Met z’n állen!

Ik moest éven een dagje bijkomen.

Maandag na de vakantie is altijd erger dan een gewone maandag. De kinderen staan nog in de relaxstand, de huishoudhulp komt vroeg en mamma heeft geen tijd voor koffie. En die had ik nou juist zo hard nodig vanochtend. Echt.

Ik zag het al toen ik de straat uitliep. Chaos. Het krioelde overal van de mensen, fietsen, kinderen en auto’s. Na onze eigen straat was nu de omgeving van de school aan de beurt. Beide toegangswegen waren afgesloten en als klap op de vuurpijl was er werk aan de winkel op het grote plein.

Het gevolg; alle mamma’s, pappa’s en kindertjes moesten (inclusief accessoires) via de zij-ingang naar binnen. En die zij-ingang was uitsluitend bereikbaar via een paar aan elkaar geknoopte vlonders op de opengebroken weg. Stel je een lange carnavalsoptocht voor die zich door een smal steegje perst en je hebt een aardig beeld.

En had iedereen nou even nagedacht, dan had de karavaan zich nog wel staande gehouden. Maar nee, deze en gene hadden besloten dat het handig was om 1) bakfietsen 2) uitgeklapte paraplu’s 3) steppen en 4) breedgeschouderde mammafietsen door de flessenhals te persen. Tja, en als je dan ook nog tegenliggers krijgt, dan heb je een probleem.

Ik begrijp zulks niet. Waarom laten mensen hun hulpstukken niet even staan? En dat geldt bij uitstek voor hen die met de auto komen. Werkelijk, is het nou echt nodig om het point of no return zó dicht te naderen dat niemand er meer langs kan? En hoe haal je het in je hoofd om dan nog te gaan tóeteren naar voetgangers die op de wég lopen?!

Nadat ik Lizzy in de klas had afgeleverd liep ik dezelfde weg terug. Vlak voor de afgraving krioelde het nog steeds van de auto’s. Iemand zette snel zijn kind uit de auto en reed achteruit. Op datzelfde moment gaf een ander gas en een derde voertuig gooide zijn portier open. De drie raakten elkaar precies op hete moment dat ik het slot van mijn fiets opende.

Eigen schuld. Niet zo aardig, maar ik dacht het wél.

Gewoon een weekend XL

Het was zaterdagochtend.

Paul lag nog in bed; hij had gefeest. Dat dit uitstapje ‘geslaagd’ was, had ik al geroken (metalige bierlucht) en gehoord (alcoholisch gereutel). Ikzelf zat inmiddels al geruime tijd beneden aan de koffie. Ik probeerde nog te voorkomen dat de kinderen de slaapkamer zouden bestormen, maar die missie mislukte jammerlijk. Nog geen vijf minuten nadat ze naar boven waren verdwenen, hoorde ik ze al op bed springen. ‘PAPPA’ ‘ PAPPA’ ‘KERSTBOOM’ ‘KERSTBOOM’. Ik liep met een streng gezicht naar boven, maar inwendig grinnikte ik. Arme Paul.

Na de koffie deden – de inmiddels opgeknapte – Paul en Lizzy boodschappen. Met het door mij gemaakte boodschappenlijstje in zijn ene hand en een grote Dirks tas in de andere, vocht de held zich een weg door de pre-kerstdrukte. Op hetzelfde moment stonden Annabel en ik al in de Etos. Ik probeerde te besluiten welke shampoo ik zou kopen, terwijl ik ondertussen een poging deed Annabel bij de snoepbakken vandaan te houden. Eenmaal bij de kassa aanbeland, zag ik hoe er een grote donkere man binnen kwam. Hij zag er onheilspellend uit. Hij droeg een pet waarvan de klep zijn ogen bedekte, alhoewel dat niet heel erg nodig was, want hij droeg een spiegelende zonnebril (die hij niet afzette). Hij liep direct naar de kassa. “Straks pleegt hij een overval,” schrok ik. Onwillekeurig trok ik Annabel dichter tegen me aan. De man haalde een strookje uit zijn zak en legde dat op de toonbak. “Ik kom de blije doos halen,” zei hij.

Thuis was het – eindelijk – tijd voor de kerstboom. Om het ritueel dit jaar zo écht mogelijk te maken had ik een spuitbusje ‘dennengeur’ gekocht. “Het moet niet gekker worden,” zei Paul. “Een nepboom inspuiten met dennengeur!” Maar ik zag aan zijn grijns dat hij het eigenlijk ook een heel goed idee vond. De kinderen waren ondertussen helemaal opgetogen over al het moois in de ‘kerstdoos’. Enthousiast hingen ze de één na de andere kerstklok in de boom. Zo schattig! Hier en daar sneuvelde een bal. “Ik schrik me een haartje!” riep Annabel toen er één vlak naast haar voet kapot spatte. Ik maakte een heleboel foto’s. En toen de kinderen gingen buitenspelen, verhing ik alles in de boom. Net zo lang tot het naar míjn zin was. Dat schijnen trouwens alle moeders te doen.

’s Avonds stelde Paul voor een film te kijken, mijn broer had ons er met één opgezadeld, maar uiteindelijk vond ik het daar alweer te laat voor. Ik zou maar eens echt vroeg naar bed gaan. Het feit dat ik eerder die avond tijdens Tom en Jerry in slaap was gevallen zei genoeg. Bovendien hadden we ’t einde van de middag geborreld met de buren en daar was ik aardig rozig van geworden. Desalniettemin lagen we evengoed nog laat in bed omdat de openhaard nog niet was uitgebrand (“Ach, nog één houtje”), de fles nog niet leeg was (“nog één glaasje”) en we naar één of ander fascinerend programma op National Geografic zaten te kijken (waarvan ik moet toegeven dat ik nu al niet meer weet waar het over ging!).

De volgende dag stond het zwembad op het programma. Schoonmama werd vijfenzestig en had ons uitgenodigd voor een ochtendje waterpret, gevolgd door een lunch bij haar thuis. ’t Was even slikken toen ik daar in de drukte bij de kleedhokjes stond, maar eigenlijk was het gewoon heel gezellig. Lekker warm water, beetje babbelen en kijken naar de kletsen die echt heerlijk aan het spelen waren. Zelfs de kerstboom en kerstliedjes in het zwembad konden mijn goedkeurig wegdragen. Tijdens de lunch bij ‘oma’ thuis merkte Lizzy op dat ze wel een goed idee vond als we nu afspraken dat iedereen binnen onze familie vanaf nu zijn verjaardag zo zou vieren. Tuurlijk.

Weer thuis ging Paul zijn zelfgekochte kerstcadeau uitproberen; ja ja, meneer heeft weer een nieuwe hobby. Althans een oude, afgestofte hobby. Maar wel met nieuw materieel. Sinds enkele dagen is hij de trotste bezitter van een radiografisch bestuurbaar TT-autootje, eentje die wedstrijdproof is, en ik moet zeggen, dat ding is echt leuk! De meiden vinden het ook geweldig, die rennen achter het karretje aan en ‘verzorgen’ de auto (als ware pitspoezen) als Paul hem weer eens een bloembak inrijdt. ’t Is toch treurig dat Paul geen zoon heeft,” zei de buurvrouw toen ze haar kind later bij ons thuis kwam ophalen. “Volgens mij is het maar goed ook,” antwoordde ik. “Als hij een zoon had gehad dan had ons hele huis vol treintjes, pistolen, tenten, autootjes en ander jongensspeelgoed gestaan.” “Help, mijn man heeft een hobby,” grinnikte de buurvrouw. “Zoiets,” knikte ik.

Afijn, na wederom weer een half uurtje voorlezen uit Lizzy’s favoriete boek: “Het is kerst, Geronimo!” was eindelijk het zalige moment gekomen waarop de kinderen naar bed gingen. “Het was weer een fijn weekend,” zuchtte ik. “Het was weer een fijn weekend,” zuchtte Paul.

En toen zakten we op de bank.

Spokenlogica

Halloween!

Tijd om weer eens een verhaaltje te vertellen in de kleuterklas van Lizzy. Over spoken natuurlijk. En over een eng kasteel. Over vleermuizen, spinnen en spannende kelders. Het is tenslotte Halloween vandaag; we ‘verjagen’ de Keltische geesten met enge maskers, kostuums en spannende verhalen.

Dat van die Keltische geesten heb ik de kleuters maar niet verteld. Daar leken ze me nog wat te jong voor. Wel vertelde ik, terwijl ik de twee uitgeholde pompoenen van lichtjes voorzag, dat Halloween vooral draait om verzónnen verhaaltjes. En dat alles met Halloween vooral nép is. Ik presenteerde het als het Grootste Geheim Van Halloween. Het. Is. Niet. Echt.

Aldus vertelde ik. Over de spookjes die – in mijn verhaal – in het oude kasteel wonen. Die spookjes, kleine deugnietjes met dikke witte spokenbillen, zijn dit keer zélf bang. Ze zijn geschrokken van een gebonk dat uit de kelder komt. Gelukkig blijken de kleuters niet bang en helpen zij de spoken naar de kelder. Het geluid, het harde gebonk, blijkt uiteindelijk veroorzaakt te worden door de tánte van de spookjes. Ze is jarig en wil iedereen uitnodigen voor een groot Halloweenfeest. Spannend maar eind goed, al goed.

Het vertellen was weer heerlijk. De kleuters zaten op het puntje van hun stoel. Dat ze mijn uitleg ‘het is allemaal nep’ goed hadden begrepen, maar desondanks toch behoorlijk door het verhaal gegrepen waren, bleek wel uit de reacties die ik achteraf kreeg. “Die spookjes hoefden helemaal niet bang te zijn voor dat geluid uit die kist, dat was toch maar een verhaaltje.” Vertrouwende één van de helden me toe. Waarop een ander zei: “Maar ja, dat wisten die spookjes niet hè? Dat het nep was!”

Geweldig toch, die kinderlogica!

Woorden van vroeger

Op zolder. Achter het schot.

Hier moest het zijn. Hier, ergens tussen de rommel moest hij hangen. Ik zocht en zocht. Maar zo’n honderd stofniezen later had ik de jas nog steeds niet gevonden. Ik gaf het op. Zo belangrijk was hij niet. En bovendien, ik was had iets interessanter gevonden.

Voor me stonden drie dozen. Ik wist wat er in zat. Ik had ze zelf daar opgestapeld en dichtgebonden. Voorzichtig veegde ik het stof van de bovenkant. Ik peuterde aan de strik. Het rook naar inkt, vervlogen woorden en oud papier. Het rook precies zoals oude dagboeken horen te ruiken.

“Ik heb dit boekkie gekregen,” begon het eerste. Ik was elf en schreef mijn eerste stukjes. Het dagboek was zilver met zwart. Met een kapot slotje. Voor zover ik weet hebben mijn ouders noch mijn broertje er ooit in gelezen. Begrijpelijk, gezien de hoeveelheid onzin die ik schreef. “Gelukkig maar,” dacht ik al lezende. “Gelukkig maar dat ik geen elf meer ben.”

De jaren vlogen voorbij. Middelbare school, vakanties, nieuwe school, kamp, studie, samenwonen, weer alleen wonen. Ik heb mijn hele leven gevangen in woorden. Uit de tijd dat ik op de havo zat, en de eerste jaren in Amsterdam, heb ik heel veel schriften. Om en om geschreven met mijn –toenmalige- beste vriendin B.

Als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat het teruglezen me nou niet direct een prettig gevoel gaf. Ik ergerde me eraan hoe druk ik was mezelf cool te vinden. Gênant gewoon. En cool was ik zeker niet. Ik was vooral bezig mijn beste vriendin (die wel cool was) te imiteren. Al lezende kreeg ik zelfs last van plaatsvervangende schaamte. Schaamte voor mijn vroegere ik.

Uiteindelijk heb ik alle boeken teruggestopt. En de dozen weer dichtgebonden. Alle brieven, kaarten en reisverslagen konden daar, op zolder achter het schot, rustig verder verstoffen. Voorlopig was ik vooral blij met de ‘ik’ van het heden. Die gewoon lekker zichzelf was. De tijd van de nostalgie was nog niet gekomen.

Misschien als ik straks oud en stram ben. Misschien dat ik dan alles nog eens teruglees. En dan lees ik alles wat ik bij Viva en Vrouwonline heb geschreven er achteraan. En misschien, heel misschien, denk ik dan iets heel anders dan nu.

Misschien denk ik dan wel; was ik nog maar elf.

Tennistoernooi

Gister getennist.

Zo ongeveer voor het eerst van mijn leven. Voor zo’n a-sportieve muts als ik altijd weer een uitdaging.

Maar het goede nieuws; het viel helemaal niet tegen. Ik sloeg zowaar met grootste deel van de ballen terug, maakte mijn partner zeker niet te schande en bleek in bezit van een vrij aardige service.

En dan nu het slechte nieuws; ik barst van de spierpijn!