Quid pro quo


‘Stukjes schrijven’ is, zeg maar, echt mijn ding.

En naast de broodnodige betáálde stukjes, schrijf ik ook regelmatig vrijwillig. Voor school, voor de gymvereniging of voor een (nieuw) bedrijf(je) van een vriend(in). Natuurlijk doe ik dat. En daar hoef ik niets voor terug.

Toch, heb ik gemerkt, willen mensen vaak iets voor je terugdoen. Dat moet je ze natuurlijk wel gunnen dan. En zo komt het dat ik 1) altijd mooie foto’s van mezelf heb 2) op elk gewenst moment medisch advies kan krijgen* 3) mijn eigen gewichtsconsulente kan raadplegen en 4) gratis interieuradvies krijg. Om maar wat te noemen.

Eigenlijk had ik nooit zo bij deze onbezoldigde beroepswisselwerking stilgestaan, totdat ik vanochtend een mailtje kreeg van een moeder (die erg blij was met een paar stukjes voor school) waarin ze schreef dat ‘het haar wel duidelijk was waarom ze mediator was en géén schrijver’. Ze sloot af met: “als je een keer ruzie hebt, dan kom ik je helpen.”

Dat vond ik zo’n leuke opmerking dat ik daar even bij stil bleef staan. Als je ruzie hebt, kom ik je helpen. Wat lief! En nu ik daar zo over nadacht, deze moeder paste eigenlijk uitstekend in het rijtje van de huisarts, de fotografe, de gewichtsconsulente én de interieurstyliste. (Idee: de pilotenmoeder vragen of ik niet eens een stukje voor háár mocht schrijven…)

Eigenlijk, realiseerde ik me, hoefde zo’n opsomming helemaal niet limitatief te zijn. Er kan nog meer bij, zoals we vroeger al zongen. Want die ruzie, die kon wel eens verkeerd aflopen en, alle mediators ten spijt, dan moest ik natuurlijk met grover geschut komen. En wat te denken van de rimpels die zulke akkefietjes me zouden opleveren. Of de stress. Eureka!! Dit kon wel eens de oplossing zijn voor mijn noodlijdend bestaan als freelance tekstschrijver!

Dus: stukjesschrijver biedt zich aan voor netwerk.

Ter ondersteuning van mijn beroepspraktijk zoek ik de volgende mensen om – geheel belangeloos uiteraard – gratis stukjes voor te schrijven:

– Advocate
– Masseuse / schoonheidsspecialiste
– Fysiotherapeute
– Kinderoppas
– Plastisch chirurg (m/v)

– Voor nood: eigenaar supermarkt

En– mocht mijn leven nou echt fout lopen – : – een professioneel kickbokster

Mijn e-mail adres vindt u in het kader hiernaast. Komt u maar!

* Technisch gesproken schreef ik voor de huisarts geen stukjes, maar ik vlocht wel de haren van haar dochters in voor een foto (gevalletje ‘geen woorden maar daden’)

Wormel


Annabel speelt met Tuffy-de-valkparkiet.

“Tuffy,” zegt ze opeens, “wat ben je toch een klein wormel.”
“Een wormel?” vraag ik. “Zei je nou ‘wórmel’?”
Annabel knikt. “Hij is een wormel.”
“Bedoel je niet een mórmel?”
“O ja.”

Lizzy kijkt op van haar boek.
“Annabel,” doceert ze, “vogels stammen af van de dinosauriërs hoor, ze zijn eigenlijk onvolgroeide dino’s. Daar mag je wel een beetje respect voor hebben.”

“Wat zeg je me nou?!” reageert Annabel verbaasd. “Stamt híj af van de dino’s? Dat…dat.. wormel?!”

Over aannames gesproken


Soms raak je zomaar opeens bevriend met een moeder uit je omgeving.

Omdat de kinderen met elkaar spelen, omdat je samen een activiteit op een clubje begeleidt of omdat je, zoals moeder L. en ik, een gemeenschappelijk belang hebt.

Moeder L. en ik hebben namelijk een ‘kledinglijntje’, zoals we dat zelf noemen. Zij vliegt en ik help regelmatig op kledingbeurzen. Dus: de kleding die gedoneerd wordt, verzamel ik voor ‘ons’ goede doel. De zakken gaan bij mij thuis de kelder in en L. haalt ze vervolgens op. (Een ‘transactie‘ noemen we dat.) Voorts gaat de kleding mee als L. vliegt (in haar eigen bagage, in delen), en brengt zij alles persoonlijk naar de geselecteerde opvanghuizen. Supergoed vind ik dat!

L. en ik praten eigenlijk nooit over ons werk – zij vliegt en ik schrijf, tot zover gaat de kennis – maar we hebben het vaak over school, over de opvanghuizen en over de boeken die we hebben gelezen. Ik vind L. stoer, al mijn stewardessenvriendinnen hebben hun koffer allang aan de wilgen gehangen en zij werkt fulltime! Ja, ze is een leuke vrouw, die L. Ik heb het gevoel dat ik haar al best lang ken.

“Zeg,” vroeg ik haar gistermiddag, toen ze – brak van een vlucht – naast me stond, “hoe lang bén jij eigenlijk al stewardess?”
L. keek me – over het randje van haar zonnebril- verbaasd aan.
“Mán,” zei ze, “ik ben piloot.”

Dagje Efteling


“Heeft u ook een puntenslijper?”

Nee. Een puntenslijper had de buschauffeur niet. Wel had hij snoepjes, een leuke film en een heleboel extra plastic zakjes. Kortom, van alles om de busreis zo aangenaam mogelijk te laten verlopen.

Nou ja, aangenaam….
Ik miste eigenlijk vooral de oordopjes. Zestig opgewonden kinderen: ik vreesde dat de bus op enig moment door de geluidsbarrière zou gaan!
“Eerste maar even naar de python,” gilde één van de medemoeders boven de feestvreugde uit. “Kunnen ze even uitschreeuwen.”
“Hopelijk is het droog als we er zijn.”

Het regende nog toe we de bus uitstapten, maar dat maakte ons niet uit. De python smaakte naar meer! De vliegende Hollander volgde, de Vogelrock (daar kwam ik aardig misselijk uit) en toen was het alweer lunchtijd.
“Het schip! We willen in het schip!”
“Het schip doen we als laatste want daar komen jullie kotsend uit.”

De patat ging snel naar binnen. Vlug vlug, want we willen in de Piranha. De Piranha? Was dat niet die attractie waar je altijd zeiknat uitkwam? Ja. Die! Na één rondje was ik aan één kant doorweekt. Wilden ze blijven zitten ook! Was mijn ándere kant ook nat. Waar bleef die zon nou?

Halverwege de gang naar de bobsleebaan hield één van de medemoeders haar smartphone met buienradar onder mijn neus: “De zon gaat straks schijnen! Dan droog je weer op.”

De zon ging helemaal niet schijnen maar eigenlijk maakte dat niet uit. We konden overal doorlopen, we hoefden nergens te wachten. Droomvlucht beleefden we twee keer achter elkaar, Joris en de Draak drie keer. Onze kleren droogden uiteindelijk in de vaart.

Aan het einde van de dag bezochten we nog snel even Villa Volta. Wilden ze zelf hoor. En daarna… hé, wat jammer nou! Net te laat voor nóg een attractie.
“We moeten rennen, de bus vertrekt zo!”
“Maar we zijn het schip vergeten!”
“Echt? O ja. Shit.”

Ik had het niet zo gepland, echt niet. Sterker nog, ik vond het óók best heel jammer dat we geen tijd meer hadden voor het schip. (Vingers gekruist achter mijn rug toen ik dit zei.) Misschien wilden ze hun ijsje ervoor opgeven? Nee, dat wilden ze niet. Nou dan. Kiezen of delen.

“Weet je wat,” fluisterde ik ze samenzweerderig in hun oren, “dan ga je op een studiedag nog een keertje terug. En dan ga je met je eigen mamma in het schip!” Gratis tip van moeder E.!

Dat vonden ze een goed idee. In mijn nopjes liep ik met mijn daredevils terug naar de bussen.

Het zonnetje (nee maar!) zwaaide ons uit. Dag Efteling!

De officiële zakjesupdate


Op de kop af drie weken!

Zo lang zit ik inmiddels aan de zakjes. In het begin vond ik het erg zwaar. Ik had niet echt honger maar ik voelde me ontzettend leeg. Ik had voortdurend het gevoel dat ik ‘over mijn honger heen’ was. Ken je dat? Geen trek (meer) maar een maag die aanvoelt als een leeggelopen rugbybal. Niet fijn!

Na een dag of vijf verdween dat holle gevoel. Het was nog even zoeken naar het juiste ritme (hoe verdeel je vijf zakjes over één dag?) en ik moest nog even oefenen met het bereiden van groenten in combinatie met de zakjes (niet alle groenten zijn toegestaan) maar na ongeveer twee weken zat ik er echt goed in.

Inmiddels ben ik drie weken verder. Ik ben zes kilo lichter en ik ben best fit. Overdag dan. ’s Avonds hang ik op de bank als een ingestorte wigwam. Ik kom niet om in de energie, maar dat kan natuurlijk ook komen van het (niet-)slaapgedoe hier thuis. Zoiets is niet helemaal te scheiden. Paul vindt me dapper en hij wordt niet boos als ik af en toe mopper over het feit dat de omeletten mijn neus uit komen.

Vlees mis ik in elk geval niet, ik was toch al niet zo’n vleeseter. Ook met de alcohol valt het reuze mee (ik vind het wel ongezellig soms om te weigeren maar cola zero is ook best oké heb ik ontdekt) en wat snoep en koek betreft: no problem. Het enige dat ik écht mis, is fruit. Telkens als ik zo’n lekkere sappige sinaasappel voor de meiden maak, een mango pel of een appel castreer, dan loopt het water me in de mond.

En het gaat nog even duren voor ik het weer ‘mag’. Nog één week alleen maar zakjes en dan ga ik over naar ‘fase 2’. Dat betekent: vier zakjes per dag en één maaltijd met 120 gram mager vlees of vis. Zal dat even een feest zijn?! Fase 2 duurt drie weken.

Na fase 2 komt er ontbijt en fruit bij. We zitten dan nog op twee zakjes per dag (‘zak er lekker in’ zal ik dan misschien wel denken) en uiteindelijk, na totaal 13 weken ‘eindigt’ het plan en eet je weer normaal. Dat is vast ook fijn voor mijn omgeving want ik merk dat niet iedereen begrip voor de zakjes heeft. Vind ik soms wel vervelend. Maar ja, elk dieet heeft bijwerkingen, denk ik dan maar.

Samenvattend:

– Nog één week alleen maar zakjes.
– Na drie weken -6 kilo (wat mij betreft: op de helft)
– Nog vier weken heel streng
– Nog acht weken totaal
– Zal ik alvast mijn lievelingsrokje laten innemen?

Over één maand mag ik weer een sinaasappel. Ik verheug me er nu al op!

Heb jij al eens serieus een dieet gevolgd? En hoe vond je dat? Ben je ervan afgevallen en ben je op gewicht gebleven?

Vrijdag, doktersdag


In alle vroegte toog ik naar de huisarts. Met twee Kletsen in mijn kielzog.

Ik was het zat. Liz klaagde al een tijdje over de biceps in haar rechterarm (u weet wel, die van dat ongelukje) en inderdaad, er zat daar een rare harde plek waar normaal zacht spierweefsel hoort te zitten.
En wat Annabel betreft – het slapen gaat iets beter – die hing me te vaak met haar hoofd boven de pot de laatste tijd. Bovendien zag ze bleek, at slecht en was ze doorlopend moe en ongeconcentreerd. Misschien allemaal losse symptomen maar ik maakte me onderhand best ongerust over haar. Kortom, tijd voor een duo-bezoekje aan de dokter.

Huisarts was alleraardigst, onderzocht de meiden zorgvuldig en stuurde ons weg met een paar prachtige formulieren. Voor Liz konden we een echo inplannen en voor Bel stond een uitgebreid bloed- en ontlasting onderzoek op de kaart. Goed nieuws voor de bezorgde moeder. (Ik voel me altijd zo’n MünchhausenMoeder als ik met van die vage klachten bij de dokter zit, hebben jullie dat nou ook?)

Liz vond het ook prima. Zo’n echo was wel spannend en nou hoefde ze zich niet meer zo’n zorgen te maken over de ‘harde schijf’ in haar arm.

Annabel was minder te spreken over de diagnose en het hieraan gekoppelde vervolgtraject.

“Mijn poep inleveren? Iew. Dat wil ik niet. Lever jíj je poep maar in, mama.”
Ik heb geen klachten, Annabel.”
“Ik ook niet.”
“O, nou heb je opeens geen klachten meer?”
“Nee. Jíj hebt klachten. Jij hebt klachten over míj.’

Afijn. Ik heb alvast een abonnement op de wachtkamer bij het ziekenhuis genomen. U hoort nog van ons.