Viswijf


“Mam, als jij lacht heb je kieuwen.”

We zitten met z’n vieren op de bank en we kijken de herhaling van The Voice of Holland. Zojuist gebeurde er iets grappigs en kennelijk heeft Liz dat moment aangegrepen om een studie te maken van de zijkant van mijn (lachende) gezicht.
“Kíeuwen?”
“Ja, als je lacht, dan krijg je drie van die boogjes in je wang en dat lijken net kieuwen.”
“Nou ja!”

Van de zenuwen schiet ik prompt weer in de lach waarop ook Annabel zich met de discussie begint te bemoeien.
“Inderdaad, jij lijkt wel een haai, haaien hebben ook van die strepen op hun wangen.”
“Dat zijn rimpels,” grom ik.
“Nee het zijn kieuwen.”
“Goed, het zijn kieuwen. Mama gaat in elk geval nooit meer lachen.”
“We bedoelen het lief hoor,” zegt Annabel.

De rest van de avond doe ik mijn best om vooral niet meer te lachen.

Met de kieuwen in mijn achterhoofd (zal dat er gek uitzien!) besluit ik de volgende dag dat het tijd is voor een nieuwe gezichtscrème. Als ik Annabel naar balletles gebracht heb loop ik samen met Liz naar Douglas.
“Wat gaan we doen?”
“Gezichtscrème kopen.”
Ik vraag de verkoopster naar een goede verzorgende gezichtscrème – graag maximaal antirimpel en doe er ook maar meteen een oogcrème bij –, trek Liz bij het schap valse wimpers en heksennagels vandaan, en probeer niet te schrikken van het bedrag dat op de kassa verschijnt.
“Waar is die crème voor,” vraagt Liz, als ik mijn pinpas pak.
“Die crème is niet voor, die crème is tegen. Tegen rimpels.”
“Nee!” roept Liz, net iets te hard. “Ik wil niet dat je kieuwen weggaan.”
En bedankt, nu weet heel 033 dat ik kieuwen heb.

“Ik overweeg een botoxbehandeling.”
“Joh,” zegt Paul, terwijl hij met een half oog naar V.I. kijkt. “Wat maak je je druk, het zijn gewoon lachrimpels.”
“Die op kieuwen lijken,” zeg ik ongelukkig. “Eigenlijk zeggen mijn kinderen gewoon dat hun moeder een viswijf is.”
Paul zegt even niets, zapt naar Discovery waar – o ironie – toevallig een haai in beeld is en bekijkt me nog eens goed. Vervolgens geeft hij me een kus op een van mijn kieuwen.
“Je bent geen viswijf,” lacht hij. “Je bent hooguit een haaibaai.”

En terwijl hij lacht zie ik ze. Drie boogvormige strepen op zijn wangen.
Hij heeft ze ook.
Ha(ai)!

Tutti Frutti XIX


Ik geef toe, ik heb het niet supergoed bijgehouden de laatste tijd. Dus staat jouw Tutti er niet tussen, vermeld hem dan vooral hieronder bij de reacties.

Afijn, de (ietwat magere) ‘oogst’ van de afgelopen weken:

“Het duurde even voor ’t balletje viel.”
“Ach, zoiets is toch koekje eitje?!”
“Die gozer is echt een losgeslagen projectiel!”
“Ze liggen daar voor het inkoppen.”
“Zo uit de blote hand.”
“We moeten hier wat dieper bij stilstaan.”
“Je kijkt alsof je vuur ziet branden!”
“Dat slaat kant nog wal.”
“Zo snel heb ik het nog nooit onder de duim gehad.”
“Voor je ’t weet heb je allemaal mensen voor de stoep.”
“Ik zag er geen steek voor ogen.”
“Laat haar maar in haar eigen soep gaarkoken.”

En de uitsmijter van de dag:

“De hulpverleners zijn de plank behoorlijk misgelopen!”

Afscheid van een vriend

Paul is gestopt met roken.

Afgelopen vrijdag volgde hij, via zijn werk, een cursus gebaseerd op het boek van Allen Carr. Die cursus sloeg niet bij iedereen aan: meer dan de helft rookte na een dag weer. Stoppen werkt alleen als je het echt wil. En Paul wil het echt. “Roken is echt belachelijk,” zei hij toen hij vrijdag thuiskwam. “Moet je eens een roker observeren!” Goed. Dan heeft zo’n cursus dus effect gehad.

Vrijdagavond was hij opstap met vriend A. En hij rookte niet. ’t Weekend was hij naar New Castle (naar een voetbalwedstrijd) en hij rookte niet. Hij zat twee uur op de hockeyclub en hij rookte niet. Hij is niet chagrijnig. Eigenlijk is hij zelfs vrolijker, lijkt het wel. Het enige dat echt opvalt, is dat hij nogal neurotisch aan het opruimen is. Zet ik mijn fiets in de tuin omdat ik nog weg moet, is hij het volgende moment alweer in de schuur gezet. (Tja, hij moet kennelijk toch wát doen in de tuin, denk ik dan maar.) Wil ik mijn theekopje pakken, staat het alweer in de vaarwasser. Maar goed, als dat ’t ergste is.

Gisteravond nam hij, tijdens een van zijn opruimaanvallen, de asbak onder handen. Sopje in de gootsteen, oude afwasborstel erbij en poetsen maar.

“Hé, trouwe vriend!”
“Heb je ’t tegen mij?”
“Nee tegen de asbak.”
“Sorry?!”

Liefdevol sopte hij de asbak, hij poetste, wreef en polijstte, terwijl hij zoetgevooisde woordjes fluisterde. Gabber. Mooie tijd gehad, jij en ik, trouwe maat, dat werk.
“Zeg,” zei ik beledigd. “Zo lief praat je tegen mij nooit.”
“Ik ben toch niet met jou gestopt? Bovendien, de asbak ken ik al veel langer. Die was nog van mijn opa. Die is familie.”
“Ik ben ook familie.”
“Met asbak en ik hebben een héél bijzondere relatie.”

Afijn. Het zal er allemaal wel bijhoren. Ritueel afscheid van een ex. Een soort crematie van zijn slechte gewoonten. Een overstap naar een gezonder bestaan, verbranden van schepen en begraven van een oude vriend.

De asbak staat nu te glimmen in de vensterbank. Als een trofee, staat hij daar. Niet langer een gebruiksvoorwerp maar voor de sier.

En ik hoop dat hij daar nog lang daar blijft staan. Voor de sier.

Splaakvelwalling

“Mamma, wat betekent Joejiedan?

“Wat?”
“Joejiedan. Wat betekent dat?

Ik zet de wasmand op het bed en loop naar de trap. Halverwege tref ik Annabel. Haar vragende blik is omhoog gericht.
“Joejiedan? Zegt me helemaal niets.”
“Dat zegt de computer.”

Ik denk even na. Annabel is een meester in het verhaspelen van woorden, vooral de Engelse. Het heeft heel lang geduurd voor we hadden uitgevogeld dat ‘sjoeferhouwer’ ‘superpower’ betekende, en ‘tinkelona’ ‘I think we’re alone now’. Maar we kwamen er altijd uit. Van ‘Joejiedan’ kan ik echter, zo tussen de bonte en gekleurde was door, geen chocola maken.

“Echt geen idee, schat, wat Joejiedan betekent. Speel maar even lekker verder.”

Vijf minuten later.
“Wat betekent Lieja?”
“Lia? Dat is een meisjesnaam.”
“Nee. Lieja, dat zegt de computer steeds. Lieja, Lieja.

Ik zet de wasmand weer op het bed en loop weer naar de trap.
“Annabel,” zeg ik ietwat geïrriteerd, “ik ben bezig en ik versta er echt helemaal niets van want jij steeds zegt. Ben je met die rare speelgoedlaptop van Lizzy aan het spelen? Die heeft mamma nooit begrepen.”
“Hij zegt LIE-JA!
“Zegt me echt helemaal niets. Je zal het wel verkeerd verstaan.”

Een paar minuten later ligt alle wasgoed weer netjes in de kast. Ik loop naar beneden om thee te zetten.
“Nu zegt hij nasjiesjei.”
“Klinkt alsof er iemand niest.”
“Jij weet ook niets.”

Met twee koppen thee loop ik even later de woonkamer in. Annabel zit nog steeds achter de laptop.
“Liejai, liejai,” klinkt het.
Ik hoor het ook.
“Zie je wel,” zegt Annabel. “Dat hij Lieja zegt.”
En dan ben ik het zat. Als ik die computer al niet begrijp, hoe moet die Klets het dan snappen?!
Ik trek het speelgoed naar me toe en druk op ‘menu’.
Choose your language, staat er. Gevolgd door: Chinese.

Eindelijk elf september!

Oké, elf september is een rare dag.

En dat zeg ik natuurlijk niet omdat mijn schoonzus vandaag jarig is. Nee, elf september is een beetje een rare dag in verband met tóen. Dat ene, met die vliegtuigen. En die gebouwen en zo.

Maar elf september is ook een praktische dag; iedereen is terug van vakantie, het is nog niet echt winter en vooral: elf september ligt precies tussen Pauls en mijn verjaardag in. En aangezien Paul veertig wordt, leek het ons wel ons een leuk idee om op elf september een feest te geven. Ook al is het dan een rare dag.

Gisteren kwamen ze de tent al opzetten; een enorm rood/wit gestreept geval dat een groot deel van de tuin overdekt. De Kletsen heb ik de rest van de dag niet gezien; die hebben de hele middag bedoeïentje gespeeld. Vanmiddag komt het barretje. Eind van de middag de hapjes. De lichtjes heeft Paul gisteravond opgehangen; man wat zag dat er gezellig uit! En volgens mij hebben we nog flinke mazzel met het weer ook!

Het is nu nog een kwestie van kleine voorbereidingen. Paul moet nog even wijn halen, ik een paar asbakken. Paul moet de tuinset verplaatsen, ik het huis opruimen. Dat soort dingen. De Kletsen kunnen niet wachten. Ze mogen net zolang opblijven als ze willen en gaan daarna met oma mee.

“Vanavond is éindelijk ons feest hè?” zei Annabel toen ze wakker werd.
“Ja,” zei ik. “Vanavond is eindelijk ons feest.”

Slimme bank!

Waarschuwingen zijn ín!

Voor elke drop regen is er een weeralarm, producten worden bedolven onder debiele quotes (op de zakjes van Cup-a-soup: “Vergeet niet te blazen!”) en soms worden er zelf regelrechte bevelen uitgedeeld. (“Kies bewust!” “Eet verantwoord!”)

Ik word er onderhand een beetje moe van. Het zal disclaimertechnisch allemaal wel nodig zijn, maar laten we eerlijk blijven; de groep mensen die deze waarschuwiningen ter harte zou moeten nemen kan waarschijnlijk nauwelijks lezen. Laat staan dat deze consumenten zich er iets van aantrekken.

Het deel dat ze wél leest raakt vooral geïrriteerd. Waar sommige waarschuwingen nog wel grappig zijn (“Deze wasmachine is niet geschikt om personen te wassen”) krijg ik van het merendeel een vrij agressief soort kippenvel. Sterk nog; wanneer me weer eens verteld wordt wat ik wel en niet moet doen, word ik daar erg tegendraads van.

Bij ABN-AMRO hebben ze die reactie waarschijnlijk voorzien. “Daar kunnen we ons voordeel mee doen!” moeten ze gedacht hebben. Toen ik vanochtend gingen pinnen werd ik door het apparaat begroet met de mededeling: “Pin bewust, neem niet teveel geld op!” Zonder er verder over na te denken pinde (is dat een woord?) ik, recalcitrant als altijd, vijftig euro extra.

Wat een briljante marketingstrategie van zo’n bank!

Toegemaild door Betty; dit is wat ze zag toen ze de software voor de nieuwe webcam wilde installeren. De begeleidende vraag: “En als je nou geen koffie lust?!”