Vorst: de winter komt!

Wel:

– Warme chocomelk
– Erwtensoep
– Boerenkool
– Schaatsen
– Sleetje rijden/ sneeuw
– Open haard
– Ijsbloemen op de ramen
– Winterzon
– Warme kinderlijfjes
– Sloffen
– Sint / Kerst

Niet:

– Bevroren autoramen
– Statisch haar
– Ijzelregen
– Gladheid
– Files
– Koude voeten
– Schrale lippen
– Afwezigheid zomerfruit
– Bevroren vingers

Open voor aanvulling

Binnenpretjes

“Ik ruik iets,” zei Lizzy, “het stinkt in de auto.”

Paul keek me aan. “Wat?!” riep ik. “Het riekt hier,” zei hij, “was jij dat?”. “Nee, natuurlijk niet,” antwoordde ik beledigd. Hoewel? Ik had wel een klein scheetje gelaten, nu ik over nadacht, maar dat was al even geleden. Bovendien kón het mijn product niet zijn want ik had er op het strand al een paar laten vliegen. Om ze te ‘testen’ zeg maar. En toen rook ik niets. Paul zag me nadenken. “Zie je wel,” lachte hij, “jij was het.” Lizzy mopperde verder. “Wie heeft er een scheetje gelaten?” vroeg ze streng. “Ik was het niet,” zei ik “die van mij was zeker al vijf minuten geleden.” “Dan is het de fall-out,” besloot Paul.

Maar toen ik nog even verder snuffelde, wist ik het zeker. Dit was mijn luchtje niet. Ik zou toch zeker mijn eigen schéét nog wel herkennen?! “Het zal wel van buiten komen,” zei ik “ze zullen wel ergens gegierd hebben.” Lizzy vroeg wat ‘gieren’ was en stelde voor haar raam te openen. “Nee joh,” riep Paul, “je moet de ramen juist díchthouden.” En dus reden we zo verder. De ramen dicht; de ergste stank buiten. Dachten we.

Ter hoogte van Utrecht merkte Lizzy op dat het nog steeds stonk. “Ja,” zei ik “maar het gaat zo wel weg.” Ik keek uit het raam en constateerde dat er in geen velden of wegen een weiland te bekennen was. Vanuit een ooghoek zag ik Paul grinniken. Hij zou toch niet?! Met een ruk draaide ik mijn hoofd opzij en keek hem aan. Zijn grijns zei genoeg.

Mannelijke binnenpretjes, geheid dat dáár een luchtje aan zit.