Over de kletsende kletsen

Annabel praat – voor een driejarige – heel goed.

Ze draait haar hand niet om voor moeilijke zinnen en laat zich niet van de wijs brengen door lange woorden. “We hebben Tuffy’s posters met mayonaises aan de bomen gehangen,” vertelt ze de buurvrouw. “Even op mijn bodyloge kijken hoe laat het is.” “Bij de apotheek haal je pillecijnen. O nee. Dat heet ‘melicijnen’.” En mijn persoonlijke favoriet (tijdens het piraatje spelen): “Aan de kant! Aan de kant! Het karton gaat schieten!”

En waar Annabel soms nog moeite heeft de juiste woorden te vinden, is Liz inmiddels zó ‘ontwikkeld’ dat ze alles begint af te korten. “Anna, ik ga nog even naar de wee en daarna aan taaf want we gaan zo eet.” Steevast gevolgd door: “Mag ik dan nog even naar buit?” Nog géén zes jaar en nu al een geheel eigen (turbo)taal. Dat wordt nog wat.

Afijn, ik blijf het een genot vinden. Het is heerlijk om te merken hoe de kletsen creatief kunnen zijn met woorden en zinnen. Hoe ze op dingen komen die ons volwassenen steevast een lach ontlokken en/of aan het denken zetten. Neem nou Bel met haar vraag van een tijdje geleden: “Hoe komen die liedjes in Tuffy zijn buik?” En Liz: “Mamma, ‘lui’ zijn dat altijd mensen die moe zijn?”

Het állermooiste vind ik op dit moment dat Lizzy de ‘uitdrukking’ heeft ontdekt. Waar Annabel nog vaak denkt dat ze alles letterlijk moet nemen (ik tegen Paul na een drukke dag: “Bel is helemaal kapot!” Bel (verontwaardigd): “Niet. Ik ben gewoon heel!”) is Lizzy aan het experimenten gelagen. Dat levert taalpareltjes op als: “Waar is pappa ‘m heengesmeerd?” en “Annabel, kleine dringeland!”

Ik vind het elke dag weer leuk om de kletsen nieuwe dingen te leren. En soms leer ik ook weer van hen. Zoals die keer dat ik de telefoon neerlegde en zei: “Ik zie je, hói!” Annabel vroeg me waarom ik ‘hoi’ zei en ik legde uit dat ik ging ‘ophangen’. Waarop Annabel zei: “Dan moet je geen ‘hoi’ zeggen, maar ‘doei’”.

Toegeven, ze hééft een punt! Dus daarom, speciaal voor mijn eigen kleine wijsneus, sluit ik vandaag op de enige juiste manier af. Ik ben weg. Ik ben naar het zwembad. Tot later.

Doei.

To hip or not to hip

Ik zit op de fiets.

Voor me rijden twee meisjes. Een jaar of veertien. Onderweg naar school. Het ene meisje draagt een zwarte legging en een soort koeienlaarzen. Om haar hals heeft ze een felgekeurde sjaal. Een lang grijs vest dient als jas.

Het andere meisje, strakke spijkerbroek & hippe gympen, heeft een trenchcoat aan. Een zwart-wit geblokte, strak aangesnoerd rond het middel. Een conversetas hangt nonchalant over haar schouders.

Hun haren wapperen. De één blond, de ander donker. Geen raar permanent, geen boblijn, gewoon een goed geknipt kapsel.
Twee speldjes (per persoon) houden wat losse lokken op hun plaats.

Het mag duidelijk zijn dat ik ze bestudeerd heb, die twee schoolmeisjes. Ik heb ze bestudeerd en me verwonderd. Wat zien ze er leuk uit! Helemaal hip, helemaal volgens de (school) mode van nu.

En toen ik daar zo fietste rees er een vraag. Was het vroeger óók zo? Ik herinner me het niet. Ik herinner me spijkerbroeken. Truien. Volgens mij was je ‘vroeger’ al ‘hip’ als je een rugzak van Coca Cola had, in plaats van een leren schooltas.

Of is mijn herinnering nou gewoon vertroebeld, heb ik nog niet genoeg koffie op? Zijn de tijden zo veranderd? Is het te lang geleden?

Wat denken jullie?

Naar het ziekenhuis

Totaal nam het bezoek zo’n drie uur in beslag.

Eénderde daarvan bracht ik door in de wachtkamer. Libelles lezen. En Margrieten. Best interessant. (Wisten jullie bijvoorbeeld dat er ook Mega Mindy breipatronen zijn?!) Ik vond het bijna jammer dat ze me kwamen halen.

De reumatoloog bleek een vrouw te zijn. Dat was raar want ik had bedacht dat ze een man was. En behalve vrouw was ze ook nog eens heel aardig. Gek genoeg had ik dat óók niet verwacht. Ik voelde me erg op mijn gemak. Zelfs toen ik in mijn onderbroek zat.

Ze wilde een aantal testen doen. Eén daarvan was een droge ogen test. ‘Droge ogen staan soms in verband met bepaalde vormen van gewrichtsziekten,’ aldus de arts. De assistente pakte twee vloeipapiertjes en stak ze onder mijn oogleden. ‘Ogen dicht.’ Zo moest ik vijf minuten blijven zitten. Het voelde een beetje belachelijk.

Daarna kwam een bloedtest, direct gevolgd door de röntgenfoto’s van polsen en enkels. Het was inmiddels zeven uur ’s avonds en er was weinig leven meer in het ziekenhuis. Het meisje dat de foto’s maakte had alle tijd. We zochten naar de teenbreuk die ik had opgelopen toen ik tien was. We vonden hem niet.

Het laatste kwartier bracht ik dolend rond. Ergens had ik de verkeerde afslag genomen. Minuten lang liep ik door donkere, verlaten gangen. Ik vond het een beetje luguber. Was steeds bang dat ik per ongeluk het mortuarium zou binnenlopen. Toen ik tenslotte het washok belandde werd ik opgepikt door een aardige schoonmaker. Hij bonjourde me naar de uitgang.

Afijn, het bezoek was een avontuur op zich.

Nu de uitslag nog.

Droog je tranen….

Goed. Over tot de orde van de dag.

Nu ik weer regelmatig fíets naar mijn werk, word ik vaak overvallen door een nostalgisch gevoel. Dat komt, ik rijd dagelijks (deels) dezelfde route als vijftien jaar geleden. (Alleen dan in omgekeerde richting.) Tóen fietste ik naar school. Nu naar mijn werk. De omgeving is flink veranderd (hele wijken zijn uit de grond gestampt, zelfs in het oude centrum) maar de geuren zijn hetzelfde.

Eerst de bakker bij het station. Dan de benzinepomp. De geur van het water in de haven en tenslotte de pepermuntachtige lucht rondom de tandpastafabriek. Lekker fris, alsof je iemand een kus geeft die net zijn tanden heeft gepoetst.

Het is grappig, die zintuiglijke reis naar vroeger. Een beetje alsof ik terugfiets in de tijd. Alsof ik straks een wiskundetoets heb. Of een s.o. Engels. Soms kijk ik zelfs achterom, even checken of mijn rugzak nog wel dicht zit.

Eenmaal op kantoor moet ik altijd even bijkomen. Omschakelen van school naar werk. Een kopje koffie, even rustig zitten. Langzaam verdwijnt het verleden. Het schoolmeisje glijdt naar de achtergrond. De jaren sijpelen weg. Het duurt even voor ik weer helemaal in het nu ben.

Het is ook niet niks. Tijdsreizen vóór negen uur ’s morgens.

Mijn Gouden Kooi

Het was een bizarre droom.

Ik zat in de Gouden Kooi. Niet met vreemden, maar met vrienden. Het was niet naar. Het voelde niet opgesloten. Het was leuk. Relaxed. ‘Zolang ik met mijn vrienden ben, hoef ik niet weg,’ dacht ik.

Lizzy en Annabel waren er niet bij. Paul volgens mij ook niet. Maar gek genoeg miste ik ze niet. Het was net alsof er niets anders wás. Alleen die Gouden Kooi. En wat er niet is, kan je ook niet missen. Het was gewoon goed daar. Heel raar.

Ik was me bewust van de camera’s. Elke handeling, elk gesprek, bij alles speelde ik een bepaalde rol. En dat vond ik nog leuk ook. Ik wilde dat mensen zagen wat ik deed. Alsof ik optrad in mijn eigen Truman Show.

Dagelijks ontvingen we de Viva. Die stond vol met artikelen over ons. Ingezonden brieven, citaten. Alles. Niet altijd positief, maar daar moesten we eigenlijk alleen maar om lachen. Dat die gekke wereld überhaupt de móeite nam om ons te volgen!

Het is nu bijna elf uur en nog steeds denk ik aan die droom. Die beperking, die toch zo ruim en comfortabel aanvoelde. “Misschien zitten we allemaal op een bepaalde manier in onze eigen Gouden Kooi,” filosofeerde mijn collega. “Spelen we toneelstukken voor de anderen. Zijn we beperkt in alles wat we doen. Zonder dat we ons dat realiseren.”

Is dat zo, vroeg ik me af.

In de contramine

Annabel is momenteel net een papagaai.

Alles wat Lizzy zegt, alles wat Lizzy doet, alles wordt gekopieerd. En soms vindt Lizzy dat best leuk. Zoals tijdens het avondeten. Als zíj dan met haar hoofd gaat schudden, en Annabel schudt mee, dan is dat lachen. Vooral als laatstgenoemde nét een volle lepel in haar mond heeft.

Maar meestal vindt Lizzy het níet leuk. Bijvoorbeeld als ze gewoon even alleen wil spelen. Of als ze net een mooie blokkentoren heeft gebouwd. Dan is het helemaal niet fijn, zo’n geluierde pappagaai in de buurt. Stap-stap-stap en wég is de toren. Dan is zo’n zusje maar stom. En dat zal Lizzy laten merken ook.

“Mamma, ik vind mijn zusje níet meer leuk,” zei ze laatst. “Ze schreeuwt, ze stinkt en ze gooit alles om.” Toegeven, scherpe analyse. “Lieverd, toen jij klein was, was je precíes zo,” kwetterde ik vrolijk. “ En als Annabel straks nog wat groter is, dan kunnen jullie heel leuk samen spelen.”

“Hm,” gromde Lizzy. Duidelijk nog steeds in de contramine.

“Hm. Ik geloof niet dat ik zin heb om dáárop te wachten, mamma.”