Omnigenieter


Ik heb niet bepaald een verfijnde smaak.

Althans, ik héb wel een verfijnde smaak (ergens) maar daarnaast heb ik ook een wanstaltige. Ik hou van zelfgemaakte sushi en Russische kaviaar (dat vind ik tamelijk verfijnd) maar ik geniet ook van een snackmaal bestaande uit een patatje oorlog en een lekkere kroket. (Nu we het daar toch over hebben: volgende week begint de Nationale Week van de Kroket, noteert u het even?)

Ik heb het niet alleen met eten. Ook wat boeken betreft ben ik een combigirl. Ik wissel Vampierenromans (heerlijk, die Twightlightsaga) af met Zeer Verantwoorde Boeken (Rosenboom, Palmen dat werk) en ik lees net zo makkelijk Vijftig Tinten als Gek op Natuurkunde. Het is juist de afwisseling die lezen leuk maakt en ik schaam me nooit voor wat ik lees. Fuck de format! Thrillers zijn leuk, kinderboeken ook. (De Hongerspelen al gelezen? Fantastisch!) En wat de TV betreft kijk ik nét zo lief naar Het familiediner als naar Pauw en Witteman.

Ook als het over kleding gaat doe ik niet moeilijk. Laatst kocht ik een ontzettend duur gilet en dat droeg ik op een broek van de H& M. Zolang het maar leuk staat, maakt het toch niet uit waar het vandaan komt? En hoe fout is fout als ík me er lekker in voel? Voor de kinderen koop ik vaak kleding tweedehands, een stuk goedkoper en altijd origineel. Een elegant jasje en een foute sjaal uit de grabbelbak van het Kruidvat: ik ben vóór! (Al geef ik toe dat die keer dat ik mijn haar roze kleurde niet bepaald een succes was.)

Maar wat wil ik nou eigenlijk met dit stukje zeggen? Geen idee. Dat ik een omnigenieter ben en dat ik me daar prima bij voel. Dat ik zaken combineer die eigenlijk niet bij elkaar passen en dat ik wars ben van ‘hoe het heurt’. Ik produceer een schitterend stuk tekst om de zin van het leven te omschrijven, waarna ik vloek als een bootwerker omdat mijn computer vastslaat net als ik de tekst wil publiceren. Niet chique, wel lekker. Net als een kroket eigenlijk.

En jij? Op welk gebied heb jij een wanstaltige smaak? Toe, zeg het maar. Je geheim is hier veilig.

NB Hebben jullie dit al gezien? Op mijn eigen homepage (klikklik) heb ik alle tutti van de afgelopen jaren verzameld!

Tutti Frutti – deel zoveel –

En daar zijn we dan weer!
Met een verse lading Taalkundig Tutti Frutti, bijna allemaal opgetekend door lezeres Eva die – volgens eigen zeggen – ‘een soort hobby’ heeft gevonden in het Tuttispotten. De lijst is hier en daar aanvuld met enkele commentaren (van mij) alsmede een aantal verhaspelingen dat me werd toegezonden via Twitter. Maar het grootste deel komt toch wel van Tuttiscout Eva. Thanks!


“Ik ben twee en een half jaar in de knoop geweest!” (Houdini is er niets bij!)
“Dat ze het uiterste uit zichzelf laten zien.”
“Ik ben trots, dat ie het zover geschoten heeft.” (Ik vraag me dan meteen af: wát heeft ie geschoten?! Wortel?)
“Dan kan je maar beter even de knip op de zak houden.” (Auw!)
“Toen sprongen de tranen onder z’n ogen.” (Dat krijg je als je de knip op de zak houdt.)
“…die is het met het Noorderlicht vertrokken.”
“De klok voel ik nu wel in mijn nek hijgen.” (Wacht maar tot je de klepel tegen je kop krijg!)
“Ik hoop dat ik de kans kan trekken, dat ik voor mezelf kan beginnen.”
“Ze is geen slag veranderd.” (Behalve dat ze nu steil haar heeft.)
“Toen ik het eenmaal had gedaan, kwam de ontlading eruit zetten.”
“Toen ik het had gedaan, vond ik het wel een kick hebben.”
“Ik wou eerst mezelf weer op een rijtje hebben.” (Aldus een bewoner van de afdeling ‘schizofrene patienten’)
“Dingen naar elkaars hoofd verwijten.”
“Het valt heel zwaar op je dak.” (visualiseer: aambeeld op je hoofd.)
“We zullen even de zaken op gang zetten.” (Paard?)
“Ik werd met een kluitje het bos in gestuurd.” (om vervolgens door de bomen het riet niet meer te zien!)
“Dat ging buiten mijn rug om.”
“Verzin eer ge begint”
“Maar daar sta ik dan met mijn goed verzoen.” (En met een smet op mijn blazoen!)
“Echt, het lood zakte me in de schoenen.”
“Ik wilde geen vuil spuiten.”
“Die heeft het licht niet uitgevonden!” (En de spreker is ook geen lampje!)
“Ik kan mijn schouder eromheen slaan.” (Dat is echt knap!)
“Die mengde zich daar gelijk bij.”
“Mijn gezicht spreekt open boekdelen.”
“Hij kan zijn energie uitleven.”
“Ik zat echt niet in mijn vel op dat moment.” (Spring er dan ook niet uit!)
“Er moet vuur in de brouwerij komen.” (Hopen dat ze goed verzekerd zijn.)
“Ik heb er natuurlijk met mezelf wel veel mee gestofwisseld.”
“Ik ben helemaal uit mijn lint gegaan.” (Of ging ik nou juist door mijn dak?!)
“Ik word in de boot genomen.” (Is dat nou juist fijn? Of niet?)
“Een wereld zonder conflicten om elkaar heen.”
“..dat het hier niet thuispast…”
“De zenuwen gieren door mijn buik.”
“Ik heb altijd op de tweede rang gespeeld.”
“De tranen stonden haar heel hoog.” (Ze verdronk in haar verdriet, zeg maar.)
“De stank was ondraagbaar.” (En stonk bovendien!)
“Voor mij is het positief uitgelopen.”

Tot zover, iedereen bedankt voor het meedenken. Volg mij ook op twitter voor meer Taalkundig Tutti Frutti.

En voor wie het leuk vindt: ik heb mijn eigen site een beetje opgeleukt. Er staan onder andere een oude columns uit Viva op en er is een album met JKEMBOL in beeld. En ik heb een gastenboek! (Hint)

Heb ik weer!


“Hé mam, moet je horen!”

Gniffelend leest Liz een paar zinnen hardop. De passage komt me bekend voor. Net als de passage waarop ze me hiervoor trakteerde. En die daarvoor. En dáárvoor. Ik kan die zinnen wel dromen. Logisch. Liz leest: Je kan er maar beter om lachen.

“En dit stukje, mam, moet je dit horen! Dit is lachen!”
Voor de zoveelste keer kijk ik op van mijn spelletje Wordfeud. Het is natuurlijk leuk dat mijn dochter enthousiast is over mijn boek, maar dit begint een beetje vermoeiend te worden.
“He schat,” zeg ik voorzichtig, “ik kén het boek he? Ik heb het zelf geschreven, weet je nog?”
Liz hoort me niet, ze is alweer verdiept in haar boek.

(…)

“Mam?”
“Hmm?” Ik probeer nét een woord te vinden waarbij ik zowel de DW als de TL kan gebruiken dus ik luister met een half oor. Ik sta achter met dit spelletje Wordfeud dus ik heb de punten nodig.
“Hier staat iets over seks.”
“Wat? O. Ja. Dat kan.” (Verdorie, ik wíst dat het geen goed idee was om haar dat boek te geven.)
“Dat doen jullie zeker als ik slaap?
“Eh. Ja.” Meteen ben ik mijn Wordfeudinspiratie kwijt. In plaats van het briljante woord dat ik in gedachten had, leg ik ‘gênant’ en dat levert me maar negen punten op. Wat vraagt dat kind toch veel de laatste tijd. Vooral over seks.
“Vinden jullie dat leuk?”
“Zeg, kan jij niet even iets anders gaan lezen? Pluk van de Petteflet of zo?” (Daar komt – op een paar broeierige blikken van mevrouw Helderder richting vader Stamper na – voor zover ik weet geen geslachtsgemeenschap in voor.)

Liz schudt haar hoofd en leest snel verder. Ze gaat een beetje met haar rug naar me toe zitten, alsof ze bang is dat ik het boek ineens zal afpakken. Straks komt dat stukje waarin het woord ‘vibrator’ voorkomt, bedenk ik. En die scene waarin ik uit mijn dak ga tegen de overbuurvrouw. Het zal – met andere woorden – niet lang duren voordat ik definitief de Spaanse inquisitie op mijn dak krijg.

“Nee. Ik lees liever dit. Zo kom ik nog eens wat te weten.”

Kanker is niet om te lachen


Kanker is niet grappig.

In feite zijn er natuurlijk een heleboel ziektes die niet grappig zijn, maar kanker staat bij mij bovenaan het lijstje ‘dingen waarom ik niet kan lachen’. Ook mijn kinderen kunnen niet om kanker lachen. Ze weten – uit hun directe omgeving – hoe deze ziekte om zich heen grijpt en hoe ziek mensen van de behandeling kunnen worden.

Maar naast bezorgd zijn kinderen vooral ook speels. En kanker verwerken in een spel is hun manier om er mee om te gaan; naspelen en benoemen. En hoewel de ziekte kanker niet om te lachen is, hoor ik vaak van patiënten dat het voor hen júist de humor is die ze er doorheen sleept. (Zo gaven vrienden van mijn ouders mijn boek cadeau als bedankje aan ruim twintig ‘mantelzorgers’.) Dat dan weer wel.

En dat kinderen in hun speelsheid nog wel eens wat dingen door elkaar halen is geen nieuws. Vaak is dat dan juist weer wél humor. Neem nou die keer dat er een collectant aan de deur kwam die zei: “Ik kom collecteren voor het gehandicapte kind.” Waarop Liz zei: “O. Welk kind?”
Juist vanwege die gezonde werking van de lach, wilde ik jullie dit stukje niet onthouden. Een gesprek tussen Annabel en een vriendinnetje waarin begrip en humor hand in hand gaan.

Annabel: “We spelen barbie-ziekenhuis.”
Vriendinnetje: “Ja, al deze barbies zijn ziek. Deze heeft kanker.”
Annabel: “Nou, doe dat maar niet. Kanker is écht heel erg hoor. Daar kan je aan doodgaan.”
Vriendinnetje: “O. Ja, wat heeft ze dan?”
Annabel: “Hm. Doe maar… de Italiaanse griep.”

Allemaal een fijn weekend, vergeet niet te lachen en vergeet vooral niet om de mensen die het nodig hebben een lach te brengen.

Een timbaaltje?


Ik ben nog niet binnen of ik krijg een glas wijn over me heen.

Witte wijn weliswaar, maar toch. Ik sta er weer gekleurd op. En aangezien ik nergens servetten zie, droog ik mezelf (en mijn nieuwe jurkje) maar een beetje af met het tafelkleed dat over een of ander chique hoektafeltje ligt. Op dat moment komt de eigenaar van het restaurant binnen. “Gaat het, mevrouw?” vraagt hij, met opgetrokken werkbrauwen.

Afijn. De toon is gezet en de workshop kan beginnen. Ik moet een timbaaltje maken. “Een timbaaltje?” “Ja. Een timaaltje.” Van kool en spek. En nog een paar dingen die ik niet lekker vind. Mijn naam ligt bij de snijmachine want daar moet ik beginnen. Paul kijkt bezorgd in mijn richting. (Hij staat bij het toetje.) “Zou je dat wel doen?” vragen zijn ogen, “met die snijmachine?”

Een kwartier later krijg ik van de juf op mijn kop omdat ik met een verkeerd mes sta te snijden. Ik heb inmiddels een flink blaar op mijn rechterwijsvinger. Ik krijg witte-kool-snijles. Jammer dat ik nooit witte kool eet omdat ik witte kool háát. Paul staat kletskoppen te bakken. Hij grapt dat hij thuis ook drie kletskoppen heeft.

“Ik wil geen eendenborst,” zeg ik. “Vind ik zielig.”
“Waarom?” vraagt een collega van Paul.
“Omdat wij vroeger een eend als huisdier hadden.”
“O,” zegt de collega. “Ik had vroeger een varken als vriendin.”

De wijn is goed. Misschien wel te goed. Opeens staan mijn timbaaltjes in de oven en heb ik er een brandwond bij. We gaan zo aan tafel om ons zelfgemaakte diner op te eten. Ik eet geen eendenborst, ik krijg vis. Of ik dat niet zielig vind? Nee, vis eten vind ik niet zielig. Ik heb niets met vissen.

We eindigen met ijswijn en het toetje van Paul. Smakelijk, ik kan niets anders zeggen. Na een erg leuke avond gaan we voldaan naar huis. Alles was lekker. Het toetje, mijn timbaaltje en de vis. De wijn was ook lekker.

En vandaag ben vooral ikzelf gaar. En een beetje aangebrand.

Nazdrovje


Paul heeft iets met Rusland.

Vanwege zijn werk maar zeker ook privé. Zo heeft hij niet alleen een aantal vooraanstaande steden bezocht, maar ook De Hermitage en (delen van) het binnenland. Inmiddels heeft hij een doorlopend visum, een Russische vertegenwoordiger (lees: Bruder) én een echte oesjanka (bontmuts).

Russen zijn vriendelijke en toegankelijke mensen maar het Russisch is een lastige taal. En aangezien Paul tijdens zijn eerste bezoek – ongeveer een jaar geleden – niet veel verder kwam dan het bekende “Nazdrovje” besloot hij om een talencursus te gaan volgen. (Je kunt tenslotte tijdens de onderhandelingen met je Russische partners niet “Nazdrovje” blíjven roepen, hoe leuk de Russen dat ook vinden.) En dus werd er op een dag een groot pakket met daarin twee dikke mappen en een (nogal vage) CD bezorgd.

Nu weet ik niet wat ‘verstoffen’ in het Russisch is, of ‘uitstelgedrag’, maar nadat Paul het Cyrillisch alfabet had bestudeerd, Amsterdam had vertaald en samen met Liz het eerste hoofdstuk van de CD had beluisterd, was het opvallend stil aan het Russische front. De cursusboeken begonnen in de weg te liggen en belandden uiteindelijk naast ons bed zodat Paul elke avond een paar woordjes kon leren.

Nou moet je weten dat mijn man meestal zijn ogen niet eens lang genoeg kan openhouden om het licht in de slaapkamer uit te doen, dus ik had niet bepaald de illusie dat hij op korte termijn gedichten van Poesjkin in bed zou gaan voordragen (hoe romantisch en A fish called Wanda dat ook zou zijn). En inderdaad, de boeken bleven liggen waar ze lagen – naast of onder het bed – en werden alleen van hun plek gehaald als er moest worden schoongemaakt.

Gisterochtend was ik het zat. Ik had de slaapkamer opgeruimd, mijn teen gestoten aan één van die lompe cursusmappen en besloten dat de handel naar zolder moest. Ik voegde woord bij daad en toen ik Paul daar ‘s avonds van op de hoogte stelde zei hij heel verontwaardigd: “Wat stom! Ik ga binnenkort toch echt met die cursus beginnen hoor!” Ik heb hem vriendelijk toegeknikt (precies zoals een Rus zou doen, die zijn namelijk heel beleefd heb ik ergens gelezen, maar trekken vervolgens hun eigen plan) en gezegd dat ik ze dan ‘binnenkort’ wel weer naar beneden zou halen.

Zoals een Russich gezegde luidt: “De wolf is geen herder, de geit is geen tuinder.”

En mijn man kan beter gewoon een goede tolk zoeken.

Een leuk projectje!


Op één van haar vaste adressen – een keurig huis in de Vinex – besloot mijn hulp om eens goed onder het bed te zwabberen.
Ze schoof alles aan de kant en trof, helemaal tegen de muur aangeschoven, een smalle doos aan. Toen ze de doos aan de kant schoof, zag ze tot haar verbazing dat hij was gevuld met vibrators en dildo’s in alle soorten en maten. Op dat moment kwam de (al wat oudere) vrouw des huizes binnen en waar de hulp het schaamrood op de kaken had, riep de vrouw enthousiast uit: “Hé, mijn doos! Ik miste hem al!”

En zo heeft elke branche natuurlijk zijn eigen briljante verhalen. En zijn eigen mooie uitspraken. Bekende voorbeelden zijn de helpdek (“Ik kan de anykey niet vinden”) de huisarts (“Inloopochtend voor rolstoelers”) en mijn ‘eigen’ branche, de verzekeringswereld (“Mijn poes heeft het bibliotheekboek beschadigd”). Maar er zijn natuurlijk veel meer beroepen en sectoren in Nederland. Met allemaal hun eigen (galgen)humor.

Afgelopen weekend zag ik weer eens zo’n leuk boekje in de boekhandel liggen: grappige krantenkoppen en leuke advertentiebijschriften. Lollig, maar wel wat eenzijdig. Zoals al dit soort boekjes eigenlijk. Het zijn óf kinderuitspraken, óf malle reclameteksten óf rare taalverhaspelingen. En dus kreeg ik een idee! Misschien is het wel leuk om verzamelboekje te maken. Jullie de input, ik de verwerking.

Ik ben zo vrij geweest om alvast een kleine indeling te maken. Bij elk hoofdstuk komt een onderverdeling in ‘uitspraken’ en ‘150-woorden verhaaltjes’, voor die laatste moet ik nog even een leuke term bedenken. Het houdt in elk geval in dat het verhaaltje (heel verrassend) maximaal 150 woorden mag zijn.

De indelingen die ik heb gemaakt:

– Medisch
– Financieel
– Technisch
– Dienstverlenend
– Met kinderen
– ICT
– Taal en tekst

Als ik genoeg input heb – dat kan best pas over twee of drie jaar zijn – dan laat ik er een leuk boekje van drukken. Een verzamelboekje, gewoon in eigen beheer. Ik schrijf er een leuke inleiding bij en natuurlijk sluiten we af met een hoofdstuk Tutti Frutti! Dat laatste is al eens vaker gevraagd (om de Tutti Frutti te bundelen) dus ik ga er vanuit dat dit project jullie allemaal aanspreekt.

Vanaf nu dus allemaal een notitieblokje in de tas, noteer al het leuks dat op je (werk)pad kom en mail het naar mij op leap apenstaartje ziggo.nl En zeg het voort!

Alles is liefde…


C’est le ton….

– “Zeg schat, weet jij eigenlijk wel hoeveel ik van je hou?”
(verward/verschrikt) “Huh? Hoezo?”
– “Nou, we hebben toch volgende week die borrel van jouw werk?”
(behoedzaam) “Ja…”
– “En nu heb ik speciáál voor jóu, voor jóuw werk en jóuw borrel, vanochtend een nieuw jurkje besteld. Líef he? En hij was echt niet goedkoop hoor, écht niet.”

(gealarmeerd) “Duur dus.”
– “Een beetje maar. En weet je wat?”
(argwanend/geschrokt)“Nou?”
– “Ik dénk zelfs, ja dat zou zomaar kunnen, dat ik zelfs zóveel van je hou, dat ik er vanmiddag – speciaal voor die borrel-, gewoon nog even een paar mooie laarzen bijshop. Nou?”
(zuchtend) “Tegen zoveel liefde kan ik niet op.”

I-Kea’s


De Kea papegaai is een heel slimme vogel.

Uitgerust met een snavel als multitool, sloopt, kraakt en verovert de Kea alles wat hij tegenkomt. De documentaire liegt er niet om: de Kea is een prachtige, intelligente vogel. En een ontzéttende etterbak.

We zien een paar Jackass-achtige filmpjes waarin een stel groene vogels complete auto’s ontmantelen (waarbij vooral ruitenwissers niet veilig zijn), prullenbaken op zijn kop zetten (een wasbeer zou er jaloers op zijn) en werkelijk alles slopen waar ze op dat moment zin in hebben (of belang bij hebben). En dat is nog niet alles: ze lachen er ook nog eens smakelijk om. Inwoners van Nieuw-Zeeland moeten gemiddeld drie keer per week het dak op omdat een stel hangkea’s weer eens de antenne gesloopt heeft.

De Kletsen smullen van de documentaire over de Nieuw-Zeelandse beesten. Ze zijn dol op alle vogels en papegaai-achtigen in het bijzonder. Vergeleken bij de slimme Kea’s – die zelfs samenwerken als dat nodig is – is ‘hun’ valkparkietje eigenlijk maar een sukkeltje, zoals Annabel het zo mooi uitdrukt. Tuffy lost immers geen puzzels op en hij bedenkt niet uit zichzelf dat hij schroeven met zijn snavel kan uitdraaien zodat hij overal beter bij kan.
“Ik wil ook een I-KEA,” zegt Annabel.
“Een Kéa,” corrigeert Lizzy afwezig. “Geen Ikea. En stil nou even. Wat gaan ze nu doen?”

Twee Kea’s staan bij het (ingegraven) nest van een zeevogel. Ze luisteren naar het gepiep van het zeevogelkuiken dat daar door de ouders is achtergelaten. De toegang tot het nest is te smal voor de Kea’s dus wat doen de slimme vogels? Ze gaan graven. Als de opening groot genoeg is slepen ze het kuiken naar buiten. Om het samen op te eten.”De Kea is een omnivoor,” zegt de voice-over. Het kuiken schreeuwt moord en brand. De Kea’s zijn niet onder de indruk.

De stemming in de kamer slaat meteen om.

O?”
“O!”
“Wat doen ze nou?”
“Dat arme kúikentje!”

Het is duidelijk dat de dames even niet weten wat ze met de situatie aanmoeten. Een vogel die een andere vogel opvreet. Dat is net zoiets als een vriendin die opeens een vijand wordt. Daar moesten ze even over nadenken. (Alhoewel Annabel al vrij snel roept dat ze de Ikea’s opeens véél minder leuk vind en dat Tuffy toch wel lief is.) Stilzwijgend – en met duidelijk met enige scepsis – wordt er verder gekeken.

“Tja, dat is de natuur,” zegt Paul. “De natuur is soms wreed.”
Annabel knikt: “Net als met het orgaan in Amerika.”
“Orgaan?”
“Dat orgaan. Waardoor het heel hard ging waaien en de auto’s kapot gingen.”
“Je bedoelt een orkaan, An.”

Afijn. Het beeld is helder. De Kea’s hebben het kuiken verschalkt en zijn alweer bezig om met elkaar te stoeien. Met z’n vieren rollebollen de Keakleintjes door het gras terwijl hun ouders trots toekijken. Net zoals wij naar ónze rare vogels kijken zolang ze schattig, lief en leergierig zijn.

Nee, de natuur is niet altijd even gezellig. Of het nou gaat om (I)Kea’s, organen of je eigen kinderen. Het is beter om daar een beetje op voorbereid te zijn.

Alleen al daarom is zo’n documantaire over rare vogels vaak bijzonder leerzaam.