Hoe overleef ik I

De zóveelste regenachtige vakantiedag.

Maak een grabbelton. Laat de kinderen – op hun éigen kamer – zoeken naar kleine rommeltjes. Geef ze een tas om te vullen en vergeet niet de spulletjes te checken alvorens je ze laat inpakken. (Op deze manier redde ik een Dior lippenstift en mijn autosleutels.)

Fabriceer een grabbelton (wasmiddeldoos doet het altijd goed, anders gewoon emmer) en geef de kinderen een krant (stukjes scheuren), cadeaupapier en een rol plakband. Mogen ze zelf de prullaria zelf inpakken. Met een beetje geluk zijn ze daar een flinke tijd zoet mee.

Stuur ze vervolgens met de grabbelton de buurt in. Vinden ze prachtig. (En jij raakt mooi van flink wat zooi af!) Je kunt er eventueel achteraan lopen met een blik van: “Ach, die kinderen hè?” Om ze vervolgens achter te laten bij een vriendje of vriendinnetje.

Kan jíj lekker thuis even lekker met een boek op de bank.

Let’s party!

Druk druk druk!

Geen tijd om te schrijven! En dat terwijl ik een Belangrijk Onderwerp heb. Gisteravond voor het eerst een ‘kledingparty’ meegemaakt. Nota bene in mijn eigen huis. En met mijn eigen vriendinnen. Hoe suf! Maar ook hóe leuk!

En nu wil er steeds over schrijven, alleen telkens heb ik geen tijd. Gisteravond was het te laat. De laatste partygangster ging pas rond half twaalf weg. (De kleding-afterparty duurde nogal lang en had als thema ‘wijn’). Vanochtend was ik druk (en moe). En nu ben ik alweer op mijn werk.

Ach, het mag ook wel een keertje wat minder uitgebreid. En eigenlijk is een lang verhaal ook niet nodig. Het gebeuren laat zich feitelijk in een paar woorden omschrijven; supergezellig …

… maar wát een kippenhok!

Frieland

Ik sta bij het duin.

Mijn gezicht is op het zand gericht. Op het wuivende helmgras. Achter me is de zee. Ik hoor geritsel. Het gekrijs van een meeuw. Een kinderstem. “Mamma, vang je me?!” Ben ik dat? Of is het Lizzy?

Ik twijfel. Is het werkelijk dertig jaar geleden dat ik hier stond? Drie jaar oud en met de wereld aan mijn voeten. Niet bang maar opgewonden. Een gele tuinbroek. Twee staartjes aan de top.

De ontmoeting met het eiland is als het weerzien met een oude vriend. Een stille, betrouwbare vriend. Eén die ik véél te lang niet heb gezien. Ik praat in gedachten. “Je bent niet veranderd,” zeg ik. “Je bent hooguit meer jezelf geworden.”

Ik kijk omhoog naar de top van het duin. Of kijk ik nou juist naar beneden? Het perspectief wisselt. Als in een film van Tarantino. Lizzy roept. “Mamma, vang me!” Haar stem komt van boven. Dan zal ik dus wel beneden staan.

“Leuk is het hier hè?” zucht ik. We zitten samen in het zand. “Nou,” knikt Lizzy. “Zo zie je nog eens wat van de wereld.” De wind brengt gegrinnik. Komt het van mij, of van mijn oude vriend? Lizzy haalt een paar schelpen uit haar zak. “Mooi hè?” zegt ze.

Het afscheid is onstuimig. Golven gooien met schuim, de wind slaat tegen de bootramen. Ik ben vergeten dat mijn oude vriend ook zo zijn buien heeft. Vanachter het raam zwaai ik naar de mensen op de kade. Naar mijn vriend. De vriend die altijd blijft

Ik kijk tot ik nog maar een heel klein streepje zie. Dan pas zeg ik dag.

Dag oude vriend. Dag Eiland in de Verte.