En jij bent een …


Het gaat goed met de balletlessen van Annabel.

Elke week zwiert ze rond in haar roze pakje, roze rokje en op roze schoentjes. Ze kent inmiddels de posities, weet wat ‘plié’ en ‘barre’ en ‘ronde’ betekenen en danst al kleine stukjes op de muziek van het Zwanenmeer en de Notenkraker.

Gisteren was het kijkles. De kindjes begonnen met een warming up, daarna oefenden ze de posities. Ze dansten als waterdruppels en Pinocchio. Ongeveer halverwege de les legde de juf uit dat ze een improvisatiespel gingen doen. “Want het is belangrijk dat de kinderen in een dans kunnen laten zien hoe ze zich voelen. Dat noemen we ‘vrije expressie‘”
Er werd een muziekje opgezet en alle kinderen mochten dansen zoals ze wilden. Hun dans moest laten zien wie of wat ze op dat moment graag zouden zijn of spelen. Ik herkende een dansende pop (Coppélia?), een stervende zwaan en een springerig elfje. Bij sommige moest ik wat beter kijken, een vogel misschien, een lappenpop. Eén meisjes stond heel stil en maakte zichzelf langzaam groter, ze was vast een boom, of een ontluikende bloem.

Annabel liep heupwiegend tussen de ballerina’s door. Met één hand losjes op haar heup schreed ze verleidelijke rondjes waarbij ze haar publiek uitdagend aankeek. Ze glimlachte, knipperde met haar lange wimpers en leunde nonchalant tegen de barre (alleen de peuk ontbrak). Ze blies op haar nagels.

“Zo Annabel,” zei de juf toen de muziek stopte. “Jij ben vast een fotomodel.”
“Nee joh,” snoof Annabel. “Ik ben een coole gast.”

Advertisements

Van harte schat!


Om negen uur werd er op het raam getikt.

De buren. En de buren van de buren. “Van harte!” riepen ze. “Van harte Paul, met je 41e.” Smak-smak, slobber. “Dank je, dank je,” knikte Paul. Hij nam een scheurkalender in ontvangst, een bon van de Eurofleur en een fles rosé.

“Ik breng de kinderen even naar bed,” riep Paul, terwijl hij om de visite heen zigzagde.

Ik liep naar de keuken om een paar schoteltjes te pakken. Op het aanrecht stonden de restjes babi pangang gezellig te kwebbelen met een half afgekloven mokkataart. Ik vroeg of de gasten wijn wilden. Of misschien liever koffie? En passant zwaaide ik Pauls ouders uit. “Doei Paul!” riepen ze naar boven. “Doei!” riep Paul terug.

Ik had ’s middags slingers opgehangen. Paul vindt daar niet zoveel aan, maar ik vind het leuk. Het staat zo gezellig. Zo lekker jarig. Ik hou van jarig. Ik had lekkere taart gehaald en wijn koud gezet. Paul had de hele dag gewerkt, hij was net na de eerste taartronde thuisgekomen. Hij had een biertje gedronken en was met een vermoeide blik in zijn ogen op de bank gaan zitten. Volgens mij was hij blij dat hij even de kinderen op bed ‘mocht’ leggen.

Maar moe of niet, feest werd er gevierd. Het was een gezellige verjaardagsavond met deze en gene. Na de taart kwam de wijn en we hadden reuze plezier. Lachen, lol. Ik weet niet eens meer waarom. Verjaardagen in de buurt zijn altijd leuk, lekker makkelijk, geen bob nodig, babyfoons op een rijtje. Naar huis wanneer je wilt, geen gedoe.

Een geslaagde avond dus. Een fijne verjaardag.

Hoe Paul het vond?
Geen idee. Hij is niet meer naar beneden gekomen.

Op Expeditie

Annabelletje moet naar de dokter.

En nu ik dat eenmaal heb besloten, moet het ook nú. Ik grijp de hoorn.

“Met het antwoordapparaat van uw Afwezige Huisarts.” Shit. Zal je altijd zien. “U kunt contact opnemen met de dokterscentrale.”

De dokterscentrale geeft me het nummer van de Vervangende Huisarts. Voor de derde keer toets ik een nummer in. “U spreekt met het antwoordapparaat van de Vervangende maar ook Onbereikbare Huisarts. Wij zijn er morgen om 08.00 uur weer.” Zucht.

08.00 uur. “Met de Assistente van de Vervangende Huisarts.” “Ik wil graag een afspraak. Graag zo vroeg mogelijk, ik moet werken ziet u.” “Kwart voor elf.” “Oké.” (Zucht)

Om elf uur is de wachtkamer leeg. Mooi, nu zijn wij. Ik sta al met mijn jas in de hand als de dokter langs me heen stormt. “Hallo, ik ben de Gehaaste Huisarts, sorry, spoedbezoek. Half uurtje wachten.”

Om twaalf uur fiets ik eindelijk naar de Vervangende Apotheek. Ik rommel wat met het recept, geef mondeling mijn gegevens door en probeer ondertussen via telepathische weg Annabelletje te waarschuwen dat er wat zwaait als ze ook maar érgens dreigt aan te komen. Thuis lever ik mijn peuter af en fiets door naar mijn werk.

Om kwart voor één ben ik op kantoor.

“Hoe ging het bij de huisarts?” vraagt Paul ’s avonds. Ik zucht en leg mijn benen op tafel. “Weet je nog die expeditie naar Antarctica, laatst op TV?” Paul knikt en kijkt me vragend aan. “Die viel eigenlijk best mee. Qua gedoe.”