Alles gaat voorbij mijn lief


“O, help! Al bijna pakjesavond!”

Ik sta in de keuken, voor de kalender, en bedenk wat ik nog allemaal moet doen. Wat is het snel dit jaar gegaan. Ik zie ons nog zo op de botter zitten tijdens de intocht. En over ruim een week is hij alweer weg! Opschieten, dat moet ik!

Wat gaat de tijd toch snel. En straks, na vijf december, willen de Kletsen natuurlijk meteen de kerst in huis. Mijter eruit, kerstboom erin, zo gaat dat elk jaar. En dan gaat is er geen houden meer aan: twee ademteugen later is het kerst, op de voet gevolgd door Oud & Nieuw. Ik neem een slokje koffie en bedenk dat ik champagne wel vast koud kan zetten.

Goedbeschouwd zitten we al in 2012. 2012, dat is toch niet normaal? Ik weet nog goed dat het jaar 2000 naderde. Long long time ago… Toch eens gaan nadenken wat we dit jaar met de zomervakantie gaan doen. En na de vakantie gaat Liz gewoon al naar groep zes! Nog even en ’t kind gaat naar de middelbare school. Dan ben ik de veertig inmiddels gepasseerd. Wat oud! Ik krijg al jicht als ik er aan denk.

Alles gaat voorbij mijn lief, niets blijft bij het oude. Hoe oud zou Liz zijn als ze ’t huis uitgaat? Die kinderen zijn zó snel volwassen dezer dagen. Misschien is ze mij wel helemaal zat tegen de tijd dat ze zestien is. Volgens mij heeft ze dat nu al af en toe. En dan dat Belletje, die groeit zo snel, dat is niet bij te houden. Ze moet alweer een nieuwe fiets!

Het leven raast voorbij, we worden oud. Ik heb last van kwaaltjes en ik maak me zorgen. Misschien moet ik vast een rollator bestellen. Of mezelf inschrijven in ’t bejaardentehuis. Ik staar naar de kalender en hoop dat de kinderen me tegen die tijd nog vaak komen opzoeken. Hoezo ‘me’ trouwens? Zou ik ouder worden dan mijn man? Nee toch?! Zit ik daar in mijn eentje, achter de geraniums.

Ik wil net mijn uitvaartpolis eens gaan nakijken als de Kletsen de keuken binnenstormen.

“Wanneer vieren we Sinterklaas?” vraagt Annabel.
“Vandaag over een week,” antwoord ik.
“Jeetje,” zucht Liz. “Wat duurt dat nog láng…..”

Ons geheimpje

Ik zette de kist op tafel.

Vragend keek mijn schoonmoeder me aan. “Dat is ons nieuwe bestek,” verduidelijkte ik. “Heb ik net opgehaald.” Mijn schoonmoeder wierp een kritische blik in de kist, peuterde aan een plastic zakje en viste er een doffe, bruingevlekte lepel uit.

“Dat moet flink gepoetst,” zei ze. “Komt goed.” Kortdaad liep ze naar de kast en toverde een bus Brasso zilverpoets en een paar lappen tevoorschijn. “Kijk,” zei ze. “Ik doe het wel even voor.” Ze pakte de lepel en begon te wrijven.

“Wauw,” riep ik terwijl ik de lepel aandachtig bekeek. “Is dit diezelfde lepel? Hij glimt de pan uit!” Enthousiast pakte ik een mes en een lap. “Opwrijven,” instrueerde schoonmoeder. “Niet schúren!” Ze pakte een nieuwe lepel en deed het nogmaals voor.

Een paar messen later had ik de smaak te pakken. “Kijk toch eens hoe mooi het wordt,” riep ik genietend. “Bling Bling Bestek!” Mijn schoonmoeder moest lachen om mijn enthousiasme. Ze legde een opgepoetst taartvorkje neer.

“Had je toch niet gedacht hè?” zei ze grinnikend. “Dat je op een dag nog eens met je schoonmoeder aan de zilverpoets zou zitten!” Ik schudde mijn hoofd. “Nee,” zei ik. Ik nam een slokje thee.

“Dit moesten we maar onder ons houden.”