(Kinder)feestjes


Man,man, man, die kinderfeestjes worden toch ook steeds leuker he?!

Waren wij – de dertigers van nu – vroeger al blij als we zelf onze feestmuts mochten versieren, (ook leuk hoor, daar niet van) worden die kinderen tegenwoordig gewoon al zingend gewoon de catwalk opgestuurd.

Neem nou dit feestje, een topmodellenfeest, waarbij een complete fotoschoot is gemaakt, geweldig toch? Eerst mochten de kinderen zich uitleven in de verkleedhoek (Liz scoorde meteen een paar pumps met hakken van vijf centimeter), daarna werden ze gekapt en gepimpt (inclusief nagels) en tenslotte volgde een workshop ‘poseren’.

Ik stond erbij en keek er naar. Of eigenlijk, ik stond erbij en kwijlde erbij. De eigenaar van de studio gaf me zijn kaartje en fluisterde: “We organiseren ook glamourparty’s voor grote meisjes hoor.”

Help me even, wanneer ben ik ook alweer jarig?

Het feestje is afgelopen

Bij het eerste boek was ik vooral verwonderd.

Ik werd niet direct door het verhaal gegrepen. Het duurde zeker tot bladzijde honderd voor ik er helemaal inzat. Daarna ging het snel. Voor ik het wist sloeg ik de laatste pagina alweer om. “Heb je die dikke pil nu al weer uit?” vroeg Paul verwonderd.

Het tweede deel was een feestje met oude bekenden. “He!” riep ik steeds. “Jij ook hier?!” De hoofdpersonen gingen steeds meer leven en de spanning werd alsmaar groter. “Sttt,” zei ik tegen de kinderen. “Pak maar een koekje. Mamma is aan het lezen.”

En nu ligt deel drie klaar. Het feestje gaat gewoon verder. Toch is er één verschil. Want hoe lang ik ook over dit boek ga doen, hoezeer ik me ook zal vereenzelvigen met de hoofdpersonen, na dit deel is het over.

Het feestje is afgelopen en er zal nooit meer zo’n feestje komen.

Stieg Larsson is dood. What a loss.

Verschil moet er zijn

“Met wie zit jij nou weer aan de telefoon?”

Ik blijf rustig zitten op het aanrecht. “Hmm. Oké. Hm.” mompel ik, terwijl ik mijn blik strak op mijn wiebelende tenen gericht houd. Geïrriteerd probeert Paul me ‘opzij’ te schuiven zodat hij bij de koelkast kan. “Dan zie ik je vrijdag,” sluit ik het gesprek af.

“Wie was dat?” vraagt Paul nogmaals. “Vriendin F.,” zeg ik. “Ik ga daar vrijdag heen, dat moesten we nog kortsluiten.” Paul fronst. “En dat duurt ruim een uur?” “Ja,” bevestig ik rustig. “Dat duurt ruim een uur.” Paul haalt zijn schouders op (‘vrouwen’) en verlaat de keuken.

Halverwege de gang rinkelt zijn mobiel. “Met Paul,” neemt hij op. “Hé vriend A. Een biertje drinken? Lekker. Tot over vijf minuten.” Triomfantelijk stopt Paul zijn mobiel terug in zijn broekzak en pakt in één vloeiende beweging zijn jas. “Kijk,” zegt hij. “Zo kan het ook.”

Zei ik toch

“Ik heb een gaatje.”

“Dat lijkt me sterk,” zegt de tandarts. “Twee maanden geleden had u nog niets. Iemand u bang gemaakt?” “De mondhygiëniste,” geef ik toe. “En het doet pijn als er iets kouds op komt.” “De mondhygiëniste,” zucht de tandarts. “Zei ik toch.”

De tandarts gebaart dat ik moet gaan liggen. “Even niets zeggen, ik ga zoeken.” Ik sper mijn mond open en laat hem zijn gang gaan. “Ik zie er geen gat in,” zegt de tandarts. Hij is altijd zo grappig, mijn tandarts. “Maar ik zie wel waar u pijn heeft.”

De tandarts pakt een blaasapparaat en blaast koude lucht op mijn kies. “Auw,” roep ik. “Dat doet zeer!” “Zei ik toch,” zegt de tandarts. “Er ligt een wortel bloot. Even aflakken.” Ik verwacht dat hij met een flesje nagellak aankomt, maar dat is niet het geval.

Hij smeert een soort pasta op mijn kies. “Zo,” zegt de tandarts. “Klaar.” Hij pakt het blaasapparaat en zet het op de kies. Ik zet me schrap maar er komt geen pijn. “He,” roep ik verheugd. “Ik voel niets!” “Nee,” zegt de tandarts. “Zei ik toch!”

“Adios,” roep ik naar de assistentie wanneer ik vijf minuten later mijn jas haal. “Ben je al klaar?” vraagt ze verbaasd. “Ja,” zeg ik. “Het was helemaal geen gaatje.” Op de achtergrond hoor ik de tandarts. “Zei ik toch.”

Blues

Ik heb er niet zo’ n zin in.

Vóór de vakantie zat ik in een soort flow. Ik kon de wereld aan. Ik deed alles tegelijk en had toch zeeën van tijd. Ik liep op wolkjes, lachte veel, en alles ging vanzelf.

Dat gevoel is nu totaal verdwenen. Van flow naar blues lijkt het wel. En opeens lijkt alles te stagneren. Lijnen lukt niet meer (zelfs die anderhalve kilo van de vakantie krijg ik er niet meer af), mijn boek gaat me niet snel genoeg en ik heb totaal geen webloginspiratie.

Kortom, het is herfst in mijn hoofd. En ik ga me de komende tijd maar eens lekker verstoppen achter de dichte gordijnen. Met een potje thee en mijn man binnen handbereik. En als ik hier eens een dagje ‘oversla’, nou, dan weten jullie waar het van komt.

Dan zwelg ik.

Observaties

Heb je het gemerkt?

Er waait een andere wind. Er is verandering op komst. Ik wist het al toen ik vanochtend opstond. De kinderen waren ongewoon druk, mijn hoofd voelde alsof het vol zat met watten. En dan de vogels. De vogels waren stil. Ze zongen niet.

Eenmaal buiten voelde ik direct de onrust. Er was minder geluid dan normaal. Misschien werd het gedempt door de wolken. Gelige wolken, alsof de lucht was bedekt met een laagje zwavel. Wanneer zou het onweer komen?

De wind zwol aan. En ging vervolgens weer liggen. Alsof hij geen richting kon kiezen. Aanvallen of terugtrekken, wat zou het worden. De keitjes van de straat klonken hol onder mijn hakken. Mijn horloge liep trager dan normaal. Of was ik het zelf?

Eenmaal op kantoor pakte ik een kop koffie. Ik was alleen en stond voor het raam. Ik keek naar de boomtoppen. Dan weer zwiepend, dan weer roerloos. De gelige wolken waren compacter nu. Ik nam een slok koffie en keek.

Ik wachtte.

Traantjesverdrietig

Gisteravond was ik verdrietig.

Echt verdrietig. Traantjesverdrietig.

Ik ging voor de laatste keer sporten met vriendin N. Écht voor het laatst, want ze gaat verhuizen. Zij en haar gezin verlaten onze veilige cirkel en gaan naar Verweg. Ken je dat, Verweg? Dat ligt op ongeveer twee uur rijden van Dichtbij. Immer gerade aus.

Ik leerde N. kennen tijdens zwangerschapszwemmen. De vrienschap groeide naarmate de buiken groeiden. En de buiken werden baby’s. De baby’s kleuters. Tussendoor kregen we beide een tweede. Twee meisjes! Die zouden dikke vriendinnen worden. Dachten we.

En nu gaat ze weg. Ver weg. Twee-uur-rijden-ver-weg. “Ach, dat valt toch wel mee?” hoor ik je denken. “Het is de andere kant van de wereld niet!” En dat is waar. Maar met twee kleine kinderen vóelt het wél als de andere kant van de wereld.

Dus namen we afscheid op het parkeerterrein. In de kou, in het donker. “Dag lieffie, tot snel. Succes met de verhuizing.” Snik. Snik. (Ik kon er echt niets aan doen, we wisten het al een half jaar, maar ineens was het zo plotseling. Hoe kan zoiets toch?)

We reden de parkeerplaats af en kozen, heel symbolisch, beiden een andere uitrit.

Grappig genoeg kwamen we daarna weer op dezelfde weg uit.