnikte Paul op de achtergrond. “Je weet het toch: je kan er maar beter om lachen.”

Écht parfum!


Het gebeurde op een maandag, ik weet het nog goed.

Om elf uur ’s ochtends – het was buiten al dertig graden en ik stond met mijn voeten in het tuinbadje – kuste ik Lizzy gedag. Ze werd opgehaald door oma en ze zwaaide nog even terwijl ze rustig de tuin uit liep. Een half uur en flink wat zweetdruppels later floepte Annabel naar buiten.
“Nou, die hoeft in elk geval geen mutsje op,” zei de verloskundige droog.

Sinds die dag verwacht ik elk jaar rond deze tijd een hittegolf. Maar die is nog nooit gekomen. Op de eerste verjaardag van Annabel was het nog mooi weer (alhoewel geen hittegolf) en konden we lekker buiten zitten. Filmpjes van fruitige kindjes met plakkerige ijsjes getuigen van zonnige momenten. Daarna ging het bergafwaarts – qua weer – met als dieptepunt de verjaardag van Annabel in 2011 toen het zo hard regende dat we de hele dag niet naar buiten konden.

In zekere zin is het handiger als een kind jarig is in de winter (zoals Lizzy, begin januari), dan weet je tenminste zeker dat je het buitenzwembad niet op hoeft te zetten. Bij Annabel is het elk jaar weer gokken. We deden een picknickspeurtocht (in de regen) bij Kasteel Groeneveld en we gingen naar Hans en Grietje (en speelden in de regen). Dit jaar, bedacht ik, zou ik me niet meer laten verrassen. Ik bleef thuis en hield met alles rekening. Ik bestelde een pakket om zelf parfum te maken, bedacht spellen voor binnen en hoopte op buiten.

Zeven jaar werd Annabel gisteren. En misschien lag het aan dat geluksgetal – de Bijbelse optelling van het getal 3 (het goddelijke) en het 4 (het aardse) – maar we hadden mooi weer! De lucht was blauw, met hier een daar een Hollandse wolk en iedereen was goed geluimd.
Mijn voel-, ruik en proefspel was een succes, het parfumflesjesversieren ook, en tussendoor konden we lekker naar buiten. Paul had de hangmatten opgehangen en mijn tuintafeltje vol potjes en rommeltjes was ook erg in trek.

We moesten uiteindelijk – en dat had ik niet verwacht – echt moeite doen om de dames weer binnen te krijgen voor het mengen van het parfum. Ik legde uit dat ze geuren konden kiezen en mengen, dat ze zo hun eigen luchtje konden maken.
“Mag ik alweer naar buiten?” vroeg een meisje nadat ze op goed geluk een paar druppels lavendel gemixt had met mandarijn. “Wil jij het voor mij doen?” vroeg een ander.

Afijn, binnen een kwartier was de hele club weer buiten en stond ik halfvolle parfumflesjes te doppen. Ik vulde hier en daar wat bij, ruimde samen met Paul de rommel op en ging toen eens kijken wat de dames aan het doen waren. Al met al had ik hier toch meer van verwacht. Het was dan wel mooi weer, maar hé, párfum maken!? Dat is toch gaaf!

Met z’n achten stonden ze rondom mijn tuintafel. Ze zaten onder de zwarte vegen en modderklontjes. Ze roerden met stokken en oude lepels in bloempotten en plastic bakjes. Er stond een emmer water, er lagen plukken gras en bosjes varens op de grond. Iemand raspte stoepkrijt op de stenen en deed het poeder in een apart bakje.

“Wat zijn jullie aan het doen?” vroeg ik, terwijl ik me ondertussen koortsachtig afvroeg hoe ik straks de ouders van deze noble sauvages een verklaring kon geven voor alle viezigheid. “We maken parfum,” zei het meisje dat even tevoren zo’n haast had gehad om weer buiten te komen. Ze trok wat bloemblaadjes van mijn violen en roerde ze door een papje.

“Écht parfum, mamma!” benadrukte Annabel.

NB Ik heb tegenwoordig een eigen homepage. Die is niet bepaald spectaculiar, maar daar is wel te vinden hoe je mij kan vinden en volgen. Mocht je mij een bericht willen sturen dan kan dat ook via deze pagina. Klik hier voor de homepage.

#helpmehypen


Ik leid tegenwoordig een heel opwindend leven.

Dat zit zo, ik lig dezer dagen bij een heleboel mensen in bed! Vooral vrouwen. Een enkele keer lig ik bij een man in bed (toevallig lag ik vannacht bij mijn eigen man in bed maar echt, dat is een uitzondering) maar meestal eindig ik toch wel samen met een vrouw. En ik moet zeggen: het bevalt me best.

Het zorgt er alleen wél voor dat ik me de laatste tijd best naakt voel, zo met mijn hele hebben en houden in beeld. Niet alleen als ik bij iemand in bed lig hoor, ook op het schoolplein, in het zwembad en bij vrienden thuis. Ik weet immers dat zij (nu) weten dat ik best baal van mijn (te) dikke billen (maar niet consequent genoeg ben om er permanent iets aan te doen), dat ik wel eens op de bank slaap als mijn man snurkt en dat ik me uit het veld laat slaan door zoiets onbenulligs als een onaardige overbuurvrouw.

Kortom, sinds mijn debuut “Je kan er maar beter om lachen” in de winkel ligt (en dát het er ligt heb ik gezien, compleet met poster in de etalage, zo waanzinnig cool), kan iedereen door mijn kleren heenkijken. Ik ben als het ware een open boek voor mijn omgeving. Dat is soms eng, maar vaak vooral erg spannend. Niet vanwege mijn persoonlijkheid (of mijn niet al te slanke dijen) maar vooral vanwege mijn schijfstijl. Wat vinden mensen nou echt van mijn boek? Het boek waarover ik zolang gedaan heb en waarvoor ik zoveel van (onder andere) jullie gevraagd heb.

De eerste reacties – via blog, mail, twitter en omgeving – zijn erg positief. Ik schreef het al eerder: iemand die zijn iPad omdraait in de hoop daar nog wat extra bladzijden te vinden, is natuurlijk een goed teken.
Maar ook opmerkingen als: “Man is net enigszins geïrriteerd naar bed vertrokken. Hij lag op de bank te slapen maar werd steeds wakker van m’n gelach. Kan ik nu mooi in alle rust verder lezen”

En: “Manlief vraagt al de hele dag: “lees eens voor” om dan vervolgens samen te lachen. Gister toen ik thuis kwam met t boek ging hij eerst de hele cover bestuderen om vervolgens hoofdstuk 1 te lezen en helemaal dubbel te liggen. Ik denk zelfs dat ie um deze vakantie nog wel gaat lezen……dat wordt dan zijn tweede boek sinds de mavo!!”

En:
“Ja, hier ook al uit, wat een heerlijk boek! Moest ook hardop lachen, waarop dochter elke keer verbaasd vroeg “wat is er mama?”.

Zulke berichten zorgen natuurlijk voor een ontzettende grote grijnsch op mijn gezicht!

Ooit zat ik in de trein van Amsterdam naar euh, ergens anders, toen er een jongen naast me voortdurend zat te gniffelen. Bij het uitstappen gluurde ik naar wat hij las. Het was “Het feest der liefde” van Giphart. Ik ben uitgestapt en meteen naar de boekhandel gelopen. Dat beeld is blijven hangen, van die grinnikende jongen in de trein. Ik wilde ook mensen laten grinniken, of nog beter: schaterlachen. En het is zo ontzettend lekker om te horen dat er ook echt gelachen wórdt. In bed. Op de bank en zelfs tijdens het voeden van de baby (maar goed dat die zuigreflex van die kleintjes zo sterk is).

Toch zijn er ook kritische geluiden, maar of die nou echt kritisch zijn?! Ik zou de sticker ‘alleen openen tijdens vakantie’ vergeten zijn (iemand moest door mij om 17.00 uur de lunchtafel nog afruimen!) en bij mijn volgende boek moest ik vooral zorgen dat het werd bezorgd de dag voor moederdag ipv vaderdag. Mijn lezers hebben humor, dat blijkt maar weer. Soort zoekt soort en er wordt al druk gespeculeerd over een vervolg op Je kan er maar beter om lachen.

Een vervolg. Ja, dat zou mooi zijn. Een nieuw boek. Ik wil het graag schrijven maar laat ik eerst maar eens afwachten wat Nederland vindt van mijn debuut. En om daar achter te komen zal ik echt moeten zorgen voor meer (naams)bekendheid. Ik lig niet in alle boekhandels, sterker nog, ik lig in meer boekhandels niet dan wél. Niet alle boekhandels kopen ‘zomaar’ boeken van onbekende auteurs.
Maar áls ze er een (moeten) inkopen, voor een klant bijvoorbeeld, dán bestellen ze er meestal meer. Ik kan me zelfs voorstellen dat – wanneer iemand naar mijn boek vráágt in de boekhandel – een boekhandelaar die op dat moment nee moet verkopen, tóch maar fluks het boek gaat bestellen. (Zeker als die klant heel geschokt bij het antwoord kijkt!)

De aandelen in mijn boek verkochten vorig jaar sneller dan snel en inmiddels staan al jullie namen achterin. Betere PR vind ik nergens, dat heb ik de afgelopen dagen al gezien. Dus heb je nog zin om deze zomer te #helpenhypen, dan ben je natuurlijk van harte welkom. Loop eens een boekhandel binnen, bemiddel bij vriendinnen, schrijf een recensie bij bol.com. Wie weet hoe een koe eens haas vangt, en wie weet waar Willem Wever woont.

Ondertussen werk ik aan een nieuw plan. Een plan voor een wedstrijd – speciaal voor jullie – waarbij iets héél leuks te winnen is. Die wedstrijd zal uiteraard te maken hebben met mijn boek (en de promotie) dus hou mijn blog de komende dagen in de gaten.

En tenslotte, tja, dit stond er vandaag op de Facebookpagina van Je kan er maar beter om lachen
Bijna een blog op zich.

Tijdstip 19.20: “schat er was een envelop”
Tijdstip 19.20.05:”waar??”
Tijdstip 19.21:”Waar!!!!!!!!!”
Tijdstip 19.22: rits, scheur, zucht, blij
Tijdstip 19.22.30: grrr snel stoel opruimen
Tijdstip 19.25: stilte, boek open en lezen
Tijdstip 20.30: “Drinken?” “ja , lekker”
Tijdstip 22.00: verhuizing naar boven inclusief
telefoon, kat en BOEK
Tijdstip 22.45: zucht, boek uit!
Conclusie: top avondje!!!!

(Stiekem vraag ik me toch wel af of dat nou wel écht een goed teken is, al die mensen die zo snel mijn boek uit lezen?! In drie uur tijd, mijn hemel, ik doe er langer over om een knoop aan een jas te zetten?!)