Een ongeluk zit in een klein hoekje

auto

En zou het ongeluk daar nou blijven, in dat kleine hoekje, dan zou het nog niet zo erg zijn. Maar met een fles drank op én een auto bij de hand, zit het ongeluk vaak gewoon midden op straat. Of nog erger: op de stoep! Continue reading

Advertisements

Better safe than sorry


Zoals inmiddels bekend kan Paul wel eens een beetje doorslaan.

Zo had hij binnen no-time twee glaszetters geregeld (voor het plaatsten van een compleet nieuwe voorpui) toen Lizzy in mei met haar arm door het raam ging. De kinderen werd verboden om nog bij de tuindeuren in de buurt te komen (‘houd minstens vier meter afstand’) en het viel me eigenlijk nog mee dat het glas er überhaupt nog inzat de volgende dag.

Niet dat ik het een slecht idee vond, dat het glas werd vervangen, helemaal niet, maar Paul hè, die moet je altijd even in de gaten houden. (Voor je het weet heeft hij de boel dichtgemetseld en betegeld met marmer.) Ik was dan ook blij dat ik erbij was toen er uiteindelijk een aannemer kwam.
“Dus u wilt nieuwe tuindeuren met veiligheidsglas,” noteerde de aannemer. “En u wilt ook veiligheidsglas in de voordeur?”
Paul knikte.
“De voordeur?” vroeg ik verbaasd. “Hoezo dat?”
“Daar kunnen ze ook doorheen,” zei Paul.
Theoretisch had hij natuurlijk gelijk, maar het glas bij de voordeur zat vrij hoog, ik zag daar nog niet zo snel iemand doorheen gaan. Maar goed, waar hij gelukkig van werd. Veiligheidsglas in de voordeur. En de tussendeur naar de keuken, hoorde ik later. Ook goed. Kon ik tenminste weer gewoon weer met hardgekookte eieren smijten zonder het gevaar te lopen dat ik een ruit brak.

Gistermiddag ontvingen we de offerte. Vervangen van de tuindeuren, nieuwe ramen woonkamer, voordeur, tussendeur. En nieuwe ramen in de schuur. De schuur?!
Afijn. Ik naar Paul.
“Waarom staan er schuurramen op?”
“Kunnen ze ook doorheen.”
“Paul!”
“Nou, als ze er een handstand tegenaan doen, dan gaan ze er doorheen hoor.”
“Er staat een tuintafel voor.”
“Toch link.”

Goed, het moge duidelijk zijn. De schuurramen worden ook vervangen en straks is ons hele huis één veilige zone, qua glas dan. De uitdrukking ‘scherven brengen geluk’ is aan Paul niet langer besteed (alhoewel ik daarover ook zo mijn twijfels heb sinds de dag dat Liz door de tuindeuren ging, maar dat terzijde) en we kunnen heerlijk hockeyballen tegen de schuurramen slaan. “Niet kapot te krijgen!” zei de aannemer immers.

Goed natuurlijk hoor, daar niet van. Beter bezorgd dan nalatig en als het kalf door het raam is, vervangt met de pui. Zoiets.

Evengoed ben ik blij dat ik vorig jaar mijn ogen heb laten laseren. Anders had mijn bril straks óók nog veiligheidsglas gekregen.

Even zag ik het niet meer zitten…

Zo zeg, ik ben er weer!

Dat was een fijn weekendje weg, echt heerlijk! Superrelaxed, geen zak gedaan en toch heel veel. Gezwegen en gesprekken gevoerd op elk denkbaar niveau (puzzels maken met Paul en mijn schoonvader blijft leuk.
“Wat is ‘slap-lant?” “Slapland?”
“Ja. Slap lant. Met een ‘t’.”
“O, een sláplant!”)

Heerlijk hoe de kindjes alleen de hort op gingen. Door het bos, naar het speeltuintje en het springkussen. Nog niet naar het zwembad, dat mag nog niet. Maar met een beetje afwisselen en om de beurt gaan konden we voorkomen dat we allemaal ’t hele weekend in het water lagen.

We bezochten Het Kristalmuseum in Borculo waar de meisjes zelf stenen mochten ‘wassen’ en we gingen voor het eerst met de kinderen bowlen. Echt lang geleden, dat ik dat gedaan heb! Het was heel leuk, vooral toen ik twee keer achter elkaar een strike gooide. Ik heb nu wel spierpijn.

De laatste avond ging ik voor het eten nog even snel een uurtje met de meiden zwemmen. Dat had ik beter niet kunnen doen want na ’s ochtends zwemmen, ‘s middags bowlen (ik tikte ‘blowen’, ach, bijna geen verschil) en urenlang springen op het springkussen waren de dames eigenlijk niet meer de harden.
Tot overmaat van ramp schoot mijn lens dubbel en belandde onder mijn bovenste ooglid. Auw auw auw en kut.
Half blind kleedde ik de kinderen (en mezelf) aan en strompelde ik terug naar het huisje. Paul keek in mijn oog, we zetten de douche erop, niets hielp.

“Eerst ontspannen,” zei mijn schoonmoeder waarop ze me een flink glas prosecco inschonk. Daarna gingen we samen een cryptogram maken. Ik met één oog.

De rest van de familie vond me zo zielig dat mijn glas even vaak werd bijgevuld als er ‘gaat het nog?’ werd gevraagd. En, eerlijk is eerlijk, het ging steeds beter. Ik had steeds minder last van die lens.
Vlak voor we uiteten gingen, de fles prosecco was bijna leeg, voelde ik hem er opeens uitglijden en kon ik hem (met enige moeite want mijn coördinatie was niet meer wat het eigenlijk al nooit was) uitpeuteren. Zo zeg, wat een bevrijding.

De pijn in mijn oog was snel verdwenen.
Ik bleef echter wel de hele avond dronken.


De eerste afbeelding (bovenin!): toch jammer dat Tuffy niet mee mocht! Links: bowlen, rechts: stenen wassen.
De laatste afbeelding: helemaal kapot in de auto naar huis.

Een weekje in foto’s

Pfeiffer. De thuistest.

Omdat ik steeds zo moe was (en na een keelontsteking nog steeds last van mijn klieren had) besloot ik een pfeiffer thuistest te doen.

Dat ging als volgt:

1.) Eerst las ik de gebruiksaanwijzing. Deze begreep ik niet helemaal (“Neem het lancet, draai aan het kleine gekleurde beschermkapje en trek het eraf.”) doch voldoende om de test aan te durven.

2.) Ik sloopte onmiddellijk het gevalletje met de naald erin (later bleek dit het ‘lancet’ te zijn, vandaar) dus prikte ik maar gewoon een gaatje in mijn vinger.

3.) Overal zat bloed, behalve in het daarvoor bestemde testrondje.

4.) Na flink in mijn vinger knijpen slaagde ik erin een druppel op de juiste plek te deponeren.

5.) Vervolgens kon ik het flesje met druppelvloeistof niet vinden. Deze bleek, heel logisch, nog in de testdoos te zitten.

6.) “Verrek dit lijkt wel een zwangerschapstest!” dacht ik.

7.) Stap 9 bleek een moeilijke: “Veeg het overtollige bloed op uw vinger weg met een tissue (of papieren zakdoekje) en plak de pleister op uw vinger.” Ik had alleen Wc-papier. Zou dat de test beïnvloedden?

8.) Vijf maximaal tien minuten wachten.

9.) Pomptipomtipom.

10.) Negatief. Geen EB virus in mijn bloed. Géén pheiffer. Gewoon maar weer op tijd naar bed dus.

Volgens mij

Is er iets mis met mijn linkerbuitenspiegel.

Als een geknakt rozenknopje hangt hij zielig omlaag. “Zo, dat is een flinke klap geweest,” denk ik meteen. Automatisch check ik mijn voorruit. Goddank. Een briefje. “Ik ben tegen uw auto aangereden, wilt u contact met me opnemen?” De zijkant zit trouwens ook flink in elkaar, zie ik nu.

Ik bel het nummer op het briefje. “Ik zag de auto helemaal niet,” zegt een vrouw. “Ik reed achteruit en hij zat precies in mijn dode hoek.” Ik bedank haar voor haar eerlijkheid. We spreken af ‘s middags het schadeformulier in te vullen. Om drie uur. Bij mij thuis.

Het is drie uur. Ik wacht. Als Annabel wakker wordt, vraagt Lizzy of we naar het park gaan. “Dat kan niet,” zegt ik. “Mamma heeft een afspraak.” Het is kwart over drie. Ik bel even voor de zekerheid. Ik krijg een voicemail. Om half vier is er nog steeds niemand. Ik bel weer. Ik spreek de voicemail in. Om vijf uur word ik teruggebeld. “Sorry, ik ben de afspraak hélémaal vergeten.” Het is te laat om nog iets met de kinderen te gaan doen.

“Wees blij dat ze er tenminste een briefje bij heeft gedaan,” zegt een vriendin ’s avonds, als ik mijn beklag doe.

Blij? Ik ben helemaal niet blij. Ik ben geirriteerd.

Vakantie is leuker

“Mamma, wat is dit?”
“Dit noem je een crypte.”
“Maken ze die nooit schoon?”
“Niet zo vaak nee. Vind je het mooi?”
“Nee. Het is versleten.”

Goed. Van de cultuur moet je het, met een dreumes en een peuter, niet hebben. Maar sprookjes doen het altijd goed. Tover wat feetjes in les grottes, een prinses in het chateau en voilà, de dag kan niet meer stuk.

De nacht wel. Want zoals iedereen weet; als het donker komt, maken de elfjes plaats voor monsters. De trollen, gnomen, Lizzys en Annabelles. Gekrijs, gemopper, gezeur. De drie G’s. Hele vakanties worden er door om zeep geholpen. Annabel snurkt. Annabel smakt. Ik zie Annabel haar billen. MÁÁÁMMÁÁ-IS-ANNABEL-WAKKER? Nu wel ja.

Tijdens de tweede nacht kondigde Paul aan dat hij stante pede terug zou rijden naar Nederland. En dat was een keerpunt. Geen Opvoeding meer op de camping. Ga maar zo laat naar bed als je wilt, eet maar koekjes tot je barst. Als je ’s nachts je waffel maar houdt.

Vanaf dat moment werden ook de nachten aangenaam. Zelfs de nacht toen het noodweer kwam. Het tentje waaide weg, stoelen vlogen door de lucht en overal zag je lichtflitsen. Terwijl ik probeerde het wasrek te redden, brak de hemel en begon het te hagelen. Eén seconde later stond er een verkleumde Fransman voor mijn neus. Hij kwam ons weggewaaide tentje terugbrengen. De volgende ochtend was er geen stroom.

Maar ook zonder stroom hadden we de mooiste plek van de camping. ’s Avonds, als we backgammon speelden, keken we uit op de golfbaan. (Die later door Paul en vriend R. vakkundig om zeep werd geholpen. Echt, de beelden kunnen zó door naar de Funniest Homevideo’s.) Er gingen elke avond hamburgers op de barbecue en Annabel leerde haar eerste woordjes; ‘eten’ en ‘ijs’. Op een hyperactieve rookmelder na (die al afging als je een scheet liet), was het er perfect.

Lizzy vond een vriendinnetje. Een buurmeisje dat aanbood om schoenen te ruilen en daarmee de liefde van onze dochter won. Samen speelden ze uren in een ‘huis’ dat ze met stoepkrijt getekend hadden. Of ze gooiden met de ‘frisbier’. De ouders zaten ondertussen bij ons hamburgers te roosteren. (En het moet gezegd worden, die smaakten bijzonder goed.)

Het leukst van de vakantie vond ik de afwisseling. Het zwembad was heerlijk. (Annabel zag er zó gaaf uit met haar bruine toet, witte haar en blauwe ogen. Zij en Lizzy fladderden met hun bandjes door het water alsof ze erin geboren waren). We hebben dubbel gelegen om Lizzy. (“Niet te lang in de zon mam, dan ga je verrotten!”) En halverwege de vakantie werden we óók nog eens vergezeld door vrienden. (Dat was een verhaal op zich; bij wijze van welkom hadden we hun caravan versierd. Ballonnen, rare briefjes, alles erop en eraan. Hartstikke leuk natuurlijk. Alleen bleek dat ik het nummer niet goed had onthouden. Ze zaten in een andere caravan.)

De laatste avond kwam veel te snel. De auto zat volgeladen en we zouden nog snel even eten. “Doe mij maar pizza,” riep ik, en wees op een bord met de aanbiedingen van die dag. Prompt bestelde Paul “un pizza ‘ce soir’”. Tot voorbij Parijs hebben we erom gelachen. En om te voorkomen dat we weer een paar honderd kilometer ‘lief klein konijntje heeft een vliegje op zijn neus’ moesten gaan zingen, deden we dat maar zachtjes.

Om twee uur ’s nachts dronken we een glas witte ‘Loire’-wijn op onze thuiskomst. Bah. Poststapel. Lekker. Eigen bed. Bah. Thuis. Lekker. Thuis. Wasmachine, vaatwasmachine, elektriciteitsrekeningen. Eigen WC. Bah. Lekker.

“Thuis is leuk, vakantie is leuker. Maar daarna is thuis weer leuk!” vatte Lizzy het de volgende dag treffend samen.

Morgen de foto’s

Zo’n balletje kan raar rollen II

Het Nederlands elftal; de look-a-likes.

Wie gistermiddag toevallig op het Leidseplein was, heeft ze kunnen zien. In voetbaltenue. Een oranje shirt, hun ‘eigen’ naam en rugnummer achterop. De ballen die ze speelden vlogen alle kanten op (ze hadden ernstige spierpijn vanochtend), toch werden er handtekeningen gevraagd. “Je zag mensen twijfelen,” zei ‘mijn’ Cocu, “is dat nou de échte?” Nana van Nie nam interviews af. “Je lijkt wél,” had ze tegen Paul gezegd, “maar je hebt niet zo’n eh.. neus.” Maar ondanks de neus zat hij er toch bij. Beroemd voor één dag.

“Ik ga even met Van der Sar een biertje drinken,” sms-te Cocu aan het einde van de dag. Een beetje gaar van het filmen en voetballen (en het lopen op te kleine voetbalschoenen) waren ze wel. “Maar het was wel lachen,” zei hij later, toen hij weer thuis was, “je denkt constant ‘wat komt die gozer me bekend vóór’!”

“Waarom komt pappa op televisie,” vroeg Lizzy, nadat ze een gesprek tussen mij en de buurvrouw had opgevangen. “Dat is voor het voetbal,” antwoordde ik. “Pappa komt op televisie omdat hij lijkt op een voetballer. Want héél veel mensen vinden voetbal leuk” Lizzy pakte haar roze nepmobieltje en ‘belde’ oma. “Pappa komt op TV. Pappa lijkt op voetbal.” Pas als je de oranjehype aan een kind probeert uit te leggen, hoor je hoe debiel het eigenlijk allemaal klinkt.

Maar goed. Debiel of niet. Voorlopig staan ze ‘erop’. Vanavond is hun TV debuut. Ik ben rete-benieuwd. Volgens Paul lijken ze allemaal sprekend.
Op de neus na dan.