Wat voor sla?


Ken je dat?

Sta je in de rij bij de kassa, ben je net aan de beurt, bedenk je ineens dat je iets vergeten bent. Oké, beter om het nu te bedenken dan straks thuis (vooral als het een essentieel onderdeel van het avondeten betreft), maar toch. Onhandig.

Gelukkig had ik de Oudste Klets bij me. Die kon ik wel even snel naar het koelvak sturen (moet je met Annabel niet doen, die verdwaalt nog in haar eigen straat, die zou ik later bij de tijdschriften moeten ophalen) om een zak sla te halen. “Hup hup,” zei ik nog, “beetje opschieten ik moet zo afrekenen.” Behulpzaam als altijd zette Liz er flink de pas in.
“Even doorlopen!”
“Jaja.”

Het koelvak is aan de andere kant van de winkel, ik begon al moeilijk te kijken, maar gelukkig kwam ze snel terug. Ietwat hijgend gooide ze de zak sla op de band. Precies op tijd, de laatste boodschap ging door de scanner.

“Ik hoop dat het de goede is,” zei ze. “Er lagen allemaal verschillende soorten. Dit is ijsberensla.”

Kastanjes


Het afscheid nemen van mezelf als kind ging vrij gemakkelijk.

Oké, ik heb niet staan juichen toen ik ongesteld werd, hier en daar een pukkel kreeg, en (later) rimpels, maar ik was niet weemoedig over het feit dat ik geen kind meer was. Ik vond het wel prima, ik had het naar mijn zin, wat kon mij Sesamstraat schelen. En de dingen die ik écht leuk vond, die nam ik gewoon mee. Staartjes als dertiger, dat kon heus nog wel.

Maar toen ik moeder werd beleefde ik het kindzijn plots veel intenser. Door de ogen van mijn eigen meiden wonnen mijn eigen herinneringen aan kracht. Pappa uitzwaaien met mamma voor het raam, ziek zijn op de bank met een dekentje en een kopje thee, Pippi Langkous kijken op zondagochtend en knutselen met spullen die we vonden in het bos. Vooral met die mooie glimmende wilde kastanjes. Mijn kleine handje in de van mamma, de geur van de herfst.

En nu mijn eigen kinderen opgroeien moet ik toegeven dat ik het afscheid van bepaalde dingen uit hun kinderentijd me soms zwaar valt. Oké, met sommige dingen heb ik weinig moeite (afscheid van luiers, afscheid van zwemles en consultatiebureau, no problem) maar regelmatig sta ik mijmerend naar een afgedankt voorwerp te kijken. Tinky Winky bij de spullen voor Koninginnedag. Te groot voor de pyjama van My Little Pony. Te cool om de hele avond het kwartet van Maan Roos Vis te spelen.

Sommige kledingstukken worden te klein, andere zijn niet meer stoer. De dvd van Strawberry Shortcake, die ik met Lizzy keek op de dag dat Annabel werd geboren, is voor baby’s en die leuke boekjes van Muis en Konijn “zijn echt voor kleuters, mamma”. Natuurlijk komen er weer andere dingen voor in de plaats, dingen die ik over een paar jaar als ze ook dáár te groot voor zijn, ongetwijfeld ook weer ga missen. Samen The Voice of Holland kijken, laat opblijven, sierraden maken en lachen om heel flauwe grapjes.

Maar soms, soms mis ik ze gewoon. Die dingen van vroeger. Dingen uit het schemergebied dat tussen mijn eigen jeugd en hún leven. En als ik dan, zoals vanochtend, langs een enorme kastanjeboom loop, de grond bezaaid met prachtige glimmende kastanjes, en de kinderen keuren de reus geen blik waardig (“hé meiden, zulen we er een paar meenemen?” “Neuh”), dan voel ik dat er ergens diep van binnen een vlammetje dooft. Opgroeien doet een beetje pijn. Vooral bij de mamma’s.

Comazuipen


“Zo,” zei de hulp terwijl ze een emmer op het aanrecht zette. “Dan ga ik nu even een sigaretje roken.”

Annabel, die de hulp op geheel eigen wijze aan het ‘helpen’ was door haar knuffels allemaal stofvrij te maken, bekeek eerst de emmer en daarna het pakje sigaretten.
“Ik ga nooit roken,” zei ze.
“Verstandig,” zeiden hulp en ik tegelijkertijd.

Annabel, gesterkt door onze goedkeuring, ging vervolgens nog een stapje verder. Haar grote blauwe ogen staarden naar een punt ergens achterin de tuin terwijl ze zei: “En ik ga ook nooit pillen en drugs nemen.” (Ze sprak het uit als ‘druggggs’.)
“Goed zo,” zei ik. “En ga je ook nooit alcohol drinken?”
Annabel haalde haar schouders op. Kennelijk hoorde alcohol niet bepaald bij de Zeven Hoofdzonden.
“Nou, misschien wel een wijntje. Of een biertje.”
“Bier is lekkerder als het warm is,” zei de hulp.
“En af en toe een wijntje kan geen kwaad,” zei ik.
“Je moet alleen niet gaan comazuipen.”

Bij het woord ‘comazuipen’ keek Annabel op. Ze kneep haar ogen tot spleetjes en leek heel diep na te denken.
“Wat is comazuipen.”
“Zóveel drinken dat je bewusteloos raakt.”
“O. Nee. Dat ga ik maar niet doen. Comazuipen. Heb jij dat wel eens gedaan, mamma?”
“Nee zeg, gelukkig niet.”

Afijn. Zo ging het gesprek nog even door. Tot het sigaretje van de hulp op was en Annabel weer aan het werk ging. De emmer ging naar buiten en ik nam weer plaats achter de computer.

Zomaar een lollig gesprek, op maandag met mijn dochter van zeven. Over tien jaar is ze zeventíen. Ik hoop dat de gesprekken over deze onderwerpen dan nog steeds lollig zijn.

The Secret Library


Weten jullie hoeveel twintig keer “Je kan er maar beter om lachen” weegt? Nee? Nou, te veel om mee te sjouwen naar Amsterdam. Zeker als je óók nog eens de verkeerde schoenen aan hebt.

Om kwart over tien was ik er eindelijk. In The Secret Library van museum Van Loon aan de Keizersgracht waar ik was uitgenodigd voor een kleine persconferentie te ere van Valentine van de Landes (oprichtster Tenpages.com) nominatie voor de Cartier Women’s Initiatieve Award.

Nadat Cartier Europe en Tenpages.com uitgebreid aan het woord geweest waren ‘mocht’ ik naar voren. Er werden wat vragen gesteld over mijn boek (in het Engels) en ik mocht een stukje voorlezen uit mijn boek, net als Edward Hendriks van ‘Bloedgeld’. Toen ik mijn stukje las werd er flink gegniffeld, behalve door de Franstalige Cartiers, wat ik dan wel weer logisch vond. (Fransen hebben tenslotte een heel ander soort humor.) Al met al leek het me best goede PR voor mijn boek. Er waren tenslotte mensen van Vogue, Red en Elsevier. Die konden óók vast wel eens ergens maar beter om lachen.

Na de persconferentie dronken we champagne uit speciale Cartierflessen. Het was pas één uur, maar ik schonk toch nog een keertje bij. Een mens kreeg tenslotte niet elke dag de kans om champagne in een ‘Secret Libery’ uit de zeventiende eeuw te drinken. Dat hadden mijn boek en ik toch maar weer mooi voor elkaar genetwerkt.

Twintig boeken lichter – en met nog steeds knellende schoenen – ging ik een uurtje later weer op huis aan. De champagne had me een beetje licht gemaakt in mijn hoofd en buiten de beschermende omgeving van The Secret Librery was het licht opeens hard en vaal. Ik struikelde ergens halverwege de tweede klasse in de Sprinter naar Amersfoort.

Maar dat kwam natuurlijk door die verkeerde schoenen.

Vrijwilliger van de week


Zo, hoogste tijd voor een blogje!

Ik was een paar dagen Druk en Afwezig. Met mijn nog immer verkouden kop ging ik aan de slag op school. Onze versierhoek moest nodig worden opgeruimd en daarna spoedde ik me naar vriendin M. om haar te helpen met de halfjaarlijkse kinderkledingbeurs. Hoestend en proestend sjouwde ik afwisselend met dozen versierspullen en kinderkleding, terwijl ik me ondertussen afvroeg wanneer de Koningin zou komen met een lintje!

De Koningin kwam niet. Wél kwam er iemand het kattenbordeel ophalen en een nieuw pak afleveren. Ik was opgelucht toen ik zag dat er tralies inzaten. Het in elkaar zetten zorgde voor stress maar met behulp van de Kletsen (en, het moet gezegd worden, het wiskundig inzicht van Lizzy) lukte het me om één geheel van de losse onderdelen te maken. Inmiddels is Tuffy verhuist en fluit alweer liedjes van plezier in zijn kooi-met-rollator. (Er zit een onderstel met wieltjes bij.)

En Tuffy was niet de enige die iets nieuws kreeg: op de beurs kochten we massa’s nieuwe kleren voor de Kletsen. Liz vond diverse hippe hesjes (ze zit in de hippe-hesjes-fase, ze vond er ook een met tijgerprint!) en Annabel verloor zich in een keur aan kleurrijke kleding. Twee dagen lang liepen ze rond op de beurs en ‘hielpen’ ons op geheel eigen wijze, terwijl ze ondertussen als wandelende reclamezuiltjes de kleding van vriendin M. promootten.

Zaterdagochtend fietste ik langs de apotheek voor een hoestdrankje en een nieuwe oogrimpelcrème. Terwijl ik stond te twijfelen welk merk ik het beste kon nemen schoot de apothekersassistente me te hulp: “Deze is het beste voor wallen onder de ogen.”
Oké, hint begrepen. Nog één dagje en dan ga ik uitrusten.

Maar toen de beurs was afgelopen had ik geen tijd om uit te rusten. Mijn nieuwe boekenkast was gearriveerd! En Paul, de schat, had hem al in elkaar gezet terwijl wij druk aan het verkopen waren. Toen ik hem zag – de kast, maar natuurlijk ook mijn man, duh – was ik zo blij dat ik meteen naar zolder rende om eindelijk mijn boeken uit het verdomme hoekje te halen. Eindelijk een boekenkast om mijn eigen boek in de zetten, hoe cool was dat?!

En nu is het alweer zondagochtend, het hoesten en snotteren wordt minder. Ik heb uitgeslapen, heerlijk ontbeten en zit nu met koffie van mijn nieuwe boekenkast te genieten. De zon valt in strepen door de ramen, mijn meisjes huppelen rond in hun nieuwe kleren, Tuffy hipt op en neer in zijn nieuwe kooi en ik?
Ik rust uit.


Tuffy in zijn nieuwe kooi.

Nieuwe kleren én een nieuwe boekenkast!

Gewoon een kwestie van erin geloven!


Spanje, september 2012

Beste boekhandelaar,

De zomer kwam en is gegaan
Het najaar komt er alweer aan
De glossy “Sint” ligt weder klaar
Met daarin dé verrassing van het jaar
Een boek over Het Gewone Leven
Héél bijzonder opgeschreven
Herkenbaarheid en luid gelach
Is wat de taal hierin vermag
Het wist mij zó te amuseren
Dat Piet mij moest reanimeren
In een tijd van crisis en deceptie
Is humor nodig voor reflectie
Zorg voor slingers en voor vlaggen
“Je kan er (tenslotte) maar beter om lachen”
Van de Nederlandse Bridget Jones
Een boek over iets heel gewoons
Succes in december en veel goede zin
En koopt vooral verstandig in.

‘In 2009 hoorde de auteur bij de beste schrijvers van blogs in Nederland. Dit humoristische boek, voor een breed lezerspubliek, getuigt hiervan.’ – NBD Biblion

‘Schrijfster Esther Vuijsters is geestig, soms een tikje vilein en vooral lekker eerlijk in dit dagboekachtige verhaal.’ – Flair

‘Verplicht leesvoer voor iedereen die neigt het leven iets te serieus te nemen.’ – Bart Mos, Telegraaf

‘Een goudeerlijk, intens grappig boek. Een feest der herkenning!’ – Suus Ruis, auteur Tweede viool en Zonde

‘Je kan er maar beter om lachen’ van Esther Vuijsters is als cadeautip opgenomen in de Glossy Sint die eind oktober verschijnt. Sint staat vol decembertips en leuke cadeaus. Voorkom dat u straks ‘nee’ moet verkopen bestel nu ‘Je kan er maar beter om lachen’ van de Nederlandse Bridget Jones.

ISBN 9789490217273 | € 17.95 | A-boek
eBook ISBN 9789490217280 | € 8,95

Dit ‘persbericht’ gaat er vandaag uit naar alle boekhandels in Nederland. Spannend he? Voor de boekhandels natuurlijk, want die kunnen nu de deal van hun leven maken. Het gedichtje komt van mij en voor wat de rest betreft, óók Sint kan er dit jaar maar beter om lachen.

Dingen die ik nooit vergeet I


De fluorbehandeling

De ellende lag meestal al klaar op het hagelwitte werkblad. Blauw voor de bovenkant, wit voor de onderkant. (Als ik het me goed herinner.) Het was een soort bitje gemaakt van piepschuim, gevuld met fluorpasta, ook wel bekend als het Allergoorste. Als ik nu meisjes met hockeybitjes zie lopen begin ik al bijna te kokhalzen.

Het bitje, dat altijd een maat te groot was, moest je mond in. Het moest óver de boven- en onderkaak zodat het Allergoorste goed kon inwerken. Voorts moest je plaatsnemen in de wachtkamer. Aafhankelijk van welke assistente er dienst had kreeg je dan een tissue of een plastic bekertje om eventueel kwijl in op te vangen.
Achteraf blijkt dat je slechts vijf minuten in de wachtkamer zat. Het leek destijds minimaal een uur en al die tijd probeerde je het kokhalzen tegen te houden. In het begin ging dat nog wel. Dan zat je stil, kaken losjes op elkaar (niet bijten!) en je las een beduimelde Donald Duck of Tina.

Maar na een tijdje ging het altijd mis. Dan ging je tóch met het bitje spelen en op je tanden bijten. Een stemmetje in je hoofd zei dat dat moest. Ook al had de tandarts het verboden.
Als de twee delen van het bit over elkaar schoven maakten ze een piepend geluid. Ondertussen voelde je dan het Allergoorste bij de achterste kiezen naar buiten glijden. Je probeerde het uit te stellen maar uiteindelijk moest je tóch een keer slikken. En dan werd het écht smerig.

Tijdens het slikken liep het Allergoorste, een combinatie van tandpasta, smurfensnot en afwasmiddel, je keel in. Dan kon je het kokhalzen echt niet meer tegenhouden en had je al je wilskracht nodig om het bitje niet op het bruine tapijt van de wachtkamer te spuwen.

Net als je dacht dat je erin zou stikken ging de gele deur naar de behandelruimte open en kwam de assistentie je halen. Het bitje mocht uit. Een uur niet eten of drinken.

Je was er weer (even) vanaf.

Heb jij ook van die dingen? Dingen die je nooit vergeet? Laat het weten en we behandelen het tijdens de volgende aflevering van ‘Walk down memorylane’.

De poezie van de herfst


De nacht was een kluwen van warrige dromen en vreemde gedachten. De wekker maakte een einde aan de illusie dat ik me onder mijn dekbed kon verstoppen. Ik staarde in het donker en het donker staarde terug. De warme douche maakte veel goed. Maar niet alles.

Wel alle troonredes nog aan toe, wat was ik toch verkouden. Mijn hoofd zat vol watten, alles was mistig en stoom uit de douchecabine vertroebelde mijn blik. Ik snufte, kuchte en slikte terwijl ik me afdroogde, insmeerde en daarna aankleedde. (Tenminste, ik geloof dat ik het in die volgorde deed.) Ergens in het proces raakte ik een sok kwijt en stootte ik mijn teen. Er leek geen verband te zijn.

Ik stond net in mijn rokje (zebraprint, ik zit in de dierenfase heb ook tijgersjaal) voor de spiegel toen ik zag dat het heel vies weer was. Herfstweer, zeikweer, nattig niksweer. “Putweer,” zoals de kinderen het plegen te noemen. Ik verwisselde mijn rokje voor een broek en trok bovendien een vest aan. Ik waarschuwde Annabel dat ze niet op haar slippers naar school mocht.

Was het echt dit weekend dat ik met de kinderen – in T-shirt – door het bos liep om de herfst te zoeken? Dat we pompoensoep aten in de zon en mooie bladeren schikten voor het herfsthoekje? Dat we de eerste herfstgrap maakten (“Pap, er hing familie van je in de boom!“) en takken verzamelden om de vuurhaard mee op te porren? Of vergiste ik me en was het in een ander leven?

Achttien september. Mijn duffe hoofd en ik staarden naar de kalender alsof we het ding voor het eerst zagen. Het was gewoon vandaag, er was vannacht niets raars gebeurd, behalve dan dat ik nóg snotteriger was geworden dan ik al was. Rare herfst, hij had me gewoon overvallen dit jaar.

Uit de keuken kwam de geur van versgezette koffie. Dat kon ik nog nét ruiken. De kinderen maakten ruzie om een paar sokken en ik goot yoghurt op de cruesli. Een dikke klodder spatte op en maakte een vlek op mijn nieuwe roze vest. Terwijl ik het schoonmaakte kreeg ik een niesaanval.

“Boehoe,” zei ik, tegen niemand in het bijzonder. “Boehoe, ik wil een winterslaap.”

Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig!


Oké, ik ben nu officieel geïrriteerd.

Nadat ik woensdag een kattenspeeltuin in plaats van de bestelde vogelkooi ontving, belde ik direct met de klantenservice. Een aardige mevrouw erkende de fout en ze zou direct een nieuwe bestelling plaatsen. Voorts maakten we een afspraak voor het ophalen van de kattenmeuk.

Afgelopen vrijdag zouden ze komen. Ik had met de mevrouw van de klantenservice (of was het nou kattenservice?) afgesproken dat ik het pakket buiten zou zetten wanneer ik van huis ging. De firma had me zelfs een ‘collection confirmation’ per mail gestuurd, ik had kopieen van hun mail in de doos gedaan en het nieuwe adres – conform instuctie – op de doos geschreven. Prima geregeld.

De hele dag hield ik de straat in de gaten. Kwam er al iemand aan? Het pakket sleepte ik van buiten naar binnen want het regende steeds. Gelukkig bracht ik het grootste deel van de dag thuis door, achter de computer. Wanneer het pakket buiten stond dekte ik het af met een vuilniszak. Zag ik daar nou iemand van de pakketdienst aankomen? Wat onhandig dat ze nog niet geweest waren, nu moest ik die zooi wéér buiten zetten.

Om half vier ging ik van huis voor de diverse sportrainingen en uiteindelijk was ik pas weer om half acht weer thuis (inderdaad, op vrijdagmiddag hebben wij een druk programma!). Tot mijn grote ergernis stond het pakket nog steeds voor de deur. Aardig nat inmiddels, ondanks mijn voorzorgsmaatregelen.

Ik zette de lekkende troep weer in de gang en belde wederom de klantenservice. Daar kreeg ik een bandje. “Wij zijn uitsluitend bereikbaar op maandag tot en met vrijdag, tot zes uur.” Boe. Stelletje ambtenaren. (O nee, die gaan om vijf uur naar huis!) Ik stuurde een boze mail en vroeg de kattenservice om zo snel mogelijk contact met me op te nemen. “Heb ik weer, ‘catgate’!” zei ik tegen Paul.

Vanochtend ontving ik een mail van het bedrijf. Helaas was het geen reactie op mijn bericht, maar een nieuwsbrief. Ik was gepromoveerd tot ‘vriend’ van het bedrijf, een titel die was voorbehouden uitsluitend aan trouwe klanten.

Vriend! Natuurlijk! Met een druipende kattenspeeltuin in de gang en zonder vogelkooi. Nog even zo doorgaan. Dan zou ik binnenkort écht vrienden met ze worden. Ging ik gezellig bij ze langs. En als blijk van mijn vriendschap zou ik dan wel even om hun oren komen slaan met één van hun eigen krabpalen.

Mijn ‘vrienden’.