Oeps…

“Nérgens aankomen!”

Annabel haar kleine handje zweeft boven de glazen kerstengeltjes. Als ze mijn dreigende blik ziet, laat ze hem snel weer zakken. Als mamma zó kijkt, is het ernst. Een verkoopster knikt goedkeurend.

We slenteren langs de gekleurde ballen. De kerst schittert ons tegemoet. Tussen de glinsterende versiering hangen takken mistletoe.
Boven ons hoofd fietst een kerstman heen en weer.

“Páts….”
De verkoopster en ik draaien tegelijk ons hoofd om. De kinderen kijken ons verschrikt aan. “Wij deden niets,” zegt Lizzy. “Echt niet.” zegt Annabel. Twee paar lege handjes worden naar ons uitgestoken. “Kijk!” Grote, onschuldige ogen.

“Sorry,” klinkt het iets verderop.
Automatisch kijken de verkoopster en ik over de hoofden van de kinderen heen.
Tussen de pieken en het engelenhaar staat Paul. In zijn hand heeft hij een kapotte kerstbal. “Ik kneep helemaal niet hard,” zegt hij.

Mannenwerk

“Hebben jullie dat campingbedje nog?”

Vriendin N. kijkt me vragend aan. “Jawel,” zeg ik. “Alleen weet niemand hier hoe dat ding werkt.” “Ik wel hoor,” zegt N. “Ik heb zelf ook zo’n onding.” Samen lopen we naar boven. Ik zet het ingepakte campingbedje voor N. op de grond. “Kijk,” zegt N. “Eerst de lange kanten, dan de korte en dan de bodem. Voila.”

We hebben een erg leuke dag. Lizzy knikkert met het zoontje van N. en Annabel speelt met de dochter van N. Paul is ondertussen bezig met het slopen van de poortdeur (lees; hij verwijdert ‘de rotte planken’ en houdt uiteindelijk alleen het slot over) en wordt hierbij mentaal gesteund door de man van N.

“Je moet wel even dat campingbedje afbreken hoor,” zeg ik ’s avonds tegen N. “De vorige keer dat Paul het moest doen heb ik ternauwernood kunnen voorkomen dat de hele handel het raam uitging.” N. kijkt me geamuseerd aan. “Ik heb net uitgelegd hoe het moet!” “Ja, aan míj,” zeg ik. “Je weet toch dat mijn rechterhersenhelft onderontwikkeld is?!”

Dan begint de man van N. zich met het gesprek te bemoeien. “Kreeg Paul dat ding niet in elkaar? Tjonge. Nou, ik doe het wel even.” Vriendin N. vraagt nog of ze hem een mondelinge gebruiksaanwijzing moet geven, maar haar man is al de trap op. “Technisch inzicht,” horen we hem nog mompelen. “Mannenwerk. Die Paul. Had ik niet verwacht.”

Twee minuten later horen we boven een flinke dreun, vaag gerommel en paar (ingehouden) vloeken. Met rode konen en een verwilderde blik in zijn ogen komt de man van N. naar beneden. Verwachtingsvol kijkt iedereen hem aan. “Geef mij de baby maar,” zegt hij tegen N. “Als jij dan even dat bedje doet.”

Een spelletje

Ze zaten elkaar in de haren.

“Kom,” riep ik. “Kom, we doen een spelletje!” Ik haalde het prinsessenspel uit de kast en zette het op tafel. “Jááá!” klonk het eensgezind.

“Mag ik beginnen?” vroeg Lizzy. “Nee, ík!” riep Annabel. Ik reageerde een beetje geïrriteerd. “Nee. We doen gewoon wie het hoogste gooit. Díe mag beginnen.” Ik gaf Lizzy de dobbelsteen. “Oké,” zei ze. En ze gaf hem een zwieper richting het plafond. “Wat doe je nou?” riep ik geërgerd. “Kan je niet normaal gooien?” “Maar mamma,” klonk het oprecht verbaasd. “Je zei zelf dat wie het hóógst gooide mocht beginnen!”

Jongetjes

De tuin bij de peuterspeelzaal wordt vernieuwd.

Paul zou gaan scheppen, samen met de andere vaders. Van die pappa’s zou een aantal de kinderen meenemen dus had ik mezelf opgeworpen als ‘juffie’. Fluitend stopte ik een puzzelboekje in mijn tas. Ik zou me wel vermaken.

Maar dat liep anders. De vaders brachten namelijk een aantal jongetjes mee. En ik had niet gerekend op jongetjes. Dat soort ken ik niet. Ik weet niets van jongetjes. Ik weet alleen van meisjes. Rustige, tuttebellende meisjes.

Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat jongetjes niet gewoon rustig gaan spelen (“Kom we gaan rennen!”). En ik wist ook niet dat jongetjes werken volgens afwijkende constructiewetten (als het niet past dan sla je erop tot het wel past) en dat ze weinig ophebben met het begrip blokkades (doorrammen tot het opzij gaat). Ik wist niet dat jongetjes puzzels heel ruimtelijk zien (stukjes in de lucht gooien geeft een 3-D effect) en ik had er al helemaal geen weet van dat jongetjes zoveel kabaal konden produceren.

Ik nam mijn toevlucht tot een spannend voorleesboek. Dat hielp. Vijf minuten. Want toen ging de telefoon. “Blijf zitten, beweeg je niet,” zei ik en ik liep naar de gang. Maar jongetjes kunnen niet stilzitten. En dat wist ik niet. Dus toen ik luttele minuten later terugkwam in de zaal, en alles eruit zag alsof er onverwachts een tollende suiswind was binnengekomen, kreeg ik zowat een hartverzakking.

Ik heb nu héél véél respect voor moeders die één of meerdere jongetjes hebben.

Verjaardag II

Zo, dat hebben we ook weer gehad.

Zaterdagochtend familie. ‘s Middags borrel met vrienden en buurtgenoten. Zondagochtend buren die zaterdag niet konden, zondagmiddag het Rozenfeest voor Lizzy haar (school) vriendinnen. Kortom, een heel weekend party.

Druk maar geslaagd. Gelukkig veel hulp. (Enorm veel gehad aan het boekje ‘Ideeën voor kinderfeestjes’ waarin de volgende tip: ‘vraag hulp, bijvoorbeeld de vader’.) De visite was gezellig, het kinderfeestje geslaagd. (‘Rozenhappen’ (eetbare rozen) vonden ze het leukst maar ‘gewoon’ zakdoekje leggen scoorde ook goed.)

Minder was dat ik halverwege ‘t weekend getrakteerd werd op koorts, verkoudheid en totale desoriëntatie. Een flinke ruk slaap en een half doosjes paracetamol hielden me op de been, maar lekker is anders. En lichamelijke malaise werkt ook niet erg gunstig op de psyche. Kortom, ik was blij toen ik zondagavond veilig in bed lag.

En nu is het maandag. Ik ben koortsig en snotverkouden. En straks moet ik spreken, op een nieuwjaarsreceptie. Sinds mijn vorige optreden word ik ineens regelmatig gevraagd. Leuk, maar niet als vaatdoek.

Ik denk dat ik morgen maar eens even lekker ga instorten.

Pokkels II

Liz is nooit ziek.

Echt nooit. Ik geloof dat ze de afgelopen (bijna) vijf jaar nooit verder is gekomen dan één twijfelachtige oorontsteking en een keer overgeven (waar ze zelf heel verontwaardigd over was).

Verkouden is ze regelmatig, net als haar moeder. Een snufje, een pufje, een snotneus. Maar ze haalt de wekker op, veegt het snot af (in haar pony) en gaat gewoon door met haar werkje. Geen gezeik.

Maar nu is ze echt sneu. De pokkels hebben haar geveld. Ze zitten op haar voetzolen en op haar hoofdhuid. Ze heeft ze in haar oren, op haar nagelriemen en onder haar armen. Ze knippert met haar ogen en klaagt over een pokkel in haar ooghoek. Ze likt haar lippen en ontdekt er nóg een paar.

We doen haar in bad met speciale goedjes. We bepoederen haar met mentholtalk. “Pokkels houden niet van chocola, heer neem maar lekker een stukje,” zeggen we. Allemaal spygisch, maar het helpt wel. Tijdelijk.

“Mamma,” zei ze vanochtend in bed, “heb ik ziekmakertjes in mijn bloed?” Ik knikte en aaide haar in het donker. Ze was even stil. “Gaan de witte lijfjes dan nu tegen ze vechten?”

Ik moest even nadenken voor ik haar begreep.

Kleine wijze klets.