Mijn weekend XL


Zo zeg, was ik even Afwezig!

Jullie dachten vast dat ik mijn blog aan de wilgen had gehangen, het blogje erbij neergegooid had of blogtechnisch een pakje sigaretten was gaan halen!

Maar nee, ik ben er nog. Sterker nog, ik maak mijn afwezigheid goed met een XL verslag.

Ik had gewoon een bijzonder druk weekend!
Dat begon vrijdagochtend al. Ik had vriendin M. beloofd dat ik haar ’s ochtends zou helpen met het heen en weer rijden van een paar zakken kleding voor haar tweedehands kinderkledingbeurs. Afijn, om negen uur stond ik voor de deur alwaar niemand opendeed. M. bleek boodschappen doen en in de achtertuin trof ik vriend A. die een joint aan het roken was. Ik pakte een stoel, een kopje koffie en ging lekker in het zonnetje zitten. Het bleek het bijzondere begin van een uitermate gezellige dag. Uiteindelijk was ik ’s avonds om half tien pas weer thuis. (Dat kwam niet door de joint van A. natuurlijk maar omdat het gewoon erg leuk was om op de beurs te helpen.)

Zaterdagochtend reden Paul, de Kletsen en ik, in alle vroegte (elf uur ’s ochtends) naar Noord-Holland om de verjaardag van ons nichtje E. te vieren. Vier jaar alweer, een hele grote meid. Het mooiste cadeau (al zal E. dat zelf niet zo hebben gezien) was natuurlijk de dag zelf. Eén oktober, hartstikke herfst, en de kinderen speelden buiten in het zwembadje.
“Nog even,” zei ik tegen Liz. “En dan vieren we jouw verjaardag ook buiten!” (Liz is van vijf januari.)

Weer thuis ging al snel de vuurkorf aan. Binnenzitten konden we nog zolang! We aten broodjes bij het vuur. Liz smakte en kreeg op haar kop. Annabel at met haar pink in de lucht en meende dat zij wél wist hoe moest eten.
”Met je pink in de lucht eten is héél beschoft.”
We zaten nog lang buiten. Met en (later) zonder kinderen. En met de buren. We stookten een halve boom op en dronken er prosecco bij. Technisch was de zomer voorbij, in ons hoofd was het nog immer zonnig. (Vooral na een paar glaasjes prosecco.)

~~~~

“Zo,” zei buurvrouw C. de volgende ochtend toen ze naast me in de auto plofte. “Ik ben blij dat ik dáár weg ben.” Ze knikte in de richting van haar huis en gooide haar tas op de achterbank.
Ik lachte, startte de auto en reed richting de snelweg. “Anders ik wel,” zei ik. “Was jouw vrouw net zo gezellig als mijn man?”
“Mijn vrouw?” zei C. “Nee, de kinderen. Ruzie met elkaar terwijl ze in verschillende ruimten waren, dat werk.”
Ik knikte begrijpend. “Liz had al ruzie met Bel nog voor Bel wakker was, dat is ook knap hè? Maar na het ontbijt ging het wel goed. Ze gingen lekker bovenspelen. Ik had vooral last van Paul. Of hij van mij, ’t is maar net hoe je ’t bekijkt natuurlijk.”
Ik zuchtte dramatisch. “En dan wil gewoon even ergens over praten, krijg ik zo’n nietszeggend antwoord en een geërgerde blik.
Ik sloeg af richting Utrecht terwijl C. haar Iphone tevoorschijn haalde. “We kunnen straks in ‘t restaurant even lekker wordfeuden!”
“Ja, super!” Ik zette de radio wat harder en neuriede zachtjes mee. Dit uitstapje was echt een goed idee van C. We hadden dit gewoon even nodig. En terwijl we en passant de voor- en nadelen van homo- en heterorelaties bespraken (C.: “Ja, maar wij moeten overál over praten. Dat is ook vermoeiend hoor!”) verliet ik bij Nieuwegein de snelweg.
“Vijfentwintig graden is het al,” zei C. toen we de parkeergarage binnenrijden.
“Ja. Warm hè? Zeg, we staan bij de C., onthoud jij ‘m even?”
Terwijl we beiden een grote blauwgele tas pakten werp ik nog snel een blik naar buiten. Vijfentwintig graden, rode herfstbladeren vlammend in het zonlicht. Links van me het restaurant – de bullar in de aanbieding – rechts de trap naar het magazijn.
“Zeg,” zei ik, ter hoogte van een Billy. “Hoe erg is dit eigenlijk op de schaal van Sneu?
C. liep in de richting van een mooie chaise longue en zei: “We nemen wel de lange route hoor .”

~~~~

Het weekend eindigde in de Soesterduinen, een bijzonder natuurgebied met uitgestrekte duinen, zonder zee maar met bos. De kindertjes speelden in het zand (ze gingen graven naar Australië hetgeen wij van harte toejuichten want dat hield ze even bezig) en wij speelden Wordfeud, losten een cryptogram op en maakten ruzie met een hondenbezitter die het kennelijk normaal vond dat zijn hond over de chips en het drinken van onze kinderen pieste.
Toen buurvrouw C. ‘en bedankt!’ riep, zei hij dat we niet zo moesten zeiken. Aangezien hij nogal groot was en een heleboel tatoeages had, slikte ik de opmerking ‘dat ik vond dat vooral zijn hond niet zo moest zeiken’, maar in. (Wat is dat toch met sommige hondenbezitters, er was er ook al een die het normaal vond dat zijn hond vlak naast de kinderen ging zitten poepen. Hij liet het gewoon liggen!)

En toen was het alweer maandag en zat ik op kantoor. Er komt een drukke week aan met veel afspraken en extra werk. Een beetje gestresst word ik ervan. Van extra werk spring ik sowieso geen gat in de lucht (gelukkig maar, het gat in de ozonlaag is al zo groot!) en stress, dat moeten we niet hebben.

Adem in, adem uit. Dit weekend pakken ze mooi niet meer af!

PS Wat betreft de kopfoto: er gebeuren heel rare dingen deze herfst!

Pauze

Ik ben een beetje blogmoe.

Ik merk het al een tijdje. Wat minder zin om te schrijven, niet zoveel ideeën meer, ik heb het gevoel dat ik een beetje vastloop.

Niet dat ik overweeg te stoppen hoor, welnee, daarvoor hou ik teveel van mijn weblog. En van jullie natuurlijk. Maar ik denk, ik ga er toch eens een stukje over schrijven. Zodat jullie ook weten waarom ik af en toe een dagje oversla.

Ik denk dat ook wel weet hoe het komt. Door mijn boek. Elke avond blijf ik boven totdat de meiden slapen en dan zit ik op mijn bed te schrijven. Heerlijk rustig, kopje thee (of glaasje wijn, dat ligt aan de stemming) erbij en ongestoord tikken.

Het schiet op, dat wel. Maar ik merk dat ik moeilijk aan iets anders kan denken. Alsof er een vliegtuig is opgestegen dat niet meer kan landen. Ik heb een nieuw notitieblokje in mijn tas gestopt en steeds wanneer ik een goed idee krijg, schrijf ik het op. En goeie ideeën heb ik voortdurend. Soms sta ik er ’s nachts voor op en een paar dagen geleden miste ik er de ontknoping van House door omdat ik op het moment suprême op zoek was naar mijn pen.
Maandag, tijdens mijn wekelijkse les aquarobics, ben ik er zelfs het water voor uitgegaan. De zwemjuf kwam me achterna omdat ze dacht dat ik niet goed geworden was en toen ze me zag, voorover gebogen over een klein notitiebokje waarin ik in al mijn nattigheid iets stond op te schrijven, zei ze dat ik wel iets had van haar neurotische zuster die inmiddels in ’t een of ander tehuis was opgenomen. Niet bepaald een geruststellende gedachte.

Maar het is niet anders. De meeste goede ideeen verdwijnen in mijn boek lijkt het wel. En daarbij heb ik momenteel gewoon teveel letters aan mijn hoofd (zoals jullie weten heb ik hier en daar ook nog een kolommetje lopen). En dan verdwaal je soms, in die lettervermicelli.

Vandaar dus af en toe een pauze. Maar stoppen? Dat nooit.

To hip or not to hip

Ik zit op de fiets.

Voor me rijden twee meisjes. Een jaar of veertien. Onderweg naar school. Het ene meisje draagt een zwarte legging en een soort koeienlaarzen. Om haar hals heeft ze een felgekeurde sjaal. Een lang grijs vest dient als jas.

Het andere meisje, strakke spijkerbroek & hippe gympen, heeft een trenchcoat aan. Een zwart-wit geblokte, strak aangesnoerd rond het middel. Een conversetas hangt nonchalant over haar schouders.

Hun haren wapperen. De één blond, de ander donker. Geen raar permanent, geen boblijn, gewoon een goed geknipt kapsel.
Twee speldjes (per persoon) houden wat losse lokken op hun plaats.

Het mag duidelijk zijn dat ik ze bestudeerd heb, die twee schoolmeisjes. Ik heb ze bestudeerd en me verwonderd. Wat zien ze er leuk uit! Helemaal hip, helemaal volgens de (school) mode van nu.

En toen ik daar zo fietste rees er een vraag. Was het vroeger óók zo? Ik herinner me het niet. Ik herinner me spijkerbroeken. Truien. Volgens mij was je ‘vroeger’ al ‘hip’ als je een rugzak van Coca Cola had, in plaats van een leren schooltas.

Of is mijn herinnering nou gewoon vertroebeld, heb ik nog niet genoeg koffie op? Zijn de tijden zo veranderd? Is het te lang geleden?

Wat denken jullie?

De absurditeit van alledag

In het verzorgingstehuis

“Raak mij aan.” Het stond op een affiche over omgaan met dementie. En aangezien ik niets beters wist te verzinnen, besloot ik mijn oma haar nagels te lakken. Op haar nagels was ze altijd fier geweest. Ze vond het leuk om ‘mooi’ te zijn.

Mijn oma zelf is gelijk een kind. Daarom neem ik Lizzy altijd mee. Ze zijn dol op elkaar. De andere oudjes kijken vertederd toe. Behalve de mevrouw naast oma. Zij was vandaag verdrietig. “Ik ben zo angstig,” vertrouwde ze me toe. “Ik weet vaak niet meer waar ik ben. Ik weet niet waarop ik wacht. Wat moet ik toch doen?” Ik dacht over hoe ik haar vraag kon beantwoorden. Ik wist niets te bedenken. “Weet u wat,” zei ik tenslotte, “ik zal úw nagels ook eens mooi lakken”.

Na een uurtje hadden we allemaal weer prachtige handen. Omi knabbelde vrolijk op een koekje dat ze van een ‘zuster’ had afgetroggeld. Ze kletste onzin en lachte lief naar Lizzy. Precies zoals ze vroeger naar mij had gelachen. “Mag ik volgende keer een boek mee?” vroeg Lizzy. “Omi vindt het leuk als ik haar voorlees.” Ik glimlachte en knikte.

We knuffelden elkaar bij het afscheid. “Dag, tot de volgende keer,” zei ik vol vertrouwen. De oude mevrouw wier nagels ik óók had gelakt kreeg een dikke kus. “Dank je wel lieverd,” fluisterde ze. “Ik wou dat ik niet zo bang was. En niet zo alleen.” Een beetje verdrietig stapte ik de lift in. Een gedachte flitste door mijn hoofd.

“Word maar snel dement.”

Waar is Esther (laatste deel)

In een kinderspeelparadijs

Naast me zit een vader de krant te lezen. Hij heeft, de afgelopen tien minuten, nog geen seconde opgekeken. Knap. Ik check minstens elke dertig seconden of mijn kroost nog ongedeerd is. Ze kunnen zomaar langs het hekje geglipt zijn. Een vrije val tegemoet. Pas als ik Lizzy weer zie lopen (Annabel als een zak aardappelen achter zich aan slepend) is het goed. Dan heb ik weer negenentwintig seconden rust.

Er staat een jongetje naast me. Het kereltje danst al zeker een half uur om me heen. Hij vraagt steeds of ik wil kijken hoe goed hij iets kan. Als ik wegloopt, komt hij snel achter me aan. “Lijk ik soms op jouw moeder?” vraag ik met een glimlach. “Nee,” zegt het jongetje. “Je lijkt op mijn vader.”

Het dochtertje van de man naast me komt aandacht vragen. “Nee,” zegt haar vader. “Ik lees de krant.” Zelfs als ze later appelsap drinkt aan tafel, kijkt haar vader niet op van zijn krant. Stil eet ze haar koekje. “Ga je met me spelen?” vraagt het meisje als haar sap op is. “Of moet je weer de krant lezen?”

Vlak voor ik wegga komt de moeder van het stalkjongetje hem ophalen. “Schiet op,” is alles wat ze zegt. Chagrijnig beent ze richting uitgang. Haar dikke billen schudden in haar broek. Ze kijkt niet op of om. Ik denk aan wat het jongetje heeft gezegd. Dat ik op zijn vader lijk. Niet erg. Op zijn moeder lijk, dat zou pas schokkend zijn.