Werknemer van de week

Het verbaast me elke keer weer.

Dat mannen zo gemakkelijk zijn. Dat ze gewoon opstaan, krantje lezen, hier en daar wat ontbijt uitdelen (of: op spreeuwachtige wijze iets in de wijdst opengesperde bek kieperen), en vervolgens gewoon naar hun werk gaan. Totáál niet gehinderd door ongepoetste tanden, ongekamde haren of een onopgemaakt bed.

Neem nou vanochtend. Ik stond op en zag op de kalender dat Lizzy naar een feestje moest. O ja, dat Pietenfeestje. Afijn, ik liep meteen naar de kelder om het cadeautje te halen. Uiteraard al in huis; dit weekend gekocht. Check. Daarna ging ik naar boven om het pietenpak te halen. Check. Banaan mee naar school want ’s middags al koek en snoep. Check, check, triple check.

Later dacht ik er nog eens over na. Cadeautje kopen, spulletjes klaarleggen, bedenken wanneer en hoe dat allemaal mee naar school moest. Paul had ik er in zijn geheel niet over gehoord. Die was na een bak cornflakes fluitend naar zijn werk vertrokken. Achteraf krijg ik wél altijd complimenten (“jij regelt dat toch maar goed allemaal”) maar ja, dat maakt eigenlijk dat ik een beetje werknemer-van-de-week voel. Niet heel cool, zeg maar.

Dus, wat is dat toch met mannen? Ik bedoel, ik heb geen klagen, Paul doet (net als het grootste deel van de mannen waarschijnlijk) een heleboel. Maar vooruitdenken, plannen en organiseren? Ho maar! “Wat hebben we dit weekend ook alweer?” Het wordt rustig drie keer achter elkaar gevraagd. Als ik geen afspraken zou maken met de tandarts en het consultatiebureau zouden we er volgens mij nooit komen. Als ik geen cadeautjes koop, is er niets te geven. Als ik niet… dan…

Of is dit nou juist de denkfout die ’t gemak in de hand werkt?!

Over de kletsende kletsen

Annabel praat – voor een driejarige – heel goed.

Ze draait haar hand niet om voor moeilijke zinnen en laat zich niet van de wijs brengen door lange woorden. “We hebben Tuffy’s posters met mayonaises aan de bomen gehangen,” vertelt ze de buurvrouw. “Even op mijn bodyloge kijken hoe laat het is.” “Bij de apotheek haal je pillecijnen. O nee. Dat heet ‘melicijnen’.” En mijn persoonlijke favoriet (tijdens het piraatje spelen): “Aan de kant! Aan de kant! Het karton gaat schieten!”

En waar Annabel soms nog moeite heeft de juiste woorden te vinden, is Liz inmiddels zó ‘ontwikkeld’ dat ze alles begint af te korten. “Anna, ik ga nog even naar de wee en daarna aan taaf want we gaan zo eet.” Steevast gevolgd door: “Mag ik dan nog even naar buit?” Nog géén zes jaar en nu al een geheel eigen (turbo)taal. Dat wordt nog wat.

Afijn, ik blijf het een genot vinden. Het is heerlijk om te merken hoe de kletsen creatief kunnen zijn met woorden en zinnen. Hoe ze op dingen komen die ons volwassenen steevast een lach ontlokken en/of aan het denken zetten. Neem nou Bel met haar vraag van een tijdje geleden: “Hoe komen die liedjes in Tuffy zijn buik?” En Liz: “Mamma, ‘lui’ zijn dat altijd mensen die moe zijn?”

Het állermooiste vind ik op dit moment dat Lizzy de ‘uitdrukking’ heeft ontdekt. Waar Annabel nog vaak denkt dat ze alles letterlijk moet nemen (ik tegen Paul na een drukke dag: “Bel is helemaal kapot!” Bel (verontwaardigd): “Niet. Ik ben gewoon heel!”) is Lizzy aan het experimenten gelagen. Dat levert taalpareltjes op als: “Waar is pappa ‘m heengesmeerd?” en “Annabel, kleine dringeland!”

Ik vind het elke dag weer leuk om de kletsen nieuwe dingen te leren. En soms leer ik ook weer van hen. Zoals die keer dat ik de telefoon neerlegde en zei: “Ik zie je, hói!” Annabel vroeg me waarom ik ‘hoi’ zei en ik legde uit dat ik ging ‘ophangen’. Waarop Annabel zei: “Dan moet je geen ‘hoi’ zeggen, maar ‘doei’”.

Toegeven, ze hééft een punt! Dus daarom, speciaal voor mijn eigen kleine wijsneus, sluit ik vandaag op de enige juiste manier af. Ik ben weg. Ik ben naar het zwembad. Tot later.

Doei.

To hip or not to hip

Ik zit op de fiets.

Voor me rijden twee meisjes. Een jaar of veertien. Onderweg naar school. Het ene meisje draagt een zwarte legging en een soort koeienlaarzen. Om haar hals heeft ze een felgekeurde sjaal. Een lang grijs vest dient als jas.

Het andere meisje, strakke spijkerbroek & hippe gympen, heeft een trenchcoat aan. Een zwart-wit geblokte, strak aangesnoerd rond het middel. Een conversetas hangt nonchalant over haar schouders.

Hun haren wapperen. De één blond, de ander donker. Geen raar permanent, geen boblijn, gewoon een goed geknipt kapsel.
Twee speldjes (per persoon) houden wat losse lokken op hun plaats.

Het mag duidelijk zijn dat ik ze bestudeerd heb, die twee schoolmeisjes. Ik heb ze bestudeerd en me verwonderd. Wat zien ze er leuk uit! Helemaal hip, helemaal volgens de (school) mode van nu.

En toen ik daar zo fietste rees er een vraag. Was het vroeger óók zo? Ik herinner me het niet. Ik herinner me spijkerbroeken. Truien. Volgens mij was je ‘vroeger’ al ‘hip’ als je een rugzak van Coca Cola had, in plaats van een leren schooltas.

Of is mijn herinnering nou gewoon vertroebeld, heb ik nog niet genoeg koffie op? Zijn de tijden zo veranderd? Is het te lang geleden?

Wat denken jullie?

Ik twijfel dus ik ben

Mijn buurvrouw is zwanger.

Dertien weken is ze nu. Het wordt hun tweede. De buurman grapt dat Paul en ik ‘eroverheen’ moeten bieden met een derde. De lesbische buurtvrouwen (ook twee kinderen) knikken instemmend. “Welnee,” zeg ik. “Ik heb méér dan honderdduizend redenen om dat níet te doen.” “Maar je hebt er maar één nodig om het wél te doen,” zegt buurvrouw wijs.

Één van mijn beste vriendinnen is een paar dagen geleden bevallen van haar derde kind. En ook al wil ik het niet, ik ben jaloers. Zij heeft ‘een nieuwe’ zoals we daar met een paar meiden onderling grappen over maken. Een nieuwe. Zij wel. Ik niet. Mijn ‘nieuwe’ gaat volgend jaar al naar de basisschool. En de ‘nieuwe’ van daarvoor is al zo oud dat ze om een mobieltje vraagt.

Afijn. Het zal altijd zo blijven. Twijfel is net onkruid. Je krijgt het nooit helemaal weg. Mijn hart is vol liefde, maar dat alléén is niet genoeg. Soms moet je verstandig zijn en niet alleen vanuit je hart maar vanuit je héle lichaam denken. Nog even los van al die andere zaken zoals geld, huis, alle babyspullen weggedaan und so weiter.

Ik schrik op uit mijn gedachten doordat buurvrouw vertelt over twee vriendinnen, beide veertig, die zwanger zijn van hun derde. Hoor ik dat nou goed? Veertig? Zoals in: negenendertig plus één? “Ja,” bevestigt buurvrouw. “Toevallig zijn ze beiden net veertig geworden.” Kijk, dat geeft de burger moed.

Veertig. Oooooo. Kan ik nog vijf jaar doortwijfelen.

Een bijzonder bericht

Het liep tegen acht uur.

De telefoon van mijn werk stond doorgeschakeld naar mijn mobiel. Twee keer was ik op tijd, de derde keer miste ik de oproep. Ik hoorde het piepje van de voicemail.

Eerst kon ik er geen wijs uit worden. Wat een vreemd bericht. Gerommel. Een kindje. Tv op de achtergrond. Al snel kwam ik tot de conclusie dat iemand geen bericht had willen inspreken, maar vergeten was zijn telefoon uit te zetten.

Ik luisterde nog een keer. “Jézus!” hoorde ik iemand roepen. “Ophouden!” en iets met nasi. Een man en een vrouw. Tussendoor werd er gegrinnikt. Ik kreeg een vermoeden en luisterde de voicemail voor de derde keer af.

– Gerommel -. “Pfffrt” – gelach – “Jézus!” – gelach – “Pppfffffffftt” – gelach- “Ach, hou daar nou ásjeblíeft mee op zeg!” – gelach – “Dat komt door die nasi van jou, van gisteren!”

En toen wist ik het zeker. Iemand had gewoon mijn voicemail volgescheten!

Ik lurk!

Ik heb het helemaal ontdekt.

De vriendin van mijn ex staat op hyves. Met foto’s van haar kinderen. (Zichtbaar voor iedereen, zo zie ik het graag.) En ze heeft een blog. Geweldig om alle ins en outs van mijn ex’ privé te lezen.

En via via kwam ik op de hyvespagina van B., mijn hartsvriendin van vroeger. Tien jaar geleden kregen we ruzie. We zworen elkaar tot in de lengte van dagen te zullen negeren. Dat doen we nog steeds, maar ondertussen lees ik wel lekker al haar krabbels.

En onlangs kwam ik erachter dat een jeugdvriendje, een ex-huisgenoot (die ik altijd vreselijk vond), mijn gynaecoloog en één van mijn collega’s óók op hyves staan. Ik zou het niet in mijn hoofd halen ze een berichtje te sturen want dan verraad ik mezelf.

Ik vind het juist zo leuk dat ze niet weten dat ik stiekem meelees.

Mooi man, lurken.

Coca Cola light-break

Ik heb nieuwe vrienden.

Het zijn de mannen van de straat. Elke ochtend staan ze in hun oranje vesten te ploeteren. Ze scheppen, graven en drillen. Zo nu en dan wissen ze met een vermoeide blik het zweet van hun voorhoofd. Om beurten besturen ze één van de twee grote grijpmachines.

Ik heb een band met ze opgebouwd. Sinds ik vorige week met een grote bos bloemen naar Lizzy’s afzwemmen vertrok – en een van de helden opmerkte ‘dat ik dat niet had moeten doen’ – is het ijs tussen ons gebroken. “Jongens, daar komt onze vriendin aan!” roepen ze wanneer ik langs wandel.

Vanochtend was de riolering aan de beurt. Terwijl ik niets vermoedend stond te douchen werd er aangebeld. “Mamma, je moet onder de douche uit,” kwam Lizzy vertellen. “De meneren buiten hebben er last van.” Door de open deur hoorde ik geschreeuw. “Kappen met douchen,” riep er een. “Ik verzuip hier godverdomme bijna!” “Verderop zit er ergens een te schijten,” mopperde een ander.

Even later verliet ik de woning om de kinderen naar school te brengen. Voor de deur gaapte een enorm gat. Eén voor één tilde ik de kinderen er over heen. Toen ik zelf wilde springen rende één van de mannen op af. “Ik geef u wel een hand, we willen niet dat u valt.” Heel galant hielp hij me naar de overkant.

Later thuis heb ik ze koffie gegeven. Ruwe bolsters hebben blanke pitten. En die moet je koesteren.

De reactiemogelijkheid doet het weer.