Carrièreswitch


Liz wil chirurg worden
.

Dat roept ze al heel lang en sinds ze zelf is geopereerd (door een erg leuke vrouwelijke chirurg) weet ze het zeker. Zíj gaat in het ziekenhuis werken en wel als snijtafeldame. Dat is haar droombaan, zoals ze zelf zegt.

Tenminste, dat wás haar droombaan. Totdat haar zusje eergisteren haar vinger openhaalde aan het doucheputje en Liz dacht dat de halve vinger eraf was. Toen rende de aankomend chirurg prompt bloot en luidkeels gillend de badkamer uit.
“Als ik al zo schrik van een het idee dat iemand een vingertopje kwijt is, hoe kan ik dan ooit een goede chirurg worden?” vroeg de Klets zich hardop af. (Ja, haar zelfkennis is op niveau!)
“Tja,” zei ik. “Daar moet je dan mee leren omgaan.”

Maar Liz zag de bui al hangen. Loshangende vingertopjes waren niets voor haar. Tijd voor een carrièreswitch. Het chirurgijnsgilde zou het niet worden, maar de witte jassen lonkten. Wat moest ze nu?
“Ik word drankjesmevrouw in het ziekenhuis,” kondigde ze tenslotte aan.
“Apotheker,” constateerde Paul. “Dat is ook een mooi beroep.”
“Nee hoor,” zei Liz. “Ik ga koffie en thee op de zalen rondbrengen.”

Afijn. Gelukkig heeft ze nog even de tijd om te kiezen wat ze nou eigenlijk precies wil.

Advertisements

Traumaatje


Let op! Dit verhaal loopt goed af!

Zit ik gisteravond om een uur of zeven nietsvermoedend op de bank, klinkt er opeens een enorm geschreeuw uit de badkamer. De eerste twee seconden dacht ik dat het lawaai onderdeel was van een of ander spelletje – de meiden zaten met de barbies in bad en dat wil nog wel eens de nodige decibellen opleveren – maar het geschreeuw werd steeds hysterischer, waardoor Paul en ik al snel richting trap renden.

Mijn eerste gedachte was: ze hebben zich gebrand aan de hete kraan. Maar ze gaan zó vaak samen in bad, dat leek me eigenlijk niet echt logisch. Bovendien, dan trek je je hand weg en dan ga je huilen. Je gaat niet samen zo hysterisch zitten gillen. Hier waren een paar dames flink in paniek. En die hysterie kwam me maar al te bekend voor!
Het volgende moment kwam er een blote Lizzy van de trap af. “Annabel! Annabel!” riep ze met ogen die groot waren van angst. De schrik sloeg me op dat moment om het hart want Annabel zat nog steeds te gillen in de badkamer. Was er een of ander wild dier de badkamer binnengekomen? What the hell was hier aan de hand?!

Ik was inmiddels halverwege de trap toen ook Annabel de badkamer uitkwam. Bloot, nat en met een bloedend vingertopje. Madame had met haar vingertjes in het afvoerputje zitten poeren en had daarbij in haar vinger gesneden. Tel daarbij op een warme badkamer en een natte omgeving en je begrijpt: er stroomde redelijk wat bloed uit. Ik zag echter meteen dat het eigenlijk weinig voorstelde. Een sneetje rondom het vingertopje. Het was niet eens diep. Handdoek eromheen, klaar.

Annabel was echter in de veronderstelling dat ze doodbloedde – zoiets had ze ook richting Lizzy gegild – en het kostte best veel moeite om de dames ervan te overtuigen dat alles nog heel was en dat we niet – nee écht niet – wéér naar het ziekenhuis moesten om veertig hechtingen te laten zetten. “Ik dacht dat mijn vingertopje eraf was,” bibberde Annabel, nog steeds helemaal in de stress. Lizzy’s gegil was inmiddels overgegaan in een onbedaarlijke huilbui. Die was zich helemaal lám geschrokken. En zij niet alleen.

Een kwartier later zaten we met dekens, warme chocomel en koekjes op de bank. Arme meisjes. En arme pappa en mamma die zomaar op een maandagavond op een hartverzakking getrakteerd werden. Mijn hemel, dit was echt niet goed voor een mens. Ook bij mij kwam er opeens weer van alles naar boven.

“Is het niet diep?” vroeg Annabel met een dun stemmetje. Ze hield de vinger met de pleister omhoog.
“Het is niet diep lieverdje, echt niet,” suste ik terwijl ik haar over haar natte haartjes aaide.
Het sneetje was niet diep.
Het trauma van vier mei daarentegen…

Ik wens u allen een fijne zondag!


Ik zei nog: “Vergeet Ed niet!”

Maar aangezien onze kinderen een soort Oost-Indische doofheid hebben ontwikkeld rondom de woorden ‘vergeet’ en ‘niet’ had ik net zo goed kunnen zeggen dat ze haar skisokken moest inpakken. Annabel vertrok zonder haar favoriete knuffel ‘Ed’ en om half negen ’s avonds ging de telefoon.

“Ik ben even weg,” zei Paul nadat hij had opgehangen. “Even Ed een slinger geven.”
Maar Paul was nog niet terug of de taxihotline werd weer gebeld: Ed moest weer worden opgehaald . Met Annabel erbij. Om kwart over negen ’s avonds waren Annabel en Ed weer samen. In hun eigen bed. “Ed wou niet,” zei Annabel.

Ik had het kunnen weten, thuis was ze de laatste tijd ook een beetje moeilijk met slapen, maar goed, ik dacht dat het wel goed zou gaan bij Vriendinnetje. Niet dus. De volgende ochtend echter had ze alweer praatjes voor tien. Ze wilde terug naar Vriendinnetje en wel nu. Liz mopperde ondertussen dat zij en háár logeetje alléén wilden spelen en dat ze Klein Zusje daarbij niet konden gebruiken. Bla bla bla. Zeur. Mekker. Het was nog géén negen uur en ik had al meer onderhandelingen gevoerd dan Mark Rutte tijdens een gemiddelde formatieweek.

Niet bepaald vrolijk vertrok ik met Annabel naar Vriendinnetje (ik had gelukkig een sms’je dat ze alweer welkom was), hier had ik helemaal geen zin. Dat gezeur ook altijd met die kinderen. Dat deden wij toch vroeger ook niet? Als je ging logeren, dan ging je gewoon logeren. Basta.
“Mogen we mee?” vroeg Lizzy.
“Nee,” snauwde ik.

Nadat ik Annabel had afgeleverd maakte ik nog maar even een ommetje. Het was nog zo vroeg, er was echt niemand op straat. Wat een rust. Niet dat eeuwige gekwebbel aan mijn kop, lekker koud en wat was de herfst mooi zo in het diffuse oktoberlicht. Ik liep een stukje door het bos en voor ik het wist was ik drie kwartier onderweg. In mijn eentje.

Vrolijk en met een leeg hoofd kwam ik weer thuis. Heerlijk zeg, zo’n ochtendwandeling. Zou ik vaker moeten doen. Terwijl ik koffie ging zetten zag ik Ed onderuitgezakt op de bank zitten. Hij keek me verdrietig aan.
“Ach Ed,” troostte ik. “Weet je wat, volgende keer mag je met mij mee. Wíj weten tenminste wat we aan elkaar hebben.”

Foto: (r) gejat van internet

Rare vogel(s)


Het wordt weer kouder en dat betekent: extra aandacht voor de gevederde vriendjes.

Of: voor de ‘schijtvogels’, zoals Paul de mezen, vinken en borstjes in onze tuin liefkozend noemt. Maar dat achter die stoere houding een lieve, zéér gevoelige man schuilgaat, bleek weer eens toen hij vanochtend met een karrevracht vogelparafernalia thuiskwam. Twee voedertorens, een kilo vetbolletjes, een paar zakken pinda’s en zélfs een paar potten goedkope pindakaas had de lieverd ingeslagen.

“Ga je een vogelopvang beginnen?” vroeg ik verbaasd. “Of ga je hennep kweken?” * (Just checking!)

Paul wees op onze nieuwe tuindeuren. “Jij zegt toch dat je nu zo leuk de tuin in kan kijken? Nou, ik denk, zo valt er ook nog wat te zien. Vinden die meiden ook leuk. Vogeltjes kijken. Als jij nou even een zak strooivoer haalt, dan zet ik die voedertorens in elkaar. Fantastische dingen, kostten maar twee euro bij de Dirk!”

Afijn, een half uur later vluchtte ik het huis uit omdat Paul dusdanig ruzie had met zijn ‘fantastische torens’ dat ik vreesde voor een Ground Zero wanneer ik er nog één woord over zou zeggen. Overal lagen losse stukken karton, stokjes en buisjes. Mijn man stond grommend met een tube secondelijm over deze plastic hel gebogen en zag eruit alsof hij elk moment kon ontploffen.

Wonderlijk genoeg hing en stond alles op de juiste plek tegen de tijd dat ik weer terugkwam. Het appelboompje voor het raam was veranderd in een calorierijke kerstboom met vetbollen, pindaversiering en pindakaaspasta. In het vogelhuisje lag strooivoer en zelfs de voedertorens had hij in elkaar gekregen.

“Zo,” zei Paul tevreden, terwijl hij een stoel richting de tuindeuren trok. “Dat is klaar.” Voldaan staarde hij naar zijn ‘project’. Hij sloeg één been over het ander en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Hij zakte achterover en bleef enkele tellen zo zitten. Daarna boog hij zich wat dichter naar het raam toe. Hij sloeg het andere been over het ene en liet zijn kin een beetje rusteloos op zijn knokkels rusten.

“Nou,” hoorde ik hem zuchten, terwijl ik de kamer uit liep om de rest van de boodschappen op te gaan ruimen, “waar blijven die klotevogels!”

(Dat wordt hennep kweken!)

* Het is een publiek geheim dat vogelvoer hennepzaad bevat

Dirty Wordfeud


“Je moet me helpen!”

Mijn moeder laat haar ogen waakzaam de kamer rond gaan. Pas als ze zeker weet dat de kinderen niet binnen gehoorsafstand zijn, schuift ze voorzichtig haar Ipad over de tafel in mijn richting. “Ik heb een probleem,” fluistert ze.

Ik trek één wenkbrauw op. Langzaam en filmisch, om het moment van verbazing zo lang mogelijk te rekken. Mijn moeder die mijn hulp vraagt terwijl ze kijkt alsof ze per ongeluk bij een grote drugsdeal is betrokken. Dat voorspelt niet veel goed.
“Wat is er aan de hand?” vraag ik voorzichtig. (Ik heb het niet zo op drugsdeals, maar goed, het blijft toch je moeder he?) Ik neem een slokje thee en werp een blik op haar iPad. Ik zie niets bijzonders, gewoon een spelletje Wordfeud. “Stoel,” is er gelegd. En “waxen”.

“Híj,” zegt mijn moeder terwijl ze op één van haar spelers wijst. Ze trekt veelzeggend haar neus op en tikt met een venijnig gebaar op het scherm van de iPad. Er verschijnt een profielfoto van een – mij onbekende – man in beeld. “Ik wilde de buurvrouw uitnodigen voor een potje Wordfeud en toen drukte ik per ongeluk op een verkeerd knopje. Toen kreeg ik hém.” Ze spreekt het woord ‘hem’ vol walging uit.
“Nou,” zeg ik, “dat is toch geen ramp? Zo te zien hebben jullie al wat woorden gelegd.”
“Hij wil met me úit!” sist mijn moeder!

Wát?!
Wát zegt ze nou?

“Ja,” gaat mijn moeder samenzweerderig verder, “ik wilde niet flauw zijn, ik had hem zelf gevraagd in feite, dus ik legde een woordje. En nog een. En ik zei netjes gedag en ik vertelde dat ik op de kleinkinderen aan het passen was. En toen,” ze pauzeert even, “en toen vroeg hij of ik wilde daten met hem!”

Ik kan er niets aan doen maar ik moet vreselijk lachen. Om mijn moeder met haar verontwaardigde blik (“ik zei nog tegen je vader, het is vast zo’n vieze stalker”), om mijn vader die had gezegd dat ze het maar als compliment moest zien en vooral om de hele situatie. Mijn moeder, die via Wordfeud gevraagd wordt om te daten, zeg nou eerlijk, dat is toch humor?!

Maar goed. Mijn moeder ziet de grap er niet van in. Mijn moeder zit met ‘die engerd’ in haar maag en ze wil van hem af. Ik druk snel op ‘resign’ en leg haar de werking van het prullenbakje uit. Ten overvloede wijs ik haar nog even op de knop ‘search random opponent’ en zeg dat ze daar dus vooral níet meer op moet drukken.

Maar o, onhandige onhándige dochter. Per ongeluk raak ik het scherm aan en ja hoor, er wordt direct een nieuwe tegenspeler gezocht. (Echt! Ik deed het echt niet expres!)
“Kut!” roept mijn moeder (die anders nooit vloekt, werkelijk, Wordfeud heeft een slechte invloed op haar).
Nog geen twee seconden later meldt zich een nieuwe speler (ongetwijfeld een heel onschuldig meisje van veertien). Snel tik ik ‘sorry’ en druk op ‘resign’. Mijn moeders gezicht spreekt boekdelen.

Als we later aan tafel zitten vertelt mijn moeder het hele verhaal aan mijn vader. “En wat denk je?” zegt ze, “drukt zij (- priemende vinger naar mij – ) zo wéér op die knop!”
“Ja, hahahaha, de Dirty Wordfeudknop.”
“De wat?”
“Laat maar mam.”
“En binnen een paar seconden was er alweer een nieuwe,” zegt mijn moeder terwijl ze haar ogen tot spleetjes knijpt, “ik zweer het je, ze liggen gewoon op de loer!”

Ik denk dat ik ben …


“Ik zit in een quarterlifecrisis,” mopper ik.

Paul kijkt op van zijn krant. “Echt niet. Daar ben je veel te oud voor.”
“Te oud?! Hoezo?”
“Je wordt toch geen honderzesenvijftig? Je zit hoogtuit in een midlifecrisis.”
“Ook goed. Ik zit in een crisis. Hou ik het daar wel op.”

Misschien komt het door die foto die ik laatst met AgingBooth van mezelf maakte. Ineens was ik ruim dertig jaar ouder en keek naar het gezicht van een oude vrouw. Of misschien komt het doordat ik volgend jaar veertig word. Ik weet het niet. Ik merk alleen dat ik een beetje onrustig ben. En dat vind ik vooral zelf behoorlijk vermoeiend.

Paul is alweer verdiept in de krant. Hij laat mij en mijn crisis lekker sudderen. Wel mompelt hij nog dat hij ook een midlifecrisis heeft gehad, maar dat het wel weer over gaat. Hij? Een midlifecrisis? Nooit iets van gemerkt. Bovendien, híj werd alleen maar knapper toen ik AgingBooth op hem losliet.
“Toen ik in een midlifecrisis zat stopte ik met roken.”
“Dat was twee weken geleden.”
“Kan je nagaan hoe snel hij weer over was!”

Later bespreek ik de zaak met buurvrouw C. (die voor AgingBooth bedankte). Officieel kijken we naar het derde deel van de Twilightsaga, officieus bespreken we het leven in al zijn facetten. Buurvrouw C. knikt richting de TV en zegt dat ze af en toe best een vampier zou willen zijn.
“Die worden nooit ouder,” zegt ze. “En ze zijn ook nooit moe.”
“Bovendien weten ze altijd precies wat ze willen,” vul ik aan.
En terwijl buurvrouw C. zich afvraagt of er eigenlijk wel lesbische vampiers bestaan (“Eh, C., volgens mij bestaan vampiers überhaupt niet hè, weet je nog?”) ga ik in gedachten terug naar de column die ik ooit voor Viva schreef. Over ouder worden en over levenstwijfels. Ik werd toen dertig – met een beetje rek zou je dat wellicht als quarterlifecrisis kunnen bestempelen – en mijn collega van negentien vond me een soort fossiel. Toen ik haar vroeg wat volgens haar bepaalde of je nou oud of jong was, antwoordde ze: “Dat weet ik niet, ik denk nooit zo over die dingen na.” Waarna ik – op papier – vaststelde dat dát kennelijk de grens was: het moment dat je over die dingen gaat nadenken.

Op televisie twijfelt Bella of ze moet kiezen voor een aantrekkelijke vampier of een sexy weerwolf (“Luxeprobleempje!”) en terwijl ik nog maar eens een kopje thee inschenk vraag ik C. of zij vindt dat ik teveel nadenk.

“Dat valt wel mee toch?” antwoordt C. “Het is toch logisch dat je over het leven nadenkt. Het is juist goed als je dat doet. en jij denkt vast niet meer dan een ander, ook al denk je soms van wel. Ik denk eerder dat je een probleem als je níet meer meer over de dingen nadenkt.” C. roert bedachtzaam in haar thee.

“Tenminste, dat dénk ik.”

Kip of y


Mijn broer staat binnen onze familie bekend als ‘De Professor’.

Zijn kennis is vaak reuze handig – je zit met zo’n Wandelende Wikipedia niet snel om een antwoord verlegen – maar zijn denkwijze is niet altijd even praktisch. Tussen de weetjes, formules en periodieke systemen door, wil mijn broer nog wel eens wat ‘triviale’ zaken missen. Een portemonnee. Een afspraak. Een stuk of zes APK keuringen….

Gisteravond at ik met mijn broer, schoonzus en kinderen in een pannenkoekenrestaurant. En terwijl het grut zich vermaakte in de ballenbak boog mijn broer zich over de placemats. Daar stond namelijk – tussen de rebus en de kabouterkleurplaat – een raadsel. En raadsels, daar is mijn broer dól op.

Tweeëntwintig dieren – konijnen en kippen – zitten samen in een hok. In totaal tellen de dieren tweeënzeventig poten. Hoeveel kippen zijn er en hoeveel konijnen?

En terwijl Annabel zich afvroeg hoeveel poten een kip had (“De vleugels zijn toch ook een soort pootjes?”) sloegen de volwassenen aan het rekenen. Na een paar minuten vond Paul de oplossing: veertien konijnen en acht kippen.
“Dat heb je snel gedaan,” zei ik.
“Ach ja,” zei Paul stoer. “Dat zijn ervaringsgetallen.”

“Jajajaja,” mompelde mijn broer terwijl hij gebogen over zijn placemat bleef zitten, “maar jij hebt het geschát en toen gekeken of het klopte. Er moet ook een formule voor zijn. Even denken, hoe zat dat ook alweer met die vergelijkingen bij wiskunde?”
En terwijl wij nog een drankje bestelden en gezellig keuvelden over koetjes en kalfjes boog mijn broer zich over de kippen en konijnen. Af en toe mompelde hij wat – x en y zijn samen tweeëntwintig, dus y is tweeëntwintig min x – en na een kwartiertje vroeg hij het meisje van de bediening om nóg een placemat. “Vier y plus twee x is tweeënzeventig, x moet ik vervangen door tweeëntwintig min y.”

Nadat we het dessert hadden besteld gingen schoonzus en ik alvast betalen. Ik moest om acht uur in het zwembad zijn en ik wilde niet te laat komen. We stonden net op het punt om de kinderen uit de ballenbak te gaan halen toen mijn broer opeens heel hard ‘Eureka’ door het pannenkoekenrestaurant riep.
“x is veertien, y is acht!”
“Ja,” zei Paul, “dat zei ik een half uur geleden al.”
“Maar ik heb de formule!”

Triomfantelijk hield mijn broer de placemat omhoog waarop zich hij op schoolmeesterachtige wijze de complete vergelijking had uitgewerkt.
“x is kip, y is konijn.”
“Y voor kip was logischer geweest,” zei schoonzus.

“’t Is prachtig,” zei ik. “Zullen we gaan? Ik moet nu echt weg.”
“We moeten nog betalen,” zuchtte mijn broer. “Waar heb ik mijn portemonnee nou weer gelaten?”
“Duh! Wij hebben wij allang betaald, Einstein.”

“Echt?” Mijn broer keek zijn vrouw verrast aan. “Wanneer hebben jullie dat gedaan dan?!”