Zei ik toch

“Ik heb een gaatje.”

“Dat lijkt me sterk,” zegt de tandarts. “Twee maanden geleden had u nog niets. Iemand u bang gemaakt?” “De mondhygiëniste,” geef ik toe. “En het doet pijn als er iets kouds op komt.” “De mondhygiëniste,” zucht de tandarts. “Zei ik toch.”

De tandarts gebaart dat ik moet gaan liggen. “Even niets zeggen, ik ga zoeken.” Ik sper mijn mond open en laat hem zijn gang gaan. “Ik zie er geen gat in,” zegt de tandarts. Hij is altijd zo grappig, mijn tandarts. “Maar ik zie wel waar u pijn heeft.”

De tandarts pakt een blaasapparaat en blaast koude lucht op mijn kies. “Auw,” roep ik. “Dat doet zeer!” “Zei ik toch,” zegt de tandarts. “Er ligt een wortel bloot. Even aflakken.” Ik verwacht dat hij met een flesje nagellak aankomt, maar dat is niet het geval.

Hij smeert een soort pasta op mijn kies. “Zo,” zegt de tandarts. “Klaar.” Hij pakt het blaasapparaat en zet het op de kies. Ik zet me schrap maar er komt geen pijn. “He,” roep ik verheugd. “Ik voel niets!” “Nee,” zegt de tandarts. “Zei ik toch!”

“Adios,” roep ik naar de assistentie wanneer ik vijf minuten later mijn jas haal. “Ben je al klaar?” vraagt ze verbaasd. “Ja,” zeg ik. “Het was helemaal geen gaatje.” Op de achtergrond hoor ik de tandarts. “Zei ik toch.”

Prinsesje spelen

Kasteelovernachtingen.nl laat deze dagdromen uitkomen! Boek een kamer in een echt Frans kasteel en leef het leven van een echte prinses.

Je krijgt een warme ontvangst tussen verkoelende kasteelmuren. Op je mooie kamer geniet je, samen met je prins, van zinnenprikkelende wijn en wie weet welke fantasieën er allemaal werkelijkheid worden!

En als je de smaak te pakken hebt, kun je natuurlijk ook prinsesje spelen in een kasteel in een ander land. Er is volop keuze!

Geld!

Sluit compromissen, toon begrip en onderhandel. Jullie moeten bijvoorbeeld allebei evenveel te zeggen hebben over gemeenschappelijke uitgaven, ongeacht wie het meest verdient. Ieder baas over eigen geld is nog altijd de beste oplossing. (Voel je je zeker niet schuldig als je die nieuwe laarzen koopt!).

Lokale buien

Het zou vandaag zonnig worden.

Maar niets is minder waar. Niet alleen buiten doet het weer nogal herfstachtig aan, ook binnen heb ik last van lokale buien. Al dat ‘ge-afscheid’ deze week, ik kan daar niet goed tegen.

De laatste keer ouder-en-kind zwemmen. Met Lizzy begonnen toen ze een half jaar was, met Annabel doorgegaan tot haar vierde. En nu is het voorbij. ‘Grote zwemles’ is begonnen. Geen liedjes en kringetjes meer. Geen mamma die mee zwemt.

Lizzy is kleuter-af. We knutselden cadeautjes voor de juffen, ze kreeg haar plakboek mee naar huis. “Lizzy is helemaal klaar voor groep drie,” stond er in haar rapport. “Lizzy wel,” dacht ik toen ik het las. “Maar ben ik het ook?”

Vandaag is de beurt aan Annabel. Afscheid van de peuterspeelzaal. Na de zomer naar de kleuters. Ach, die lieve juffies, wat zal ik ze missen. Het was altijd zo gezellig daar, zo ongedwongen. Niet alleen Annabel kwam er graag, ook ík zat er regelmatig met een kop koffie.

En zo gaat het verder. Bijna vakantie. Vanmiddag om twaalf uur zeggen we ‘dag’. Dag tegen iedereen. Zwaaien we af. “It’s the end of an era” declameerde Paul gisteravond plechtig. Hij lachte, maar ik zat alweer te snuffen.

“Time goes, you say? Ah no! Alas, Time stays, we go.” *

* Een prachtig citaat van dichter en essayist Henry Austin Dobson

Operatie Kampuitbraak

“Nou,” zei mijn moeder vanochtend.

“Ik ben toch zó benieuwd hoe Lizzy geslapen heeft vannacht”. Ik schonk een kopje koffie voor haar in. “Dat kan ik je wel vertellen hoor,” zei ik droog. “Ze heeft uitstekend geslapen. Naast mij in bed.” Mijn moeder dacht dat ik een grapje maakte. Niets was minder waar.

Gisteravond om kwart voor elf belde de juf. Mijn stoere meid, die vorige week nog zonder één kik te geven bij de tandarts een afgebroken tand had laten wegsnijden, had last gekregen van ernstige heimween. “Ik moest steeds aan jullie denken,” zei ze, toen ze om half twaalf vannacht in ons grote bed lag. “En toen werd ik zó verdrietig.”

Verder was ze eigenlijk heel enthousiast. Ze had een geweldige dag gehad en heerlijk gespeeld. De huifkar was leuk, de spelletjes spannend en alle vriendinnetjes waren lief voor elkaar. Op het moment van de heimween na, was het gewoon een heerlijk kamp. Na een (kort) nachtje slapen bracht Paul haar vanochtend in alle vroegte weer terug naar de grote kampeerboerderij.

“Ze kon zo mee naar de ontbijtzaal,” aldus Paul. “Jij was zeker vroeg op,” had een vriendinnetje gezegd. “Ik zag je helemaal niet in de slaapzaal”. Om half negen vanochtend klom Annabel haar hoogslaper uit. Ze had oma gehoord in de gang. “Die Liz,” zei mijn moeder. “Wat een malle meid.” “Lizzy is er niet,” zei Annabel slaperig. “Lizzy is op kamp hoor!”

Afijn, tot zover Operatie Kampuitbraak .

Waar lijkt die gozer toch op?!

“Altijd lekker, zo’n hap snot.”

Genietend laat Paul de eerste oester zijn keelgat in glijden. Ik nip van mijn champagne. Vierendertig calorieën per oester, ik heb het opgezocht. Lijnen of niet, ik laat mijn favoriete evenement niet zonder oesters en champagne voorbij gaan.

“De drukte valt mee,” zegt vriendin C. terwijl ze een hap sushi neemt. Ik knik en kijk naar de mensen om me heen. Ik ben inmiddels aan mijn tweede bord oesters en mijn derde glas champagne bezig dus mijn blik is niet helemaal helder meer. En dat komt niet door de oesters.

“Er staat een gozer achter ons,” zeg ik tegen C. “Die lijkt op iemand uit een reclame.” C. kijkt me vragend aan. “Reclame?” Ik knik. “Iets over shampoo geloof ik. Zo’n gozer met lang haar.” Bij de kreet ‘gozer met lang haar’ beginnen Paul en de man van C. zich ermee te bemoeien. “Welke gozer heeft lang haar?”

“Volgens mij speelt hij ook piano,” herinner ik me. “O,” zegt Paul. “Je bedoelt Jan Vayne. ” Verrast door de oplossing roep ik enthousiast: “Ja, die bedoel ik, Jan Vayne! Dáár lijkt hij op.” Door het tumult kijkt het groepje achter ons om. “Nou?” Fluister ik. Lijkt hij er op of niet?” C. zucht. “Es. Dat ís Jan Vayne.”

Lila trui

Over goede voornemens gesproken.

Ik had er een voor Paul bedacht. Niet meer zo zeuren over hippe kleding. Gewoon leuk meedoen met trendy zijn. Met zijn donkere haren en felblauwe ogen staan pasteltinten hem gewoon ontzettend goed. Hij moest maar eens van dat saaie blauw af.

Dus toen ik gister tegen een prachtige lila trui aanliep, móest ik hem gewoon meenemen. Ik bedoel, hij was in de aanbieding, het was een mooi model, zuiver wol, hartstikke mooi. Inpakken en wegwezen. “Wat denk jij?” vroeg ik aan Lizzy. “Zou pappa ‘m aantrekken?”

Paul keek bedenkelijk. Maar nadat hij was bewerkt door drie vrouwen haalde hij bakzijl. Hij hield hem zelfs gisteravond aan, toen we naar de nieuwjaarsreceptie op zijn werk gingen. Dat vond ik heel wat, want mijn man werkt met allemaal mánnen-mannen, type ruwe bolster en niet lullen. Dus kledingtechnisch boekten we vooruitgang.

En het viel niet tegen, die receptie. De lila trui oogstte veel bewondering, vooral bij de vrouwen. “Staat hem goed.” “Hippe kleur” “Modieus hoor!” In het begon stond hij nog een beetje te schutteren, maar ik zag het vertrouwen in de trui groeien. “Zie je wel,” dacht ik opgetogen. “Binnen no-time heb ik hem in een roze overhemd.”

Maar dat was iets te overmoedig. Twee rondjes later werd Paul namelijk staande gehouden door zijn baas. “Hé,” zei de baas, terwijl hij Paul op zijn lila schouder sloeg. “Waar is dat driehoekje op je hoofd?” Paul keek hem niet begrijpend aan. Een paar collega’s begonnen te lachen. “Driehoekje?” vroeg Paul.

“Laat maar,” grinnikte zijn baas. “Mooie nieuwe trui, Tinky Winky.”

Pseudologia Fantastica?

We hebben een stalker.

Nou ja, stalkertjé. Een jochie van acht jaar, ouder zal hij niet zijn. Híj was het die Tuffy afgelopen dinsdag in het bos zag. Hij belde aan bij iemand uit de buurt en sleepte diegene mee het bos in. Tuffy werd nogmaals gezien en vervolgens werd ik gebeld. Aldus het verhaal van dinsdag.

Wat volgde was radiostilte. Al met al ben ik zo’n tien keer in het bos geweest. Heb ik bij elkaar een uur of zes door de regen en de stilte gelopen. (Met een fikse verkoudheid als gevolg.) Zonder resultaat. Niets gehoord en niets gezien. Helaas.

Maar ineens was hij er weer. Het jongetje. Bij ons aan de deur dit keer. Hij had Tuffy wéér gezien. “Hij lééft!” riep Lizzy opgetogen. Maar het verhaal klopte niet. “Hij kon niet meer vliegen,” zei het jongetje. Maar daarna vertelde hij dat Tuffy van boom naar boom vloog. Hij had gezien dat Tuffy op het dak zat. Nee, bij de keet. Hij vloog. Nee, hij vloog niet.

“Wanneer heb je hem precies gezien?” vroeg ik. “Alleen dinsdag,” zei de speurneus. Maar eerder had hij verteld dat hij hem gisteren nog had gezien. Later kwam hij met het verhaal dat hij vanóchtend nog in de boom had zitten fluiten. Ik moest naar de fysiotherapeut en zei dat we die middag zouden gaan kijken. Maar het kereltje blééf maar nieuwe verhalen verzinnen.

Toen hij eindelijk verdween kon ik weg. Maar al snel was hij er wéér. Aan de oppas vertelde hij dat hij Tuffy zojuist had gezien en hij drong erop aan dat ze mij zou bellen. Toen de oppas hem weigerde binnen te laten, begon hij heel hard op de deur te slaan en “doe open” te schreeuwen. Ook ging hij dingen uit onze tuin slepen. En hij rukte Tuffy’s posters van de bomen.

Vervolgens belde hij bij mijn buurvrouw aan. Zijn verhaal was intussen zó warrig dat mijn buurvrouw het direct doorzag. Het jongetje zag Tuffy nu overal en vertelde daarbij over zijn moeder, die dood was, en zijn eigen oppas die heel eng was. Weer later stond hij met een stok op de prullenbak voor ons huis slaan. “TUFFY IS VERMIST, TUFFY IS VERMIST” gilde hij.

Toen ik thuiskwam trof ik een twee overstuur geraakte kinderen (en een ietwat geschokte oppas) aan. Van het jongetje was inmiddels niets meer te bekennen. “Leeft hij nou wel of niet, mamma?” zei Lizzy verdrietig. “Ik vind het eng!” huilde Annabel. Arme kinderen. En arme Tuffy.

Dat het nou zó moet eindigen.