Zo, dat weten we dan ook weer

Ik staarde naar het plastic polsgewricht.

“Je moet het zo zien,” zei de reumatoloog. “Als je dan tóch voor iets bij mij onder behandeling bent, dan is deze aandoening de beste optie.” Ik keek naar mijn gezwollen vingers. “Het voelt niet als de beste optie,” zei ik.

De aanval begon zondag. Opeens kon ik mijn hand niet goed meer bewegen. In de loop van de maandag kwam daar een knie bij. En een schouder. Binnen vierentwintig uur was mijn hele houding weer rollaterwaardig. Ik belde het ziekenhuis.

Palindroom reuma. Naar het Grieks palindromos (‘teruglopend/ terugkerend’). Een vorm van ontstekingsreuma die aanvalsgewijs ontstekingen veroorzaakt. De reumatoloog kon het goed voelen. “Goed te behandelen,” zei ze. “Met pijnstillers. En gelukkig zijn de aanvallen altijd van korte duur.”

“Ik lijkt wel een oma met reuma,” riep ik altijd al, als ik weer eens uitvalsverschijnselen vertoonde. Als mijn knie weer eens was overleden, of mijn worstvingers niet meewerkten. “Ik lijkt wel een oma met reuma.”

Blijkt dat toch zomaar voor de helft waar?!

Gelijke monniken

Lizzy gaat steeds meer op mij lijken.

Dezelfde donkere oogopslag, de lichte huid en natuurlijk haar blonde haren. Ze heeft de bolle wangen van haar moeder (‘babyvet’ roep ik al jaren) en zelfs in haar gezichtsuitdrukking herken ik mezelf. Afgezien van haar krullen en lange wimpers is ze met recht een kleine Esther.

Ook in doen en laten lijken we op elkaar. We praten vaak en veel (‘een gezonde belangstelling voor taal’ noem ik dat) en we houden van verhalen. Waar ik speech voor financiele vakgenoten (het ging uitstekend gisteren) houdt Lizzy hele referaten voor haar knuffels.

We zijn gezelschapsdieren. We houden van visite en van feestjes. We willen graag voor mensen zorgen. Het moet leuk zijn. En vooral moet het gaan zoals wij het in ons hoofd hebben. Gebeurt dat niet, dan raken we uit balans. Ik zie hoe Lizzy zich in de klas ontfermt over de jongste kleuters. Ze doet alles voor ze. Mits ze meewerken.

Maar binnen die categorie gezelschapsdieren zijn wij wél het soort dat af en toe even alléén moet spelen. Met een kleurboek, een spelletje of een cryptogram. Is die ruimte er niet, dan rennen we alles en iedereen voorbij. Vooral onszelf.

Gisterochtend vierde Lizzy haar verjaardag op school. De kroon op de feestmaand. Helemaal in de gloria toog ze naar school. In haar flamencojurk en op haar hakkenschoenen. Ze genoot van de feestelijkheden en droeg haar traktaties waardig de klas rond.

Gistermiddag lag ze thuis ziek op de bank. 39,5 koorts en gesloopt door alle drukte. Toe aan rust, reinheid en regelmaat.

Zoals ik al zei. Ze gaat steeds meer op haar moeder lijken.

Artis

Ik heb gister toch zo’n bizar verhaal gehoord!

Het gaat over G. Een vriend van mijn lieve vriendin F. Deze G. werkt als vrijwilliger. Met verstandelijk gehandicapten. Eens in de zoveel tijd gaat mee als er uitstapjes met patiënten op het programma staan.

Vorige week ging de reis naar Artis. Aan het einde van de gezellige dag constateerde de groep dat één van de patiënten wel heel erg vies, nat en bemodderd was. “Ik kan hem zo niet terugbrengen,” had één van de vaste begeleiders gezegd. “Ik laat hem bij mij thuis even douchen.”

Hij nam de patiënt mee naar zijn huis en zette de man onder de douche. Terwijl de begeleider wachtte, zag hij de rugzak van de patiënt in de gang staan. En de rugzak bewóóg. “Nee, dat kan niet,” dacht de begeleider, maar na een tijdje bewoog de rugzak wéér.

De begeleider besloot poolshoogte te nemen. Hij opende de rugzak van de patiënt.

Er zat een pinguïn in!

Marmer XV

Ik ben alleen thuis.

Paul is op stel en sprong vertrokken. Richting het nieuwe huis van mijn broer. Laatstgenoemde krijgt binnenkort een nieuwe keuken. En dus moet de oude keuken eruit. “Perfect!” riep Paul toen hij dit hoorde. “Die kan ik dan mooi inbouwen in de kelder!”

Afijn. Een keuken in de kelder. “Het moet niet gekker worden,” riep ik. “Wat moeten we dáár nou weer mee?” Maar dát kon hij prima uitleggen. Het ging niet om kéuken, het ging om de kástjes. Daar kon hij mooi alle materialen in opbergen. En het aanrecht diende als werkblad. “Het fannetje sluit ik op de afzuigkap aan,” jubelde hij.

Aldus zijn ze met z’n tweeën aan het slopen. Paul blij en broer blij (die is meteen van de troep af). Binnenkort hebben we een keuken in de kelder. Ben benieuwd wanneer hij aan een chemisch toilet gaat beginnen. Of aan een voorraadkast. Krijgen we zo’n zelfvoorzienend nucleair schuilhol.

Volgens mij verwacht hij een atoombom. Zou dat erachter zitten?

Teveel 24 gekeken?

Zomaar een gesprek II

Bij de nieuwe woning van mijn broer.

Mijn broer: “En daarachter is een heel leuk grasveldje.”
Paul: “O ja, ik zie het.”
Mijn broer: “Tja, het was natuurlijk de bedoeling dat ik daar zou gaan voetballen mijn zoontje.”
Paul: “In plaats daarvan loop je straks achter een roze poppenwagentje.”
Mijn broer (grinnikt): “Ach, ’t is pas de eerste voor ons hè.”
Paul: “Ja. Ik heb pech. Ik moet maar uitgaan van een leuke schoonzoon.”

Mijn vader: “Nou, dat valt in de praktijk flink tegen hoor.”

Het dochtertje van mijn broer

Het viel me laatst ineens op.

Dat het dochtertje van mijn broer zo rustig is. Ten opzichte van andere kinderen, bedoel ik. Je hoort haar niet, ze rent niet van hot naar her, ze speelt niet met de andere kinderen. Ze zit maar gewoon een beetje te zitten bij haar moeder (altijd bij haar moeder) en laat alles over zich heenkomen. Alsof ze niet echt actief deelneemt aan dat wat er gaande is.

Het was me al vaker opgevallen dat ze zo stil is. Dat je echt je best moet doen om contact met haar te krijgen. Volgens mijn schoonzusje hoort het bij de leeftijd, maar ík maak me stilletjes toch een beetje zorgen; op deze manier is het gewoon heel moeilijk om haar bij de spelletjes te betrekken. De andere kinderen bouwen geen band met haar op. Ze lijkt zich niet eens bewúst van haar omgeving.

Mijn broer lijkt zich geen zorgen te maken. En ook mijn schoonzusje vindt dat ik overdrijf. Maar ik wil gewoon het beste voor mijn nichtje. “Ben jij dan niet bezorgd om haar?” vroeg ik mijn moeder onlangs, toen we een keer gezellig samen aan de thee zaten.

“Ach,” zei ze, “het trekt wel bij. Laten we eerst de geboorte in september maar eens afwachten.”

Echte kunst

De meisjes zitten lief te tekenen.

“Mooi hoor, Annabel!”
“Is poep.”
“Poep? Heb je poep getekend?”
“Ja.”
“O. Nou. Mooie poep hoor!”

(…)

“Hoe vind je míjn tekening mam?”
“Prachtig Liz! Is het een paardje?”
“Nee. Een dode hond.”
“Zei je nou een dode hond“?
“Ja.”

Dus. Wat denken jullie, moet ik me zorgen gaan maken? 😉