Een nieuw jaar….


Op één januari was ik strontverkouden, had ik last van mijn rug en moest kon ik weinig positiefs (over mezelf) bedenken. Dat heb ik soms. Het enige dat dan helpt is binnenblijven. En dat was ook het enige dat ik kón doen. Met al die regen.

Ik vond dat – al met al – het jaar niet fantastisch was begonnen. Ik miste de gezellige drukte van december, ik was moe van de verkoudheid en ik had al helemaal geen zin om weer te gaan werken.
Daarbij kwam dat er nog steeds weinig te melden was over mijn boek – werkelijk, een Russisch vijfjarenplan is er niets bij -, ging er een paar mooie laarzen aan mijn neus voorbij en dreigde er een flink financieël probleem vanwege een verkeerd uitgevoerde interne boeking van mijn hypotheekverstrekker.

Gelukkig lijkt het tij sinds gisteren te keren (en dan bedoel ik niet het tij in Groningen… al lijkt dat ook te keren, gelukkig). We hebben een vakantie geboekt in Zuid-Frankrijk (dit jaar wordt het wildwaterkanoën op de Verdon), mijn geld is teruggestort, de verkoudheid is op z’n retour en vanochtend heb ik eindelijk leuke laarzen gevonden. Oké, met betrekking tot mijn boek ben ik nog niet bepaald optimistisch maar er is leuk nieuws over mijn column in AssurantieMagazine en as we speak zit ik de vragen te beantwoorden voor een ‘echt Esther’ interview. Altijd leuk.

Kortom, ik lach weer en ik schrijf vrolijk verder. Wat 2012 allemaal gaat brengen, ik weet het niet maar het voelt alsof ik de eerste slag al heb gewonnen. Het voelt goed en het komt goed, dat is mijn instelling voor 2012.

Nu alleen nog even tien kilo afvallen.

Mandarijntjes


De eerste chocolade- annex pepernotenkilo is een feit.

En dan te bedenken dat de chocoladeletters er nog aan komen, de marsepeinen biggetjes, het (overgebleven) Sint-Maartensnoep, de gluhwein en de banketletters! Om nog maar te zwijgen over kerstkransjes, kerstontbijtjes en chocoladekerstballen. Het was past eind oktober maar als ik zo doorging was ik in januari straks zelf een chocoladekerstbal/ marsepeinen biggetje. Dit vroeg om drastische maatregelen.

De redding kwam in de vorm van een kist mandarijnen. Ach ja! Die horen óók bij deze tijd van ’t jaar! Een hele kist ‘appeltjes van oranje’ voor nog geen vier euro! Ik liet mijn hand over de bolletjes glijden: zo te voelen was het fruit nu op z’n best: stevige schil, waarschijnlijk geen pitten, lekker sappig. Snel zette ik één van de kisten in mijn karretje, vanaf nu zou ik elk snaaimoment gezond én lekker te lijf gaan.

Ik had de boodschappen nog niet opgeruimd of ik zat op de bank met twee mandarijntjes. Ik voelde me gezond, gezegend en heel tevreden. Hoe blij kan je worden van een mandarijn? Afijn, ik was net begonnen met peuteren toen de Kletsen als snuffelend binnenstormden.

“Wat ruikt het hier lekker!” riep Annabel.
“Ja,” knikte Liz. “Het ruikt naar… Sinterklaas!”

Het ruikt naar Sinterklaas! Kijk, dat heb ik ze over een pepernoot nooit horen zeggen.
De Sint komt eraan, hulde aan de mandarijn.
(En hulde aan –1 kilo.)

Een mooi compliment


Wandelvriendin B. kon gisterenavond geen oppas krijgen en dus werd wandelvriendin B. voor de gelegenheid drinkvriendin B. Ook mooi, want ik was, na het succes van dinsdag, nog steeds in feeststemming.

“Komt goed uit,” riep B. want ik wil proosten op je boek.
Werkelijk, als ik moet borrelen met iedereen die met me wil drinken op mijn boek, dan ben ik de komende maanden stomdronken!

“Ik heb je blog van gisteren gelezen,” zei B. “Over dat jij over de hele avond achter de computer zat en op het moment suprême in de tuin stond. En over hoe ik jou belde om je te feliciteren met je 2000 verkochte aandelen maar dat je zelf nog van niets wist.”
Ik grinnikte. “Goeie hè?”
“En weet je wat me toen opviel?”
“Nee?”
“Nou kijk, ik was er zelf bij. Ik was tenslotte degene die jou belde en toch, toen ik het teruglas, toen zag ik eigenlijk pas hoe grappig het was. Gewoon, door hoe jij het had opgeschreven! Het is alsof de werkelijkheid leuker wordt als jij hem beschrijft.”

Ik bedankte B. voor het mooie compliment en vulde onze glazen. Ik maak de werkelijkheid leuker, dat was best mooi gezegd.

“Daar drinken we op.”
“Proost.”

Nieuwe wereld

Ik ben vroeg op het station.

Bij de Ako koop ik het boek ‘Echte mannen eten geen kaas’ van Maria Mosterd. Ik heb er veel over gehoord en gelezen. Meisje valt in handen van verkeerde vrienden, binnen vierentwintig uur werkt ze als hoer. Loverboys. De nachtmerrie van elke ouder.

In de trein begin ik te lezen. Al snel ben ik alles vergeten. Hoe kán dit, denk ik. Hoe kan een meisje van twaalf zó in de shit raken. En waarom is ze niet tegengehouden. Door moeder, door vrienden, door wie dan ook. Ik hoop in het boek antwoorden te vinden, maar ik vind alleen vragen.

Pas als de trein stopt kom ik langzaam uit mijn trance. Ik scheur mijn blik los van de letters. Een beetje verdwaasd loopt ik door de coupé. Uit. Ik moet eruit. Plotseling heb ik het benauwd. De mensen om me heen komen te dichtbij. Ik heb ruimte nodig voor mijn gedachten.

Voor me lopen twee meisjes. Jaar of veertien. Ze rebbelen druk over van alles. Korte jasjes, strakke spijkerbroeken. Wilde kapsels met krullen. Als ze uitstappen vang ik een gesprek op tussen twee jongens. “Die zijn alleen goed om mee te ballen,” zegt de een tegen de ander. Ballen. Dat woord heb ik gelezen.

Het ene meisje draait zich om en roept smakkend iets naar de jongens. Er wordt wat heen en weer geschreeuwd over het perron. Het klinkt niet aardig en de helft van de woorden ken ik niet. Straattaal? Perrontaal? Iemand steekt zijn middelvinger op. “Ballen!” roept de jongen nogmaals. “Coño!” schreeuwt het meisje.

Langzaam loop ik naar het meeting point. Ik wist niet dat het zó erg was. Ik wist niet het. Echt niet.

Wat weet ik nog meer niet over de wereld waarin mijn kinderen gaan opgroeien?

Winterefteling

Oké, ik geef het toe.

Ik had gezworen nooit meer een voet op de gelaafde grond van de Efteling te zetten. (Vorig jaar klein drama met klierige kletsen.) Maar ja, als je dan gratis en voor niets een all inclusive dagtripje krijgt aangeboden (via werk), tja, dan is het wel héél onhollands om ‘nee’ te zeggen.

Het gesprek dat we met de kletsen voerden was vriendelijk doch dringend. (“Als jullie gaan zeiken gaan we naar huis.”) En dat hielp. Als waren ze weggelopen uit een spotje van Center Parcs, zo zoet laveerden de meiden door het park. Niets geen gezeur en gemopper, gewoon lekker en ongeremd enthousiast.

We zagen de rode schoentjes, alle sprookjes, de draak (Annabel was hier niet weg te slaan) en natuurlijk de Indische Lelies. We moesten snel naar ‘het draaiende huis’ (Villa Volta) want dat vonden de meiden zo geweldig. We warmden ons aan de knapperende vuren en blancheerden de kinderen in de draaiende kookpotten.

“Ik wil in dat schip,” zei Lizzy aan het einde van de dag. Paul en ik keken elkaar verschrikt aan. Het schip? Dat nare ding waar je maag van in je keel geraakt? Echt niet. “Daar ben je te klein voor,” probeerden we nog. “Nietes,” zei Lizzy. “Mamma moet bij mij blijven,” riep Annabel. Opgelucht keek naar Paul. Hij zuchtte en slofte vervolgens achter Lizzy aan.

“Viel best mee,” zei hij later. “Ik wil nog een keer!” riep Lizzy enthousiast. “We zijn nog niet in de draaimolen geweest,” probeerde ik. Maar nu had Annabel óók iets gezien; de zweefmolen. Dit keer was ik de pineut. Flink misselijk kwam ik er weer uit. De pannenkoek die ik had gegeten zat opeens flink dwars. “We gaan naar de Pandadroom,” fluisterde in Pauls oor. “Dat is gewoon stilzitten.”

Ach ja, alles voor de kinderen. “Het was een geslaagde dag,” zei ik na afloop in de auto. “Zeker,” knikte Paul. “Maar we gaan pas wéér als ze overal alléén in kunnen!”

Heb ik dat?!

Kan je een geheimpje bewaren?

Ik heb toch zó geblunderd tijdens het winkelen laatst! Met mijn slippers, een leuk jurkje en een nieuw rokje op zak, was ik eigenlijk al op weg naar huis. Plots zag ik ergens nog een leuke broek hangen. Als ik opschoot, kon ik die nog wel even passen.

Snel zocht ik in de rekken. Ik griste mijn maat mee en dook het pashokje in. Met het zweet op mijn voorhoofd begon ik aan de broek te sjorren. Ik stond er al met twee benen in toen ik ontdekte dat het kreng voor geen meter over mijn heupen ging. Shit, verspilde moeite. Haastig trok ik de broek weer omlaag terwijl ik tegelijkertijd probeerde één been alvast te bevrijden.

Op dat moment verloor ik mijn evenwicht. Met beide benen verstrikt in de broek, probeerde ik me staande te houden. Ik begon met mijn armen te wapperen. De muren van het pashokje waren glad en boden geen houvast. Mijn bovenlichaam helde naar voren, één been stond op de grond. Het ander zat klem in de broek. Automatisch probeerde ik mijn val te breken door mijn armen naar voren te steken. Helaas, daar zat alleen een gordijn. Ik tuimelde zó, door het gordijn heen, de winkel in. En daar lag ik dan. In mijn onderbroek. Ter hoogte van een stapel roze T-shirts.

Erg hè? Ik schaamde me werkelijk dood! Durfde het aan niemand te vertellen. Nou ja, aan jou dan wel. Maar jóu ken ik al zo lang. Jij weet toch al alles van me. Met jou kan ik er tenminste om lachen. Jij bent wel oké.

Maar niet verder vertellen hè?