30: Getsiederrie

“Eh, Max…” Het is zaterdagochtend en ik wil net mijn tanden zetten in een overheerlijk vers gebakken ham/kaascroissantje dat mijn lieve Mick net in alle vroegte voor me bij de bakker heeft gehaald. Hee, ik ben zwanger en ik heb honger en ik heb nu even weer de beschikking over een slaafje, eh, man.

Mick kijkt me vol afschuw aan.  Wacht eens even, hij kijkt niet naar mij. Hij kijkt naar mijn borsten. Ik kijk naar beneden en slaak een gil. Ter hoogte van mijn tepels tekenen zich twee grote natte plekken af op mijn slaap T-shirt.

“Getsiederrie, wat is dit nu weer.” 

Ik til ongegeneerd mijn T-shirt op en bestudeer mijn tepels. Die zijn bedekt met minuscule druppeltjes melkwit vocht. Melkwit vocht? What the f…?! “Mick, dit is melk. Er komt melk uit mijn tieten!”

Mick verbleekt. “ Is dat niet een beetje vroeg? Dat moet toch pas als het geboren is? Weet je zeker dat het melk is?” 

“Weet ik veel! Het is wit en het lijkt op melk. Het zal dus wel geen rode wijn zijn, hè.” Het komt er een beetje bits uit, maar hee, ik ben zwanger en ik lek en ik heb de beschikking over iemand om chagrijnig tegen te doen.

“Ik ga de verloskundige bellen. Dit is echt niet normaal!” 

Daadkrachtig beent Mick naar de slaapkamer (het telefoonnummer ligt op het nachtkastje) om vijf minuten later met een opgeluchte blik op zijn gezicht weer terug te komen.

“Loos alarm. Volkomen normaal. Bij de ene vrouw wat meer dan bij de andere. Soms helemaal niet. Soms heel veel. Het kan allemaal. Je moet van die dingen kopen, eh, wat zei ze nou? Een soort inlegkruisjes voor in je beha, bij de apotheek, maar ook gewoon bij de Hema of het Kruidvat of de Etos en soms zelfs in de supermarkt. Als het een grote supermarkt is tenminste.” 

Ik slaak een zucht van verlichting. “Goed, als jij dat dan even regelt, dan ga ik even een ander T-shirt aantrekken en dan stop ik zolang wel echte inlegkruisjes in mijn beha.” 

“Je bedoelt…”

“Ja, wil je mij soms met die lekkende borsten de straat opsturen?”

“Nee, maar ik ga toch niet…” 

“ En waarom niet? Schaam je je soms dat je een zwangere vriendin hebt, of zo.” 

“Nee, maar…” 

“ Nou, ga nou maar, want ik moet die dingen echt hebben. Nu.”

“Jeetje, Max, overdrijf je nu niet een beetje…”

Dan begin ik opeens met gierende uithalen te huilen.

Mick kijkt me verschrikt aan. “ Schat, ga zitten. Eet je croissantje. Ik ben zo terug met die dingen. Verdorie, hoe heten ze nou?” 

“Zoohoogcomprehessen,” zeg ik snikkend. “Staan op het kraamlijstje.” 

“Zoogcompressen!”  zegt hij voldaan glunderend alsof hij net het woord in 2 voor 12 heeft geraden.

“Ik ben zo terug, schat. Met een tas vol zoogcompressen!” 

Mijn held!

—Wordt vervolgd— 

Driedubbele zucht

Mijn hemel, wat kunnen die kinderen étteren zeg.

De laatste tijd is het écht elke ochtend raak. Klokslag zes uur wordt er één wakker en dat ruikt de ander. Voor je ’t weet zijn ze beiden alive and kicking. Letterlijk, want ze proberen elkaar om het hardst uit bed te schoppen. En aangezien ík er tussen in lig, kan je wel raden wie de meeste trappen ontvangt.

Vanmorgen was het helemáál gezellig. Annabel wilde mee douchen. En toen moest Lizzy óók natuurlijk. Echt, ze hadden nog geen téén natgemaakt of ze hadden al ruzie over elkanders ‘dikke billen’. En de ruzie was nog niet beslecht of ze begonnen te kiften over een rozeharige barbie. “Is van mij!” “Nee, mij!” “Mij!” “Mij!”

Ik had het er gisteravond nog met het boekenclubje over (met heb boek waren we zoals gewoonlijk in een kwartier klaar). Je kán het gewoon niet goed doen. Neem nou vanmorgen. Haal ik Annabel onder de douche vandaan, begint ze te krijsen. Ze wíl er nog niet uit. Heb ik háár eindelijk stil, begint Lizzy te gillen: “Je knuffelt altijd méér met Annabel!”

Zucht. Zucht. Driedubbele zucht. Overmorgen ga ik op vakantie met dat tuig. Naar een camping. In Frankrijk. Zonder oppas. Zonder TV.

Zou het te laat zijn om ze op te geven voor één of ander zomerkampje?

Onverwachts genoegen

Het was maandagochtend en het regende.

De jongen fietste tegen de heuvel op. Hij droeg een rood windjack. En stoere Doc Martens. Hij moest hard trappen want hij had wind tegen. Met één hand hield hij zijn eigen stuur vast. De andere hand omklemde het stuur van een tweede fiets. Een fiets met een lekke band.
De – vermoedelijke – eigenaresse van de lekke-band-fiets, zat achterop bij de jongen met het rode jack. Een paar blonde haren hadden zich aan haar paardenstaart ontworsteld. Ze plakten tegen haar gezicht. Tegen haar bijzonder aantrékkelijke gezicht. Haar arm had ze stevig om het middel van haar reddende ridder geslagen.

Het was maandagochtend en het regende.

Maar de jongen lachte breed.